Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs

De drie zones van Apulië

[Derde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

Het vorige stukje eindigde met de constatering dat er drie stammen vielen aan te wijzen: de Dauniërs, de Peuketiërs en de Messapiërs.

Dauniërs

Tot de belangrijkste vondsten van dit ondervolk, dat we in het noordwesten moeten plaatsen, behoren de Daunische stèles, gebeeldhouwde stenen blokken uit de zesde eeuw v.Chr., gevonden op de zuidelijke vlakte van Siponto, nabij Manfredonia, en nu bewaard in onder meer het Nationaal Museum van die stad. Ze stellen sterk gestileerde mannelijke en vrouwelijke menselijke figuren voor en waren verticaal in de grond bevestigd, net zoals de begraven mensen die zij afbeeldden. Ook andere afbeeldingen kwamen voor.

Lees verder “Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs”

Deel dit:

Iapygisch Apulië

Iapygische IJzertijdhelm (Altes Museum, Berlijn)

[Tweede van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

De oorsprong van de Iapygiërs

In het eerste millennium v.Chr. ziet men de opkomst van een beschaving die antieke auteurs aanduiden als die van de Iapygiërs. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos noemt in de vijfde eeuw v.Chr. de Kretenzers als ongewilde kolonisatoren, die na een schipbreuk in Iapygië de stad Hyria stichtten.noot Herodotos, Historiën 7.170. Een onzekere identificatie voor dit Hyria is Thourioi, dat echter meer westwaarts ligt (in Basilicata). Volgens Strabon van Amaseia, dé Griekse geograaf uit de late eerste eeuw v.Chr, is de naam “Iapygië” afgeleid van Iapyx, een zoon van de god Apollo.noot Strabon, Geografie 6.3.2. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere van zijn kant stelt dat Iapygië vernoemd is naar de rivier de Iapyx (niet geïdentificeerd).noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 3.102. Van dergelijke verhalen weten we dat ze niet zuiver historisch zijn, maar passen in de Griekse traditie om de oorsprong van vreemde volkeren te verklaren via migraties. Soortgelijke ontstaansmythen bestaan voor vrijwel elke subregio of stad in Apulië, met hier en daar een Illyrische uitzondering (zoals Bitonto).

Een hypothese die vandaag ruime steun vindt is dat het Iapygische “volk” of haar cultuur een versmelting is van de reeds aanwezige prehistorische bevolking met immigranten uit de Balkan die vroeg in het eerste millennium v.Chr. de Adriatische Zee zijn overgestoken. Deze hypothese combineert de informatie van de antieke auteurs met materiële vondsten en taalkundige analyses. Traditioneel worden de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Italië, waarmee Balkan-immigranten zich zouden vermengd hebben, aangeduid als “Ausonen”, maar er ontbreekt samenhangend archeologisch of taalkundig bewijs voor een dergelijke min of meer homogene cultuur.

Lees verder “Iapygisch Apulië”

Deel dit:

Prehistorisch Apulië

De geografie van Apulië

In dit artikel wil ik samenvatten wat we weten over de pre-Romeinse geschiedenis van de huidige Italiaanse provincie Puglia, die grotendeels samenvalt met de gelijknamige historische regio Apulië. Ik was er zopas op reis en dat geeft altijd inspiratie. Bovendien is de cultuur die aan de Romeinen voorafging mij aangenaam raadselachtig.

Geografische situering

Dat Apulië een eigen geschiedenis heeft, begrijpen we door eerst te kijken naar de aardrijkskunde.  De Apennijnen, de ruggengraat van Italië, buigen in het zuiden af en maken zo in het oosten ruimte voor een vlakte, die de historische regio vormt. Er zijn enkele uitzonderingen: de kleine uitstulping in het noorden – het “spoor” van de laars – is een geïsoleerde hoogvlakte, het nationaal park van Gargano. Centraal ligt de Alta Murgia, eveneens een hoger gelegen nationaal park.

De laagvlakte daar tussenin wordt verdeeld in de Tavoliere rond Foggia en de Salento, de echte hak van Italië. Bijzonder is dat er quasi geen rivieren zijn in deze regio. In het noorden heb je nog wel de Ofanto, die zich amper 170 kilometer richting Adriatische Zee slingert, en rond Bari is er bescheiden afwatering van de Alta Murgia, maar in de Salento is er … niks. Dat komt niet alleen doordat de streek zeer vlak is, maar vooral doordat ze geologisch bestaat uit kalksteen. Het water baant zich geen weg naar zee maar sijpelt de grond in. Wat je dus mist aan rivierenschoon, win je aan karstgrotten en andere spelingen der natuur.

Prehistorisch Apulië

De Prehistorie

De ons bekende menselijke geschiedenis van Apulië begint bij Foggia. In Pirro Nord zijn vuurstenen gevonden, die ongeveer 800.000 jaar oud zijn.noot Een studie uit 2024, gepubliceerd in Quaternary Geochronology, reviseert de traditionele datering van anderhalf miljoen jaar naar ca. 800.000 op basis van nieuwe dateringen van sediment en fossielen. Het blijft een van de oudste sites in West-Europa, maar niet meer het alleroudste. In het bergdorp Altamura nabij Bari zit een gefossiliseerd skelet van een Neanderthaler in een karstgrot verankerd. Bijzonder is dat men het sinds de ontdekking in 1993 mooi heeft laten zitten. Men denkt nog altijd na over een manier om het skelet uit de karst te halen, maar men is bang onherstelbare schade aan te richten en intussen is de geest van de archeologie verschoven van ophalen naar laten zitten voor later. Men is er echter alvast in geslaagd via de Uranium-Thorium-datering van een stukje karst het skelet te dateren tussen 172 en 128 duizend jaar oud. Een schraapsel uit een schouderblad leverde in 2015 een genetisch staal op dat zich liet identificeren als dat van de Neanderthaler. Het was daarmee destijds het oudste dergelijke DNA.

De Neanderthaler van Altamura (© Wikimedia Commons)

De oudste fossielen van de Homo Sapiens in Italië zijn aangetroffen in de Grotta del Cavallo in Salento: twee tanden van 43.000 tot 41.000 jaar oud. Ze werden een tijdlang beschouwd als de oudste in Europa, maar o.a. in Bulgarije is intussen ouder materiaal gevonden. Dan is er Delia, een vrouwelijke hominide die 28.000 jaar geleden leefde. Zij is ontdekt in Ostuni, met de resten van een terminale foetus in haar baarmoeder, een zeldzaamheid in het archeologisch onderzoek.

Botten uit de Grotta delle Veneri bij Parabita suggereren het bestaan van vruchtbaarheidsculten uit het Gravettien-tijdperk (ongeveer 25.000 jaar geleden), terwijl in de grot Le Mura in Monopoli fossiele resten zijn gevonden van een kind van ongeveer anderhalf jaar, gedateerd op 17.000 jaar. DNA-onderzoek uit 2024 voegt toe dat het kind blauwe ogen had en een donkere huid. Deze en andere vondsten leiden tot de hypothese dat Apulië deel uitmaakte van de toevluchtsoorden (“refugia”) voor de eerste Europese moderne mensen tijdens de laatste ijstijd.

Bij Manfredonia zijn de nederzetting en de graven van Masseria Candelaro ontdekt, daterend uit het zesde millennium v.Chr., die aantonen dat de vlakte ten zuiden van de Gargano sinds het vroege Neolithicum bewoond was. In Passo di Corvo, aan de rand van Foggia, staat een van de grootste neolithische archeologische sites van Europa (zesde tot vierde millennium  millennium v.Chr.). De daar aangetroffen landbouwpraktijk kwam vermoedelijk vanuit het Midden-Oosten naar Italië en entte zich op de vruchtbare Apulische vlakte.  De Laterza-cultuur, vernoemd naar het dorp waar de grafplaatsen zijn aangetroffen, was mogelijk de laatste neolithische cultuur van Italië voor de Bronstijd.

Bronstijd

Recente opgravingen in Roca Vecchia hebben een imposant vestingwerk uit de Bronstijd (zeventiende tot en met elfde eeuw v.Chr.) aan het licht gebracht, met aanwijzingen voor Mykeense contacten. In hetzelfde gebied bevindt zich nog een belangrijke archeologische site: de grot van Posia Piccola (ook Poesia Piccola genoemd), ontdekt in 1983. Die draagt talrijke votiefinscripties, soms over elkaar gelegd, uit verschillende tijdperken en beschavingen.

Ook uit de Bronstijd dateren de vondsten rond Ruvo di Puglia: een nederzetting op de weg van Molfetta naar Matera uit ongeveer 2000 v.Chr. In de hutten zijn sporen aangetroffen van metaal- en steenbewerking, waaronder een bronzen bijl.

[Deze vijfdelige gastbijdrage van Dieter Verhofstadt wordt vervolgd. Dank je wel Dieter!]

Deel dit:

De Iberiërs (3)

Iberisch grafmonument (Archeologisch museum, Madrid)

[Laatste van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]

Rijk en arm

Een van de manieren waarop de rijke Iberiërs zich van hun arme landgenoten onderscheidden, was de monumentale grafsculptuur. Vanaf het begin, dus zeg maar vanaf pakweg 550 v.Chr., toonden voorname families hun welvaart met opvallende gedenktekens langs de toegangswegen tot de Iberische steden. Ze hadden allerlei vormen en zijn opgegraven in alle delen van de huidige regio’s Valencia en Murcia. Gaandeweg ontstonden ware dodensteden, keurig geordend, alsof het de steden waren van de levenden. Er was dan een hoofdstraat voor de graven van de voornaamste mensen, met haaks daarop zijstraten voor de bijzettingen van minder vermogende stedelingen.

De voornaamste graven – te zien in bijvoorbeeld de musea van Madrid en Elche – zijn werkelijk fantastisch. Er zijn torens en pilaren, er zijn afbeeldingen van wilde dieren en mythologische figuren. Misschien moesten die tevens tonen hoe de mensheid de natuur had overmeesterd en was gaan beheren. Zeker is dat niet, maar ik noem het omdat het ook een mogelijke interpretatie is van oudere stèles, waarover ik binnenkort eens zal bloggen.

Lees verder “De Iberiërs (3)”

Deel dit:

De Iberiërs (2)

Een span ossen (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)

[Tweede van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]

Economie

De meeste Iberiërs waren eenvoudige boeren, peasants. Maar naarmate de ijzerbewerking beter werd – dit speelt dus in de eerste fase, tussen 550 en 425 v.Chr. – slaagde men erin meer te produceren: vooral tarwe en gerst. Er ontstonden in de huidige regio’s Valencia en Murcia steeds grotere overschotten, die men vrijwel zeker verhandelde met de Feniciërs en de Karthagers, de Grieken en de Etrusken.

Naast akkerbouw was er natuurlijk ook veeteelt. De vochtigere gebieden langs de kust en de rivieren waren geschikt als weiland, waar runderen en schapen konden grazen. Er was altijd zuivel en vlees, maar de runderen konden ook dienen als trekdier en de schapen leverden wol. En textiel kon worden geëxporteerd. Op andere bodems konden de Iberiërs varkens, geiten en pluimvee houden.

Lees verder “De Iberiërs (2)”

Deel dit:

De Iberiërs (1)

Iberisch aardewerk (Museum voor onderwaterarcheologie, Alicante)

Ik heb op deze blog al redelijk vaak geschreven over de Iberiërs. Dat is een wat onhandige term, want ze slaat van oorsprong op de bewoners van het zuidoosten van Spanje, en kreeg later een tweede betekenis: alle bewoners van het Iberische Schiereiland, dus met inbegrip van de Tartessiërs in Andalusië, de Lusitaniërs langs de Oceaankust en alle andere groepen. Ik wil nu de eerste definitie volgen: de antieke bewoners van de huidige regio’s Valencia en Murcia.

Een eigen archeologische cultuur is aan te wijzen vanaf het midden van de zesde eeuw v.Chr. Die lijkt voort te komen uit de eerdere IJzertijdculturen, maar verschilt daarvan doordat er inmiddels handelscontacten waren met Fenicische en Griekse kooplieden. De eersten zaten ook wat verder naar het zuidwesten en hadden tevens contact met Tartessos, terwijl de laatsten wat noordelijker zaten en daar contact hadden met de diverse Keltische volken.

Lees verder “De Iberiërs (1)”

Deel dit:

Poëzie: Beerput III

Archeologisch profiel (Archeologisch museum, Almería)

Beerput III

De tussenlaag verwaardigt zich
niet te ruiken navigeert tussen
troon en rest want van eenzame hoogte
wuift een opperwezen je weg

Al gehoord al gevraagd
het steentje de klont je potje
de kantjes een nietsontziende zucht
niet komen vragen of iets iets is

Slechts weinig belijnde dagen
van de priemende meester
krijgen een eer van afdaling in stof

laat staan het stipje worden in zijn schoot

Slaaf en gladiator gelijk
wanneer hij opduikt onze vierde hegge-passant
op weg naar vissen thuis

gestopt bij halte arena
grijnzende marmerpet
leunend op zijn fiets tegen ons hek

En is er hier al goud gevonden?

Lees verder “Poëzie: Beerput III”

Deel dit:

Poëzie: Beerput II

De strata van een opgraving (Hazor)

Beerput II

Job schuurt de dag met zijn rug
naar de put in legergroene
bodybag met pioniersvakken
voor gereedschap en geloof

Nu zeeft hij de kluitenberg
tussen land en hoop
een vierde macht gelaten
achter regels van zijn weekend

in het laatje op kantoor
zijn doosje in een schuur
aan de einder van zijn onmetelijke tuin met fontein

vruchten zoekend van het gegraven gat

hij had er meer van verwacht
binnen zijn ritsen om tien uur ’s ochtends
zijn eerste dag als avonturier

Oppergod drijft mokkenden op
nooit genoeg eendagskaken op zaterdag
kom laat ze stromen door je bureauvingers

laat de aarde zweten

Lees verder “Poëzie: Beerput II”

Deel dit:

Poëzie: Beerput I

Archeologisch profiel (Landesmuseum, Hannover)

Beerput I

Hij regisseert met Romeinse wuft
geeft licht vandaag onze beroeps
in het zomerkamp voor beginnende
en eindigende levens

De archeoparasol voert vanaf tennistroon
kruipende hulptroepen aan
troffelen hopen terra sigillata
binnen strakke ingemeten lijnen

Voor twee slakken is geen vlak vrij
student en ambtenaar krijgen pollenheuvel
waarachter te sorteren beer in een zon

zeventiende-eeuwse weesheid verplaatst naar hier

Zwarte molm is geen kinderpoep
klerk springt dapper diep klauwt wilde kluiten
klimt snel kokhalzend terug op het vrijwillige droge

Studente graaft hongerig uit nee maar
een vlecht brilletje kinderschoen
Apollo schommelt boven tevreden

wat de mens toch al verliest op een wc

Lees verder “Poëzie: Beerput I”

Deel dit:

Het grafbeeld van Memi

Memi (Ägyptisches Museum, Leipzig)

Laten we eerlijk zijn: als u Memi, die u hierboven ziet afgebeeld, op straat zou tegenkomen, zou u hem vermoedelijk niet herkennen. Ongetwijfeld had hij over zijn bovenlip een heel dun, zorgvuldig gecultiveerd snorretje, en vermoedelijk had hij een even zorgvuldig gevlochten sorbetkapsel, maar zulke grote ogen kan hij nooit hebben gehad. En toch, als ik naar die reuzepupillen kijk, denk ik dat ik iemand zie die ik, als ik oud-Egyptisch zou verstaan, zou kunnen begrijpen.

Dat denk ik weliswaar, maar uiteraard is dat vooral projectie. Elke cultuuruiting bestaat uit enerzijds de feitelijke uiting – geschreven of gesproken woorden, een materieel object, een gebruik… – en anderzijds allerlei impliciet veronderstelde informatie, en die laatste is voorgoed verloren. Het is niet zo dat we een signaal ontvangen en simsalabim contact hebben. We treffen iets aan dat ooit bedoeld is geweest als signaal en wij kennen daaraan een betekenis toe. Dat proces is voor de hele oude wereld lastig, maar voor Egypte is het nog moeilijker dan voor bijvoorbeeld Griekenland: de omvang van het Egyptische talige databestand is ongeveer 10% van dat van het Griekse, en hoewel ik voor de materiële cultuur geen cijfers heb, vermoed ik dat daar iets soortgelijks speelt. Onze kennis van de wereld van Memi is daardoor minder robuust dan de ook al niet bijster robuuste kennis die we hebben over de klassieke wereld.

Lees verder “Het grafbeeld van Memi”

Deel dit: