De Bagdadspoorlijn

Monument voor de doden, gevallen bij de aanleg van de Bagdadspoorlijn

Je zoekt iets en vindt iets anders. Een kwart eeuw geleden reden mijn zakenpartner en ik ergens door het Taurusgebergte, in het voetspoor van Alexander de Grote, zoekend naar de Cilicische Poort. Pas laat op de middag begrepen we dat we er al vier keer langs waren gereden zonder te herkennen dat de ooit nauwe pas dankzij dynamiet was veranderd in de doorgang van een autosnelweg. In de tussentijd hadden we wel iets ongezochts gevonden: een grafmonumentje voor de Duitsers die hier een eeuw eerder waren overleden bij de aanleg van de roemruchte Bagdadspoorlijn.

De Bagdadspoorlijn

We kenden het politieke project waarmee de Duitsers en Ottomanen een landweg wilden openen van de Middellandse Zee naar de Perzische Golf en de Indische Oceaan. Het was een voor de hand liggend alternatief voor het Suezkanaal, dat in handen was van de Britten. Keizer Wilhelm II en sultan Abdulhamid II waren dan ook niet de eersten die het belang van zo’n landroute begrepen. Een halve eeuw eerder, nog vóór de eerste spa voor het Suezkanaal in de grond was gegaan, had Austen Henry Layard hetzelfde al bedacht. Hij kende ook de bezwaren al: er zouden mensen langs zo’n route moeten wonen om de reizigers te helpen aan alles wat bij hun reis nodig was, en Irak was heel dun bevolkt. Hij groef dus de Assyrische hoofdsteden op om te bewijzen dat hier steden konden bestaan. Lees verder “De Bagdadspoorlijn”

De poorten van Tell Balawat

Een van de reliëfs uit Balawat: de capitulatie van Tyrus (British Museum, Londen)

Een van de wonderen van het British Museum is de zogeheten Balawat Gate. Het gaat om de poort van een Assyrische tempel. Als u het museum binnen gaat, is links de garderobe, en onmiddellijk daarna is de zaal met deze tempelpoort. Als u de Steen van Rosetta ziet, bent u al te ver doorgelopen. De Balawat Gate is gevonden door archeoloog Hormuzd Rassam.

Hormuzd Rassam

Het verhaal van de archeologie in het Ottomaanse Rijk wordt vaak verteld alsof het gaat over westerse avonturiers die in het oosten de fundamenten – in meer dan één betekenis – van de beschaving opgroeven. Onwaar is dat niet, incompleet is het wel, want er waren volop Ottomaanse archeologen, waarvan Osman Hamdi de bekendste is. Hormuzd Rassam, geboren in Mosul, was een ander.

Hij was een veteraan, die het metier had geleerd tijdens Layards eerste expeditie naar Nimrud, vervolgens had gestudeerd in Oxford, en had behoord bij Layards staf tijdens zijn latere expedities. Rassam vond onder meer het kleitablet met het Zondvloedverhaal (onderdeel van het Epos van Gilgameš), deze stèle en de Cyruscilinder.

Lees verder “De poorten van Tell Balawat”

Archeologie in het Ottomaanse Rijk (2)

Osman Hamdi, de belangrijkste archeoloog van het Ottomaanse Rijk (Archeologische Musea, Istanbul)

De vijftien essays uit Scramble for the Past belichten een verhaal dat onder oudheidkundigen zeker niet onbekend is. Een archeoloog, die tijdens zijn studie Triggers History of Archaeological Thought heeft gelezen, of een assyrioloog, die Larsens Conquest of Assyria las, kent althans sommige hoofdlijnen en redacteuren Zainab Bahrani, Zeynep Çelik en Edhem Eldem vatten die, enigszins ten overvloede, nog eens samen in hun inleiding.

Europese avonturiers

De Description de l’Égypte. Rechtsbovenaan verjaagt de zonnegod Bonaparte de inheemse barbarij.

Europa heeft altijd belangstelling gehad voor het Nabije Oosten, waarvan men wist dat er eeuwenoude beschavingen hadden bestaan. Er is een doorlopende traditie van verre reizen, die al vaker is beschreven (bijv. door Wolff in How Many Miles to Babylon?). Aan het begin van de negentiende eeuw werd deze belangstelling echter meer wetenschappelijk, waarbij een belangrijke rol was weggelegd voor de Description de l’Égypte, het tussen 1809 en 1822 verschenen rapport van de onderzoekers die (tot ongenoegen van de jonge generaal Bonaparte) in 1798 meegingen met het Franse expeditieleger naar Egypte. Toen Jacques-Joseph Champollion de hiërogliefen ontcijferde, was duidelijk dat onze kennis van de oudste beschavingen daadwerkelijk vergroot kon worden, en dit bevorderde nog meer onderzoek.

Lees verder “Archeologie in het Ottomaanse Rijk (2)”

Archeologie in het Ottomaanse Rijk (1)

Vroeg-twintigste-eeuwse eeconstructie van een boerderij uit het oude Nabije Oosten (Museumpark Orientalis)

In 1911, vlak voor het begin van de Italiaans-Turkse Oorlog, keerden enkele Nederlandse wetenschappers en kunstenaars terug van een expeditie door het Ottomaanse Rijk. Vijf jaar lang hadden ze in Palestina, Jordanië en Syrië de Romeinse en Joodse oudheden gedocumenteerd, en ook de eigentijdse gebouwen en gewoontes. Het was nog behoorlijk spannend geweest. Twee deelnemers keerden niet terug. Aan avontuur geen gebrek.

Het resultaat is het huidige museumpark Orientalis bij Nijmegen, dat ruim een eeuw geleden werd geopend om katholieken te tonen hoe Jezus had geleefd. De “Heilig Land-Stichting”, zoals het park destijds heette, was daarmee een van ’s werelds oudste living history-parken. Elk detail van de reconstructies was verantwoord, zelfs als het niet is volgens de huidige inzichten. Het is maar één voorbeeld van de wijze waarop de kennismaking met het Ottomaanse Rijk onze visie op het oude Nabije Oosten heeft veranderd.

Lees verder “Archeologie in het Ottomaanse Rijk (1)”

Geliefd boek: The ruins of Nineveh and Babylon

Twee lamassu’s uit Nineveh

Austen Henry Layard vertrok in augustus 1849 vanuit (toen nog) Constantinopel om opnieuw opgravingen te doen in Nineveh en Nimrud. Zijn verslag van deze periode is vastgelegd in Discoveries among the ruins of Nineveh and Babylon (1853) en vormt een fascinerende aaneenschakeling van beschrijvingen van zijn ontdekkingen, waaronder de beroemde Assyrische reliëfs waarvan hij sommige zelfs nog in kleur heeft gezien en de lamassu’s (een woord wat door Layard overigens niet wordt gebruikt; hij spreekt over het algemeen van “winged bulls”) alsmede van zijn ontmoetingen met de lokale stammen. Ook verhaalt Layard uitgebreid en enthousiast over de inborst en gebruiken van de bedoeïenen.

Broederschap

Een opmerkelijk voorbeeld van wat Layard zoals vertelt, vormt het bestaan van een “rediff”, een persoon uit een, bij voorkeur, vijandige stam met wie een strijder een broederschap vormt. Deze broederschap over en weer vormt een bescherming als beide stammen in oorlog raken. De strijder wordt dan, ondanks de oorlog, beschermd door de familie van de rediff en andersom, familie en vrienden van de rediff zijn beschermd tegen geweld bij de familie van de krijger. Een hele praktische maatregel om eventuele onderhandelingen te vergemakkelijken en geweld te voorkomen. De krijger en zijn rediff zijn onafscheidelijk, en de plaats van de rediff tijdens het reizen is op de achterhand van de dromedaris waar hij zich met hoog opgetrokken benen vastklemt aan het zadel. Wellicht dankt de rediff zijn naam aan deze plek: het Arabische woord radif betekent onder meer “bil”.

Lees verder “Geliefd boek: The ruins of Nineveh and Babylon”

Layards grote project

Door Layard gemaakte reconstructie van Nineveh

Austen Henry Layard is een van de invloedrijkste oudheidkundigen uit de negentiende eeuw. Hij is de ontdekker van de hoofdsteden van Assyrië. En zoals het met de geleerden uit die tijd gaat: hij was een van de grondleggers van het vakgebied, samen met halfgoden als Friedrich August Wolf, Caspar Reuvens, Jean-François Champollion, Henry Rawlinson, Johann Gustav Droysen, Heinrich Schliemann, Osman Hamdi, Oscar Montelius, Theodor Mommsen en Ulrich von Wilamowitz. Maar waar dit negental allang is beschreven in fatsoenlijke biografieën, is Layard eigenlijk wat onbekend gebleven. Mogens Trolle Larsen presenteert in The Conquest of Assyria de ontdekker van Nineveh en Kalach als een soort Indiana Jones – en dat is een karikatuur.

Akkoord, Layard was een avonturier in de beste Victoriaanse traditie. En die traditie is er niet alleen een van stiff upper lip en wetenschappelijk optimisme, maar ook van genadeloos imperialisme. Het is in die sfeer dat we Layard óók moeten plaatsen.

Lees verder “Layards grote project”

Een archeologie-canon

Zomaar eens een foto van een archeologische stratigrafie

Gisteren bood ik op deze plaats een overzicht van een kleine veertig dingen die mensen zouden moeten weten over geschiedvorsing. Aangezien de historische canon van Van Oostrom / Kennedy geschiedenis presenteert als het ene feit na het andere, wilde ik toch eens benadrukken dat geschiedenis ook een wetenschap is.

Een van de trouwste lezers van deze blog, CK uit het archeologisch en historisch zo rijke Nijmegen, wees me erop dat een archeologiecanon ook niet zou bestaan uit een lijst van losse opgravingen, maar uit een lijst van methodische en technische vernieuwingen. In een telefoontje bespraken we dat archeologen, doordat ze de wetenschappelijke dimensie almaar niet benoemen en zich verschuilen achter de monumentenwetgeving, zélf de reden zijn waarom een staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat hij aan moet met musea vol opgegraven potten en pannen, waarom de limesvoorlichting zo verrekte contraproductief is, waarom een hoogleraar publiek begrip van wetenschap de raarste dingen kan vertellen over het Rijksmuseum van Oudheden en waarom De Volkskrant archeologie te onbelangrijk vindt om iets te rectificeren. Een Nijmegenaar herinnert zich natuurlijk ook de aquaductenaffaire en de affaire in de buurgemeente Cuijk.

Lees verder “Een archeologie-canon”