Karanovo

De trench van Karanovo

Ik geef toe: het plaatje hierboven is niet bijster informatief. U ziet een heuvel waar een lange gang in is gegeven. Meer is het niet, daar in Karanovo in Bulgarije. Als ik het een naam moest geven, zou ik het een trench noemen, wat net niet helemaal hetzelfde is als het Nederlandse “geul” (want die ontstaat door spoelend water) of “sleuf” (want die is smaller). Ik noem het dus maar een trench en deze trench vormde het begin van een belangrijke opgraving.

Stratigrafie

De enorme heuvel bij Karanovo (niet te verwarren met de even verderop gelegen grafheuvel) is te beschouwen als een tell, waarin diverse woonlagen boven elkaar lagen. Werd een dorp verwoest, bijvoorbeeld door een aardbeving, dan bouwden de overlevenden nieuwe huizen bovenop de oude, zodat die heuvel hoger werd. Herhaal dat enkele keren en je hebt een stevige bult. Als een archeoloog die bult van bovenaf neerwaarts gaat uitgraven, zijn de diverse bewoningslagen echter niet goed herkenbaar. Een trench helpt om vat te krijgen op de stratigrafie. Zie het onderstaande, iets informatievere plaatje.

Lees verder “Karanovo”

Faits divers (35)

Uit het geplunderde museum in Soedan.

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer slecht en goed nieuws.

Roof

Eerst slecht nieuws: zoals bekend woedt in Soedan, het antieke Nubië, een burgeroorlog. Een paar dagen geleden heroverde het leger delen van Khartoum op de rebellen, en daarbij is het Nationaal Museum voor de tweede keer geplunderd. Het doet wat denken aan de plunderingen in de Egyptische stad Malawi en in het nationaal museum in Bagdad, waarvan bekend is dat kunsthandelaren in de stad aanwezig waren om zorg te dragen voor een snelle heling.

Lees verder “Faits divers (35)”

Een chalcolithische plaspop

Chalcolithische plaspop (Pierides-museum, Larnaka)

Ik ben momenteel in Larnaka, het antieke Kition, op Cyprus; ik schrijf dit op mijn hotelkamer. Vanmiddag was ik in het Pierides-museum, dat de oudheidkundige collectie toont van een rijke Cypriotische familie. Het is een fijne plek om een uurtje door te brengen. Werkelijke topstukken staan er niet, maar het museum hypet de vondsten tenminste niet en biedt een gewoon gedegen overzicht van wat er in de Oudheid zoal op Cyprus is vervaardigd.

Zoals het bovenstaande beeld. Zesendertig centimeter hoog. Het dateert uit het Chalcolithicum, dus zeg maar de aanlooptijd naar de Bronstijd, ofwel het vierde millennium v.Chr. Even oud als de Naqada-cultuur in Egypte, de Uruk-cultuur in Mesopotamië en de Yamnaya-cultuur op de Pontische vlakte. Dit beeld is uniek: een man op een krukje, de knieën opgetrokken, ellenbogen op de knieën ter ondersteuning van het hoofd. Wijdopen mond. En het is een vaas.

Lees verder “Een chalcolithische plaspop”

De Proto-Indo-Europese samenleving: namen

Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

Met het oog op de naderende Bronstijdtentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden, beloofde ik wat te zullen schrijven over de Chalcolithicum/Bronstijd-samenleving die we kunnen reconstrueren aan de hand van wat we kunnen reconstrueren van het Proto-Indo-Europees. Dat ik tweemaal “we kunnen reconstrueren” schrijf, is lelijk maar geen toeval. Als we het hebben over het Proto-Indo-Europees, bedoelen we  een verzameling dialecten. En “de” daarop gebaseerde samenleving is natuurlijk eveneens slechts een benadering. Zoals alle oudheidkundige kennis.

Eén van de dingen waar de reconstructie echter redelijk solide is, is de naamgeving. We kennen namelijk heel veel persoonsnamen, afkomstig uit vrijwel alle Indo-Europese talen. En in bijna al die talen zien we hetzelfde patroon, dat taalkundigen aanduiden als tweestammigheid. Dat wil zeggen dat een naam bestaat uit twee elementen. De Griekse naam Nikolaos – het is vandaag immers het feest van de geboorte van Sint-Nikolaas – bestaat uit twee elementen, namelijk nikè, “overwinning”, en laos, “volk”. Het betekent dus zoiets als “overwinning voor het volk” of “overwinnaar van het volk”.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese samenleving: namen”

De Proto-Indo-Europese samenleving: bezit

In de Proto-Indo-Europese samenleving heette dit *peku.

De Bronstijd is de tijd waarin Europa zijn talen heeft gekregen. Indo-Europese talen. De relevantie ervan – of beter: de relevantie van het taalkundig onderzoek – staat buiten kijf. De Indo-Europese talen vormen immers een loepzuiver voorbeeld van de wijze waarop geesteswetenschappelijk onderzoek onze samenleving vormt: toen de Indo-Europese taalfamilie was ontdekt, veranderde de aard van het Europese nationalisme en gingen we volken definiëren als taalgemeenschappen. Il n’y a pas de Belges: de eeuwige Belgische staatshervormingen zijn een regelrecht gevolg van een oudheidkundige ontdekking. Niets meer, niets minder.

De Proto-Indo-Europese samenleving

Bovendien vormen de oude talen zelf ons belangrijkste erfgoed. Alle reden dus om ze als bron van informatie te gebruiken en een vroegantieke samenleving te schetsen. Ik wil dus de gedeelde woordenschat bekijken om te zien wat we kunnen weten over de wereld van de sprekers van de Proto-Indo-Europese talen. Omdat die verwante woorden hebben voor de onderdelen van een wagen, hebben we het over een wereld die is ontstaan na de uitvinding van het wiel – laten we zeggen ná 3500 v.Chr. Een wereld die ergens rond 2800 v.Chr. uiteen begon te vallen.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese samenleving: bezit”

Byblos in het Chalcolithicum

Chalcolithische amuletten (Nationaal Museum, Beiroet)

In het vorige filmpje over de (oude) geschiedenis van Byblos legde ik uit hoe de eerste mensen er in de Prehistorie waren komen wonen. Dat was ergens in het zevende millennium v.Chr. We slaan twee millennia over en komen dan, ergens rond 4500 v.Chr., aan bij het Chalcolithicum. Dat betekent letterlijk “kopersteentijd” maar we zeggen vaak Kopertijd.

Die naam is wat misleidend. Het betekent alleen dat men in die tijd – en niet per se in Byblos – in staat was ovens te bouwen waarmee men temperaturen kon halen om koper te bewerken. Dat zegt vooral veel over het technologisch potentieel van die tijd en vertelt iets over de oplossingen die de mensen kiezen konden. Ook als je geen koper gebruikte, waren er bepaalde opties die eerder niet hadden bestaan en dus is “Kopertijd” een redelijke typering voor een bepaalde type samenleving. Zelfs als daar geen koper of ander metaal wordt gebruikt.

Lees verder “Byblos in het Chalcolithicum”

De ontdekking van het oudste Irak

‘Ubaid-aardewerk uit Irak (Archeologisch Museum van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet)

De eerste opgravers in Irak waren mensen als Botta, die Nineveh ontdekte; Layard, die de Assyrische hoofdsteden opgroef; Koldewey, die hetzelfde deed in Babylon; en Hamdi, die het museum van Constantinopel stichtte. Hun enorme verdiensten staan buiten kijf, want het was bepaald geen sinecure in het zich hervormende Ottomaanse Rijk, zonder heel duidelijke politieke verhoudingen maar vol etnische spanningen, je werk te doen. Al bood die onduidelijkheid ook kansen. Kansen die wij misbruik zouden noemen.

Afgezien van de organisatorische problemen hadden deze archeologen te maken met het feit dat ze hun vondsten alleen konden interpreteren aan de hand van teksten. Die vormden weleens een dwaalspoor, zoals toen Koldewey in Babylon speurde naar Hangende Tuinen die even reëel waren als Diagon Alley in Londen. En dan waren er de dieper liggende lagen, die de allereerste steden documenteerden. Toen schreven de mensen nog niet, dus de opgravers hadden geen idee wat ze opgroeven. Sumeriërs? Nog nooit van gehoord. Ook wisten ze niet hoe oud het spul was dat ze opgroeven. Ze noemden het dus maar “aardewerk zoals gevonden in Nineveh”. Zo ontstond de gewoonte archeologische culturen te vernoemen naar de eerste vondplaats. De La Tène-cultuur is een Europees voorbeeld en Andronovo is een Aziatisch voorbeeld.

Lees verder “De ontdekking van het oudste Irak”

Chalcolithicum: het begin van de Oudheid

Heerser uit Uruk, einde Chalcoithicum (Pergamonmuseum, Berlijn)

Objectieve kennis kan niet bestaan, maar als mensen met diverse achtergronden aan de hand van dezelfde data en dezelfde methoden tot dezelfde conclusies komen, zitten we aan de veilige kant. En je krijgt betere informatie als je meer en uiteenlopender data in je analyse betrekt. Klinkt logisch, gebeurt onvoldoende. De oudheidkundige opleidingen zijn te kort. Daarnaast zijn er twee andere problemen, namelijk dat inzichten achter betaalmuren liggen en dat het daardoor niet mogelijk is het publiek normaal te informeren. Daarom twijfel ik al een tijdje aan de zin van mijn activiteiten en keerde ik terug naar het handboek waarmee ik over oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek.

Ik blogde er al eens over – een, twee, drie – en een van de auteurs, Van der Spek, reageerde al. Deze reeks kan leuk worden. Vandaag: het begin van de Oudheid. Ofwel de overgang van de laatste fase van de Prehistorie, het Chalcolithicum, naar de Bronstijd.

Lees verder “Chalcolithicum: het begin van de Oudheid”

Het vernieuwde Allard Pierson

Zomaar drie portretkoppen op de Egyptische afdeling van het vernieuwde Allard Pierson

Het Allard Pierson-museum is vanouds het oudheidkundige museum van de Universiteit van Amsterdam. Het is echter meer dan dat. Het is bijvoorbeeld gevestigd in een historisch pand: de voormalige Nederlandsche Bank. Elke keer als ik de trap opga, bedenk ik dat mensen als Walraven van Hall ook over deze treden zijn gelopen. Inmiddels is de taakomschrijving van de instelling verbreed, waardoor de banden met Amsterdam zijn versterkt. De archeologische verzameling is namelijk samengevoegd met de afdeling Bijzondere Collecties.

Je zou “het Allard Pierson”, zoals de instelling nu wil heten, kunnen typeren als kennisinstituut voor de Amsterdamse verzamelingen. Dat heeft gevolgen voor de antieke collectie, die wat meer dan vroeger de nadruk legt op de eigen geschiedenis. De voorwerpen zijn immers aangekocht door directeuren die allemaal een eigen visie hadden. De verzameling is zelf in feite ook een historisch object. Een eerste stap in deze richting was een verzamelaarskabinet met korte typeringen van die directeuren; de onlangs na een verbouwing heropende afdelingen zijn een volgende stap; en ik heb goede hoop dat de verzamelgeschiedenis van de individuele objecten in de nabije toekomst nog wat meer aandacht krijgt.

Lees verder “Het vernieuwde Allard Pierson”

The Rise of Civilization (2)

(klik = groot)

Als voorbeeld van de op neo-evolutionisme gebaseerde New Archaeology kan de overgang dienen van een egalitaire, agrarische maatschappij uit de Late Steentijd naar de eerste stadstaten. Anders gezegd: het immer fascinerende Chalcolithicum. Beide samenlevingstypen kunnen worden beschreven als structureel en functioneel samenhangend maar hoe kwam men van het ene type maatschappij naar het andere? Hoe veranderde het ene culturele systeem in het andere?

In de eerste helft van de twintigste eeuw zochten oudheidkundigen het in een keten van opeenvolgende oorzaken en gevolgen: een klimaatverandering had ertoe geleid dat men dijken en kanalen moest gaan aanleggen, dit had coördinatie verondersteld, daardoor was het centraal gezag versterkt, en dus waren paleizen en steden ontstaan. Onderzoekers als Braidwood waren er al van overtuigd geweest dat het zo niet kon zijn en de koolstofdateringen bevestigden in elk geval dat het geen revolutionaire ommekeer was geweest maar een geleidelijke evolutie. (Politiek buskruit, zoals ik al eens schreef.) De nieuwe archeologen conceptualiseerden het daarom als een geleidelijk proces, dat bestond uit allerlei wisselwerkingen, zoals blijkt uit het schema hierboven: de Nederlandse versie van een plaatje uit Redmans The Rise of Civilization.

Lees verder “The Rise of Civilization (2)”