Wanneer kwam er een einde aan de Oudheid? Wat vormt het begin van de Middeleeuwen? Het is moeilijk alle aspecten te benoemen, maar je zou in elk geval het verdwijnen van het keizerlijk bestuur uit West-Europa kunnen noemen: geen Romeinse staat, geen Romeinse belastingen, geen Romeinse legers. In het oosten was de overgang echter minder abrupt. Het Byzantijnse Rijk ging door met het heffen van belastingen, kon zijn legers onderhouden en overleefde. De grote oorlog tegen de Sassanidische Perzen werd gewonnen, al leidde die tot zo’n enorme verzwakking dat meteen daarna Syrië, Palestina en Egypte moesten worden afgestaan aan de Arabieren.
Er was ook een mentale overgang. Voor de ouden waren “wij” en “zij” identiek geweest aan “de Grieks-Romeinse beschaving” en “de barbaren”. In de Middeleeuwen was de voornaamste tegenstelling die tussen christendom en islam, zoals mooi is beschreven door D.L. Lewis in God’s Crucible.
De grens tussen echte professoren en kwakhistorici is vloeiend. Neem de brandspiegel waarmee Archimedes Romeinse schepen in brand zou hebben gestoken. Het staat niet in onze bronnen vermeld en de spiegel zou groter moeten zijn dan de spiegels die met de modernste technieken zijn gemaakt voor ’s werelds grootste sterrenwachten. Kortom, het kan niet, en je zou zeggen dat een echte academicus het Byzantijns verzinsel dus accepteert als een Byzantijns verzinsel. Maar nee, er is een professor die beweert dat Archimedes een stoomkanon bouwde. Inderdaad, er staat niets in de bronnen dat het tegenspreekt. Er staat immers überhaupt niets in de bronnen.
Maar het kan altijd absurder. In Delft woont professor M. Hij staat niet in de hooglerarenlijst van de Technische Universiteit, dus het zal wel een emeritus zijn. En hij heeft Atlantis ontdekt. In Aden.
De plaats van Alexanders troon, waar later zijn lichaam tentoon werd gesteld.
In 2004 publiceerde ik mijn boek over Alexander de Grote, dat door een onzalige speling van het lot verscheen in dezelfde maand als de speelfilm van Oliver Stone. De meeste recensenten koppelden mijn boek aan óf de film óf de Amerikaanse invasie van Irak, zodat ik er weinig van leerde. Nu hoef ik van recensies ook alleen te leren als er een herdruk is, en die bleef tergend lang uit omdat de markt – dankzij de film – was overvoerd met herdrukken van oudere Alexanderboeken.
Soms is de geschiedenis van een museum even interessant als de collectie. Museum Orientalis bij Nijmegen, waarover vandaag het bericht kwam dat het zijn subsidie kwijt raakt, werd een eeuw geleden opgericht om mensen een idee te geven van wat het was geweest om in Jezus’ tijd in het Heilige Land te leven. De oorspronkelijke naam was dan ook Heilig-Landstichting.
Het park was uniek. Natuurlijk, er waren al andere 1:1-reconstructies van gebouwen uit de oude wereld, zoals het Pompejanum (1848), de Saalburg (1897) en de Kerylos villa (1902), maar die waren geïnspireerd door Griekenland en Rome. De Heilig-Landstichting probeerde Palestina te verbeelden. In een tijd waarin de rooms-katholieke kunst nog bestond uit neogotische architectuur en de School van Beuron, was het bepaald revolutionair om Christus te tonen als een menselijk wezen, levend in een reëel landschap. Het museumpark was het katholieke antwoord op de protestantse “speurtocht naar de historische Jezus”.
Mijn ouders namen me begin jaren zeventig mee naar de Heilig-Landstichting. Je kon er een Joods dorp zien met een synagoge, reconstructies van het Sanhedrin en van het Paleis van Pilatus, Golgotha en een leeg graf. Laat in de middag zagen we een passiespel. Hoewel ik zes of zeven was, vond ik het ook toen al te vroom, te devoot.
Romeins straatje (Museumpark Orientalis)
Het moet een van de laatste passiespelen zijn geweest, want op dat moment was het museum al aan het veranderen. Het was ooit bedoeld geweest om de mensen dichter bij Christus te brengen en meer liefdevol te maken. Daar is niets mis mee. Maar de oude devotie bestond niet langer in de tijd van de ontkerkelijking.
Het museum verlegde de nadruk naar de Joods-Hellenistische omgeving waarin Jezus had geleefd. Er kwam bijvoorbeeld een leuke Romeinse straat, met exposities in de huizen. Ik herinner me schitterende modellen van Deir el-Medina, van de Atheense akropolis en van Jeruzalem.
Een deel van de bij de film behorende expositie in Orientalis
De laatste jaren probeerde het museumpark een ontmoetingsplaats te zijn, waar mensen kennis konden opdoen over de drie grote monotheïstische religies: jodendom, christendom en islam. Je kon er multimediapresentaties zien over, bijvoorbeeld, religieuze voedselvoorschriften, kleding, gewoontes, of serieuze thema’s als de relatie tussen religie en geweld of religie als bron voor vrede. Het gereconstrueerde oosterse landschap kon, zoals het museum het presenteerde, dienen voor een ontmoeting van ideeën.
Uitleg over het Romeinse leger in de Late Oudheid (Orientalis bij Nijmegen)
Een tijdje geleden was ik in Nijmegen en fietste ik er weer eens naar toe. Ik maakte een mooie wandeling. Mijn vierde of vijfde bezoek. Ik was verbaasd over de hoge kwaliteit van de vroegste reconstructies. De ontwerpers, mannen die uitgebreid door het Ottomaanse Rijk hadden gereisd, wisten verdraaid goed wat ze deden. Hun Joodse dorpje is een prachtige kopie van een Palestijns dorp, honderd jaar geleden.
Natuurlijk, hun orientalistische visie was – achteraf bezien – onjuist. Ze geloofden dat het Palestina van die tijd kon helpen om het land te reconstrueren in de tijd van Christus, wat in feite wilde zeggen dat ze aannamen dat er in negentien eeuwen niets was veranderd. Dat is toch wat neerbuigend ten opzichte van de bevolking, die echt wel tot creativiteit en vernieuwing in staat was. Maar toch, het idee van de ontwerpers om de Jood van Nazaret terug te plaatsen in zijn echte omgeving, in plaats van hem te degraderen tot een soort neogotisch kunstvoorwerp, verdient het serieus te worden genomen, en daarom staan de oude gebouwen nu op de lijst van Rijksmonumenten.
Het was, zo blijkt vandaag, niet voldoende als bescherming. Om het park klaar te maken voor de tweede eeuw van zijn bestaan, was 14 miljoen euro nodig: 2 miljoen van donateurs, 6 miljoen van het Rijk en 6 miljoen van de provincie Gelderland. Omdat het Rijk zijn bijdrage introk en de provincie haar bijdrage niet kon verdubbelen, valt nu het doek.
Het komt niet onverwacht, maar toch als een schok. Natuurlijk, zes miljoen is veel geld. We konden ten slotte ook slechts enkele miljarden over de balk gooien om de banken te redden.
Achttiende-eeuws portret van Augustinus (Porta Nigra, Trier)
Dat is nu aardig, zomaar een mooi boekje toegestuurd krijgen met de vertaling van een zestien eeuwen oude tekst. De gulle gevers zijn het Augustijns Instituut, uitgeverij Damon, de Stichting voor Oudchristelijke Studiën en enkele particuliere weldoeners; de vertalers zijn Joke Gehlen-Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six-Wienen; het kleinood in kwestie is de preek over Gods zorg voor de wereld van de kerkvader Augustinus.
Het zou te ver gaan de tekst op deze plaats te bespreken, want ik heb zin om zowel over de persoon van de auteur als over de inhoud van de preek iets te vertellen. Kijk dus maar hier.
Ostracon met registratie van een Romeinse volkstelling, niet die van Quirinius (Nationalbibliothek, Wenen)
De scherf hierboven maakt deel uit van de collectie van de Oostenrijkse nationale bibliotheek in Wenen. Hij is gevonden in het zuiden van Egypte en is beschreven door iemand met een geoefende hand, gewend aan het schrijven van veel teksten. Deze klerk heette Amonios, zoon van Amonios, en was belastinginner. In de tekst verklaart hij dat een zekere Soros, zoon van Pachompos, in het vijfde jaar van keizer Claudius (45 na Chr.) de hoofdelijke belasting had betaald, een bedrag van zestien drachmen voor een gezin van acht personen.
Niemand betaalt zijn belastingen voor zijn plezier en twee drachmen per persoon was veel geld. (Een drachme gold als het dagloon van een geschoold arbeider.) De Romeinen deden hun best – hoewel niet al te hard – om het enigszins rechtvaardig te doen, en daarom waren er volkstellingen. Toen keizer Augustus in 6 na Chr. besloot de Judese vorst Archelaos af te zetten en zijn land toe te voegen aan de provincie Syrië, moest gouverneur Publius Sulpicius Quirinius de Judeeërs tellen. Velen verzetten zich.
Schreef ik laatst dat mobiele telefonie in de trein voldoende is om iemand horendol te maken, het meeluisteren naar andermans conversatie (of althans één helft daarvan) heeft ook een voordeel. Ze biedt ook een uitgelezen kans om vast te stellen dat alle geruststellende mededelingen dat elektromagnetische straling de hersens onaangetast laat, eenvoudigweg niet op waarheid berusten kúnnen.
Ooit hadden studenten voldoende tijd om onderwijs te volgen (Benozzo Gozzoli)
De Nijmeegse classicus Vincent Hunink maakt zich zorgen over enkele recente onderwijsmaatregelen. “Studenten komen in keurslijf,” twittert hij, “nóg meer.”
Hij heeft natuurlijk volkomen gelijk en het is alleen omdat ik het haat eindconclusies te bereiken, dat ik wil wijzen op een complicatie. Op zich is er namelijk niets tegen een keurslijf. Het biedt noodzakelijke steun. Ik herinner me – opa spreekt – dat wij als oudheidkundestudenten vanaf 1985 aan de VU smeekten om meer regulering omdat de studieprogramma’s onwerkbaar chaotisch waren. Of kijk eens in Oxford en Cambridge. Studeren is daar vooral een kwestie van in razend tempo en op gezette momenten stukken schrijven. Daar pakt de structuur van een keurslijf dus goed uit.
De mensheid kan, zoals Rudyard Kipling eens zei, worden verdeeld in twee groepen: zij die reizen en zij die het niet doen. De reizigers kun je weer indelen in degenen die het allemaal gewoon over zich heen laten komen en degenen die er behoefte aan voelen hun ervaringen te documenteren. De een schrijft een gedicht over zijn terugkeer naar huis, de tweede laat zich interviewen over zijn Chinese avonturen, de derde heeft zoveel Kruisvaarderskastelen gezien dat hij er maar op promoveert. Colin McEvedy moet hebben behoord tot de laatste categorie: een reiziger die zijn indrukken alleen kon verwerken door te schrijven.
Toen hij in 2005 overleed, liet de Britse psychiater-demograaf-historicus-cartograaf, die al eerder een demografische wereldatlas had gepubliceerd, een half-voltooid boek na over de steden van de oude wereld. Het materiaal werd uiteindelijk door Douglas Stuart Oles bewerkt en uitgegeven en zo ontstond de Cities of the Classical World. An Atlas and Gazetteer of 120 Centres of Ancient Civilization.
Mijn nieuwe boek, De klad in de klassieken, presenteert de huidige crisis van de geesteswetenschappen aan de hand van één voorbeeld, de oudheidkunde. Wie alleen de hoofdconclusies wil kennen, heeft vermoedelijk iets aan het onderstaande.
(1)
De huidige, te kort opgeleide, generatie oudheidkundigen is de eerste in een half millennium die minder kan dan de voorgaande. Dat leidt tot problemen.
Er is onvoldoende dialoog tussen de diverse oudheidkundige disciplines.
De uitdaging van de sociale wetenschappen, die de vooronderstellingen van de oudheidkunde hebben geproblematiseerd, wordt genegeerd.
De theoretische vernieuwing van de oudheidkunde is tot stilstand gekomen. Daar waar toch vernieuwingen zijn, betreft het veelal technieken die zijn ontleend aan andere vakgebieden.
Er wordt veel onjuiste informatie rondgepompt, met het internet als katalysator.
Er bestaat geen duidelijkheid over de maatschappelijke verantwoordelijkheden en vitale belangen, zodat oudheidkundigen geen weerwoord hebben als de relevantie van de wetenschap wordt uitgedrukt in economische termen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.