Ik zocht vanmiddag iets anders maar vond David Bowie. Jaren niet op gehad. Nu klonk het ineens weer zoals ik het ooit voor het eerst hoorde. De wonderlijk hypnotiserende dreun. De onvermijdelijkheid. Het optimisme tegen de klippen op. Voor een moment was ik weer zestien, woonde ik bij mijn ouders in Apeldoorn, was ik nog nooit in Berlijn geweest en had ik alleen maar een mooi stuk vinyl gehaald uit de fonotheek in Deventer.
Zeg atonale muziek en iedereen die iets van klassieke muziek afweet denkt aan Schönberg. Vervolgens denkt men via zijn leerling Anton Webern aan piep-knars muziek: onbegrijpelijk en ontoegankelijk, behalve voor een handjevol uitverkorenen. Daar behoor ik niet toe, al maak ik graag een uitzondering voor Alban Bergs Vioolconcert. Ik heb dat horen spelen door een jongedame van het Nederlands Ballet Orkest en die wist hartverscheurend over te brengen hoe het voelt om een jong meisje kwijt te raken aan de dood. Het moge duidelijk zijn dat ik Stravinsky’s “noten drukken niets anders uit dan zichzelf” verwerp.
De ontwikkeling van atonale muziek loopt parallel aan de democratisering van deze kunstvorm. Na WO-1 werd de jazz populair, na WO-2 poprock (want ik heb er geen problemen mee om The Animals en Andre Hazes over één kam te scheren). Klassieke muziek kwam in een elitair hoekje terecht, al bleven de gouwe ouwen onverminderd populair.
Laat de term gitaarheld vallen en iedereen noemt Jimi Hendrix, Eric Clapton en wellicht nog zo’n paar. De Ier Rory Gallagher wordt eigenlijk nooit genoemd. Als tiener kwam ik zijn naam tegen bij recensies van zijn concerten, eind jaren 1970. In de jaren negentig kon ik op zaterdagnacht (eigenlijk zondagochtend) op de WDR naar uitzendingen van Rockpalast kijken en die maakten grote indruk.
Voor een biografie kunt u googelen. Bovendien vind ik het lastig om een speelstijl te omschrijven. Daarom link ik eerst naar een fabelachtig optreden:
Dat is geen solo in het midden, dat is een duet, op een wijze die Cream (d.w.z. met Clapton) nooit voor elkaar heeft gekregen. Dit is overigens geen kritiek op Clapton; ik wil benadrukken hoe bijzonder het spel van Gallagher was. Elke noot is raak. Hij speelt niets teveel. Met name tijdens de eerste twee coupletten is zijn spel uiterst minimaal. Geleidelijk en moeiteloos worden de noten moeilijker, de muziek complexer. De luisteraar heeft dat niet echt door, want altijd blijft zijn techniek in dienst van de muziek in plaats van andersom. Bruce en Gallagher vullen elkaar perfect aan en scheppen volledige transparantie, het volstrekte tegendeel van de Wall of Sound. En bedenk: Gallagher was in de nadagen van zijn carrière. Dus hoe zat dat op het hoogtepunt?
Afgezien van zijn jeugd kunnen we vier, misschien vijf fases onderscheiden.
Als je ouders je een prachtige naam als Alpha Diallo hebben meegegeven, heb je geen artiestennaam meer nodig, maar de Parijse rapper gaf de voorkeur aan Black Mesrimes (een woordspeling op Jacques Mesrine) en toen de lol van dat grapje af was aan Black M. Hij is niet onomstreden – denk aan beschuldigingen van homofobie en antisemitisme – maar dat laat onverlet dat Sur ma route (2014) een fijn nummer is dat in Frankrijk één stond in de hitparade. Mooi clipje ook.
En voor mij een herinnering aan Algerije, dat ook.
Laten we er geen doekjes om winden, Twitter is soms niet te verdragen omdat nogal wat gebruikers vooral bezig zijn te controleren of anderen wel voldoende verontwaardigd zijn over onderwerpen waarover ze blijkbaar verontwaardigd moeten zijn. Ik zal daarop geen uitzondering zijn. Maar soms gebeurt er iets aardigs, al had het vanmorgen een aanloopje nodig.
Eerst was er Marcel Hulspas, de auteur van het zo verschrikkelijk ten onrechte door alle boekenbijlagen genegeerde Uit de diepten van de hel, die nog probeerde verontwaardigd te zijn:
Beste Pauw, als je Meiland niet kent kom je niet direct van een andere planeet. De oogkleppen af, graag.
Omdat ik werkelijk niet wist wie of wat Meiland was, vroeg ik:
Dat in Nederland alle dingen vijftig jaar later gebeuren, veronderstel ik bekend, en dat is vermoedelijk de reden waarom er in de Amsterdamse Dodedichterbuurt, die officieel bekendstaat als de Kinkerbuurt, nog altijd geen Drs.P.-allee is. Ik heb de gemeente er overigens een brief over geschreven en ik weet dat die in welwillende overweging is genomen, want ik ben erover gebeld toen ik in België was . Ik heb de gelegenheid nog niet gehad de gemeente terug te bellen.
Maar goed. Die Drs.P.-allee is er dus niet en dat gaat me aan het hart. Ik heb eerder over een persoonlijke herinnering geblogd en ben nog eens op zoek geweest naar het Sneker Café. Toen ik een paar maanden geleden van Assen naar Groningen fietste en verdwaald wat oostelijker uitkwam dan ik had gewild, dacht ik onmiddellijk aan strokarton en ik heb – zoals bijna al mijn vrienden – voor menige situatie een citaat bij de hand. Een vriendin stuur ik foto’s van elke veerpont waarmee ik oversteek. Zie ik een samovaar op een gevelsteen, dan heb ik nog urenlang de striemende coupletten in het hoofd van de Dodenrit. Nog afgelopen donderdag zag ik in het Teseum in Tongeren onderstaand reliëf en ik dacht “met een Slavisch handgebaar”.
Kurt Cobain was nog niet zo heel lang dood toen Hole, de band van zijn echtgenote Courtney Love, optrad in Paradiso. Of beter: de band had daar een optreden zullen verzorgen maar liet op zich wachten. Het voorprogramma was allang klaar, er gebeurde weinig op het podium. Het viel me op hoe jong het publiek was en hoeveel jongens een vlasbaardje droegen. Net zoals hun overleden idool.
Uiteindelijk behaagde het de dames en heer van Hole om hun optreden te beginnen. Het eerste nummer was Plump. Daarna speelden ze nog drie nummers en toen was het optreden alweer voorbij: iemand had vanaf het balkon iets naar het podium gegooid en dat was mevrouw Love allerminst bevallen, dus ze was over een versterker naar boven geklommen en stond daar op iemand in te meppen. Het gebeurde ongeveer vijf meter van me vandaan.
Een paar jaar geleden realiseerde ik me ineens dat de Ramones op mij het effect hebben van een ijsjeswinkel. Ik word er blij van. Veel wist ik echter niet van mijn nieuw-onderkende muzikale voorkeur, dus ik besloot er het een en ander over te lezen: de autobiografie van Johnny Ramone, de herinneringen van de familie van Joey Ramone, het boek waarmee Marky Ramone zich presenteert als dé drummer van de band en het meelijwekkende verhaal van Dee Dee Ramone. Een psychopathische gitarist, een zanger met dwangstoornissen, een alcoholistische drummer en een heroïne-verslaafde bassist. Eeuwig ruzie. De enige normale Ramones waren de eerste en derde drummer Tommy en Richie, die de heksenketel allebei voortijdig vaarwel zegden.
Het zou de heren, die zich graag wat dommer voordeden dan ze waren, bepaald hebben verbijsterd als ze wisten dat ik bij het lezen van de verhalen van Joey en Dee Dee steeds weer moest denken aan de mythe van Prometheus: de Griekse godheid die de mensheid het vuur gaf en daarvoor een lange, pijnlijke straf kreeg. De Ramones vernieuwden de muziek maar Joey en Dee Dee betaalden daarvoor een te hoge persoonlijke prijs. Dat is ook de boodschap van het stripverhaal One, Two, Three, Four Ramones van Bruno Cadène, Xavier Bétacourt en Éric Cartier.
Ik moest maandag in Leeuwarden zijn om te spreken over het fotoproject waarover ik al eens blogde. Omdat mijn volgende afspraak ’s avonds in West-Friesland was en de veerpont van Stavoren naar Enkhuizen pas na zessen afvoer, moest ik wat tijd stukslaan, en daarom besloot ik eens naar Sneek te gaan. Ergens begin jaren zeventig heeft Drs.P. daar een optreden verzorgd en omdat hij de gewoonte had overal een voor de gelegenheid geschreven liedje ten gehore te brengen, schreef hij ook iets over een Sneker café. Hij vertelde zelf:
Iemand van de radio had dat café ontdekt, vond het blijkbaar onvergetelijk en preste de radiomensen ertoe om daar een opname te maken. Ik moest over dat onderwerp dus iets bedenken. Nu ben ik in Sneek niet zo goed bekend en ik kan me niet herinneren dat ik daar ooit een café van binnen heb gezien. Ik zat dus met een tamelijk navrant gebrek aan informatie. (bron)
Op 5 mei 1985 – drieëndertig jaar geleden – brachten Ronald Reagan en Helmut Kohl een bezoek aan het militaire ereveld te Bitburg. Het leek zo’n goed idee: twee politici, één namens de democratische republiek in de voormalige nationaalsocialistische staat en één namens de bevrijders, zouden zich hier symbolisch verzoenen.
Wat helaas over het hoofd was gezien, was dat op Bitburg negenenveertig SS-ers lagen begraven. Er volgde een enorme rel en het werd er niet beter op toen Reagan opmerkte dat de gesneuvelde SS-ers eigenlijk net zo goed oorlogsslachtoffers waren geweest. Alle ophef leidde er – als ik het me goed herinner – uiteindelijk toe dat er geen kransen werden gelegd en dat de verzoening beperkt bleef tot een handdruk.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.