Layards grote project

Layards reconstructie van Nineveh

Austen Henry Layard is een van de invloedrijkste oudheidkundigen uit de negentiende eeuw. Hij is de ontdekker van de hoofdsteden van Assyrië. En zoals het met de geleerden uit die tijd gaat: hij was een van de grondleggers van het vakgebied, samen met halfgoden als Friedrich August Wolf, Caspar Reuvens, Jean-François Champollion, Henry Rawlinson, Johann Gustav Droysen, Heinrich Schliemann, Oscar Montelius, Theodor Mommsen en Ulrich von Wilamowitz. Maar waar dit negental allang is beschreven in fatsoenlijke biografieën, is Layard eigenlijk wat onbekend gebleven. Mogens Trolle Larsen presenteert in The Conquest of Assyria de ontdekker van Nineveh en Kalach als een soort Indiana Jones – en dat is een karikatuur.

Akkoord, Layard was een avonturier in de beste Victoriaanse traditie. En die traditie is er niet alleen een van stiff upper lip en wetenschappelijk optimisme, maar ook van genadeloos imperialisme. Het is in die sfeer dat we Layard óók moeten plaatsen.

Aan het begin van de negentiende eeuw had Groot-Brittannië al een imperium in het Verre Oosten, met India als voornaamste bron van inkomsten. Het probleem was natuurlijk dat om daar te komen, Afrika in de weg lag. Daarom organiseerden de Britten in 1836 een expeditie om te onderzoeken of het mogelijk was via de Eufraat een stuk af te snijden. Die verkenningstocht mislukte grandioos.

Maar Layard was erdoor geboeid en meende dat het plan wel degelijk levensvatbaar was, mits aan zekere voorwaarden was voldaan. Simpel samengevat: er moesten mensen zijn die de waterwegen bevaarbaar hielden. Helaas was het gebied tussen Eufraat en Tigris grotendeels onbewoond, afgezien van wat nomadisch levende Arabieren. De verlatenheid van hun land kwam echter niet door het klimaat of de bodemgesteldheid, maar louter en alleen door het mismanagement van de Ottomaanse overheid. Met wat Britse bestuurlijke vaardigheid was er wel iets van te maken.

En echt moeilijk kon dat niet zijn, zo schreef hij in “On the Government of the Arab Tribes of the Desert” (1848). Men hoefde de bedoeïenen slechts vaste woon- en verblijfplaatsen te geven, zodat ze schaapskuddes konden onderhouden, handel konden leren drijven, cavaleristen konden leveren voor de Britse en Ottomaanse legers, belasting gaan betalen én de binnenvaart ondersteunen. De Ottomaanse overheid zou langs de rivieren wat garnizoenen kunnen plaatsen om de situatie te stabiliseren. Al snel zouden complete steden ontstaan.

Layard anticipeerde op een tegenwerping. Kon Mesopotamië werkelijk steden voeden? Het antwoord was simpel: natuurlijk kon het Tweestromenland dat. Het was in het verleden immers ook gedaan. Hij moest het alleen nog even bewijzen en dat betekende dat hij de Assyrische steden moest gaan opgraven.

En zo belandde hij in Mosul, waar de Franse consul Paul-Émile Botta in 1842 al de spade had gezet in de heuvel Kuyunjik. Hij had weinig gevonden en was een jaar later verder gegaan in Khorsabad, waar hij een compleet paleis had aangetroffen. De reliëfs vormen nog steeds een hoogtepunt in de collectie van het Louvre.

Layard begon in 1845 te graven in Nimrud, dat hij aanzag voor het oude Nineveh, en nam twee jaar later de opgraving van Mosul-Kuyunjik erbij. Pas na 1851, toen het Babylonische spijkerschrift voldoende ontcijferd was, werd duidelijk dat deze laatste site de gezochte hoofdstad van Assyrië was, Nineveh. Nimrud bleek het oude Kalach te zijn, overigens ook een hoofdstad van Assyrië, maar dat wist destijds nog niemand.

Nu was bewezen dat stedenbouw in Mesopotamië wel degelijk mogelijk was, en en passant ook nog de Lachisreliëfs waren gevonden, resteerde slechts de vraag of de bewoners van het gebied zélf in staat waren om in steden harmonieus samen te leven. Layard moest vooroordelen pareren over Arabische opvliegendheid, vetes, bloedwraak, stammenstrijd en moordpartijen. In de verslagen van zijn opgravingen, zoals Nineveh and its Remains (1849), noemt hij dus de mechanismen waarmee de plaatselijke bevolking conflicten de-escaleerde. Ook Layards overtuiging dat de nestoriaanse christenen – die in deze jaren door de Koerden werden vervolgd – afstammelingen waren van de Assyriërs, past in zijn presentatie: als de wrede Assyriërs beschaafde christenen konden worden, was er hoop voor alle andere bewoners van het gebied.

Layards droom van een Brits-Ottomaans Mesopotamië is vanzelfsprekend een droom gebleven, en dat is vermoedelijk maar goed ook. De gedwongen vestiging van bedoeïenen in vaste verblijfplaatsen, bewaakt door Ottomaanse troepen, lijkt immers vervaarlijk veel op een concentratiekamp. De verhoopte verbinding tussen de Middellandse Zee en de Indische Oceaan is er overigens uiteindelijk wel gekomen, al was niet via de Eufraat, maar door het in 1869 geopende Suezkanaal.

23 gedachtes over “Layards grote project

      1. FrankB

        Gezien het tijdstip waarop u uw berichtje geplaatst hebt vraag ik me af of u er niet wakker van bent geworden ….

  1. Martin

    Dat over “concentratiekamp” is wel wat negatief. Het was goed bedoeld. In die tijd had men het over de “white man’s burden”: de zware verantwoordelijkheid, van de witte man dus, om de wat minder ontwikkelde delen van de mensheid op de rails te zetten. Churchill had het daar ook nog over.

    1. jacob krekel

      Niettemin zijn de Engelsen wel de uitvinders van het moderne concentratiekamp. Toen ze de tweede boerenoorlog maar niet tot een einde konden brengen werden de vrouwen en kinderen van de Boeren geconcentreerd in concentration camps.
      Van Layard heb ik vroeger niet veel meer geleerd dan dat hij de ontdekker van Nineveh was.Mooi dat er nu een breder plaatje is.

    2. FrankB

      Moderne versie van een bekend christelijk gezegde: de weg naar het concentratiekamp is geplaveid met goede bedoelingen. Schieten de slachtoffers lekker veel mee op.
      Churchill had er een paar jaar lang geen probleem mee non-combattanten plat te bombarderen om vervolgens degenen die die strategie uitvoerden met de nek aan te kijken. Naar hem verwijzen is dus niet meteen een aanbeveling.

  2. Marcel Meijer Hof

    Door de drooglegging van de moerassen tussen de Eufraat en de Tigris in de 80-er en 90-er jaren (vdve) staat de cultuur van de Moerasarabieren, een deel van de bedoelde nomaden neem ik aan, sterk onder druk. Het is een boeiende cultuur met een geweldige architectuur van volledig uit riet opgetrokken hallen.

    1. Roger Van Bever

      Die drooglegging was het gevolg van de verschrikkelijke wraakactie van Saddam Hoesein, omdat de moerasarabieren vooral sjiieten zijn. Na 2003 hebben de Amerikanen geprobeerd door opnieuw onder water zetten van het gebied het aangedane leed te herstellen. ISIS heeft het weer voor een groot deel tenietgedaan. Helaas zijn de moerasarabieren wat hun leefwijze en cultuur betreft op termijn tot de ondergang gedoemd. Heel jammer, want zij behoren ton het werelderfgoed (Lijst Unesco)
      Een boeiende reportage met enkele mooie foto’s staat hier:
      https://www.mo.be/reportage/de-waterstrijd-van-de-moerasarabieren

  3. Rob Krabbendam

    “Maar waar dit achttal allang is beschreven in fatsoenlijke biografieën, is Layard eigenlijk wat onbekend gebleven.”

    Gordon Waterfield, “Layard of Nineveh” (Londen: John Murray, 1968)…?

  4. Beste Jona, naar aanleiding van de volgende zin uit je (weer prima stuk): “hij was een van de grondleggers van het vakgebied, samen met halfgoden als Friedrich August Wolf, Jean-François Champollion, Henry Rawlinson, Johann Gustav Droysen, Heinrich Schliemann, Oscar Montelius, Theodor Mommsen en Ulrich von Wilamowitz”. Bij die grondleggers mis ik altijd de figuur van Caspar Reuvens (1793-1835). Met zijn opgraving van Forum Hadriani en de verslaglegging daarvan hoort hij zeker bij die grondleggers -misschien wel als vader van de methodische archeologie. Zou het niet leuk (of gepast) zijn hem eens in het zonnetje te zetten?

  5. Hoi Jona, naar aanleiding van een zinsdeel uit je stuk: “hij was een van de grondleggers van het vakgebied, samen met halfgoden als Friedrich August Wolf, Jean-François Champollion, Henry Rawlinson, Johann Gustav Droysen, Heinrich Schliemann, Oscar Montelius, Theodor Mommsen en Ulrich von Wilamowitz”. In dit -zonder meer relevante- rijtje wordt altijd Casper Reuvens (1793-1835) vergeten, terwijl die toch, met zijn werk in/aan Forum Hadriani, mag worden beschouwd als één der vaderen van de methodische archeologie (afgezien van zijn werk voor de totstandkoming van het RMO). Misschien aardig om ook hem eens in het zonnetje te zetten.

Reacties zijn gesloten.