Een paar dagen geleden schreef Kees Alders op deze blog over het Hemels Mandaat, Tianming, dat de Zhou-dynastie uit het westen van China voor zichzelf claimde toen ze in de elfde eeuw v.Chr. de Shang-dynastie omverwierp. Samengevat:
De laatste Shang-vorst zou wreed en losbandig zijn geweest, en daarmee het morele mandaat hebben verloren om zijn rijk te besturen.
Dit idee is in het latere China een belangrijke rol blijven spelen, aangezien het een van de kernvragen introduceerde van de latere Chinese filosofie: wat was immers de deugd waarover de heerser diende te beschikken? Die vraag laat ik verder aan Alders over om te beantwoorden, ik wijs op een parallel in Mesopotamië.
Zoals ik gisteren aangaf was het Medische Rijk bepaald niet de centraal georganiseerde Iraanse eenheidstaat die Herodotos beschrijft. Het ging om een losse federatie van seminomadische clans in het Zagrosgebergte. Dat laat onverlet dat er in de laatste generaties vóór de opkomst van het Perzische Rijk van Cyrus de Grote wel degelijk een groter verband kan hebben bestaan. Herodotos noemt twee laatste vorsten: Kyaxares en Astyages, die samen vijfenzeventig jaren zouden hebben geregeerd over een federatie die heel Iran besloeg.
De val van Nineveh
Ondertussen – we hebben het over de tijd na 620 v.Chr. – waren de Babyloniërs onafhankelijk geworden van Assyrië. Koning Nabopolassar trok ieder jaar ten strijde tegen de voormalige heersers van het Nabije Oosten. De Meden wisten dat het in troebel water goed vissen was. De kroniek die bekendstaat als ABC 3 noemt Umakištar ofwel Kyaxares, die in de zomer van 614 v.Chr. het Assyrische religieuze centrum Aššur verwoestte:
De Meden trokken langs de Tigris en sloegen hun kamp op voor Aššur. Ze vielen de stad aan en vernietigden haar. Ze brachten een verschrikkelijke nederlaag toe aan een talrijk volk, beroofden het en sloegeb het uiteen. De koning van Babylonië en zijn leger, die de Meden waren gaan helpen, bereikten de strijd niet op tijd.
Volgens de Babylonische kroniek die bekend staat als ABC 2, nam Nabopolassar op 23 november 626 v.Chr. de koningstitel aan. Ik blogde er al over. Dit was het begin van een reeks veldtochten tegen de Assyriërs. In 614 plunderden de Babyloniërs en de Meden de religieuze hoofdstad van Assyrië, Aššur, twee jaar later gevolgd door Nineveh. Babylon, al ruim een millennium de culturele hoofdstad van het Nabije Oosten, was nu ook weer de politieke hoofdstad.
Van Nebukadnezar tot Cyrus
De zoon van Nabopolassar, Nebukadnezar, regeerde van 605 tot 562 v.Chr. en herbouwde Babylon als de mooiste stad van het Nabije Oosten. De beroemde muren met blauwe glazuurtegels en de Ištarpoort zijn twee voorbeelden. Elders verbeterde hij het koninklijke paleis en herbouwde hij de Etemenanki. De roemruchte Hangende Tuinen, volgens Griekse auteurs een van de zeven wonderen van de toenmalige wereld, zijn misschien wel het bekendste werk van Nebukadnezar. Helaas zijn ze een sprookje.
De restauratie van Babylon door Esarhaddon (Louvre, Parijs)
Ik schreef onlangs dat Babylon de culturele hoofdstad van het Nabije Oosten bleef. Dat was zo nadat een Hittitische aanval rond 1595 v.Chr. – opnieuw die dateringskwestie – een einde aan het Oud-Babylonische Rijk had gemaakt, dat bleef zo in de slecht gedocumenteerde Kassitische tijd, dat bleef zo toen Elam in het oosten tijdelijk een supermacht was, dat bleef zo toen Mitanni in het noorden belangrijk was, dat bleef zo terwijl de Zeevolken in het westen de boel op stelten zetten, dat bleef zo toen de Assyrische koningen het Nabije Oosten verenigden.
Hoofdpijndossier Babylon
Voor hen was Babylon een hoofdpijndossier. Ze wierpen in de achtste eeuw v.Chr. “het juk van Aššur” over Babylonië en vonden dat ze de culturele hoofdstad netjes moesten behandelen. Vanaf Tiglath-pileser III (r.744-727) lieten ze zich daarom kronen als heersers van zowel Assyrië als Babylonië. Door de stad in een personele unie met hun rijk te verenigen, brachten zij hun respect voor de Babylonische beschaving, instellingen en wetenschap tot uitdrukking. De Babyloniërs kwamen echter in 703 v.Chr. in opstand onder leiding van Marduk-apla-iddin II (de Bijbelse Merodach Baladan), en koning Sanherib plunderde de stad in 689. Dit was een daad van verschrikkelijke goddeloosheid: dit verbrak immers de band die de aarde verbond met de hemel, zoals vorm gegeven in de Etemenanki–ziggurat, het “huis van het fundament van de hemel op aarde”. Hij deporteerde de bevolking van Babylon richting Nineveh en de culturele hoofdstad stond jarenlang leeg.
In mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag de vraag: kan het niet simpeler met al die rijken uit de Brons- en IJzertijd? De Egyptische geschiedenis is vrij overzichtelijk verdeeld in drie “rijken”, wat tussentijden en nog een Late Periode, maar het Nabije Oosten is een vrij complexe afwisseling van Sumeriërs, Akkadiërs, Babyloniërs (oud-, midden-, nieuw-), Assyriërs (oud-, midden-, nieuw-), Elamieten, Meden, Achaimenidische Perzen, Seleukiden, Parthen en Sassanidische Perzen. En daarna dus de Kalifaten van Damascus en Bagdad. Nogal complex.
Het oosters wereldrijk
Bij inleidend onderwijs zeg ik altijd “het oosters wereldrijk” en dat lijkt me een toegestane vereenvoudiging, vergelijkbaar met de “vier vegen” om de geschiedenis van alle volken van Centraal-Azië samen te vatten. Het idee dat er één koning voor de hele wereld moest zijn, heeft eerbiedwaardig oude wortels; de stedelijke infrastructuur bleef eeuwenlang bestaan; literatuur en talen waren al even duurzaam. Het is niet verkeerd al die “rijken” op te vatten als dynastieën in hetzelfde grote koninkrijk. (Eigenlijk zijn het etnoklassen die toevallig niet aan de onderkant maar aan de bovenkant van de samenleving zitten; ik laat dit even wat het is.) Tot de enorme etnische veranderingen ten tijde van de Mongolenstorm was er nogal wat continuïteit.
Het bovenstaande reliëf uit Sippar in het noorden van Babylonië is misschien wel een van de bekendste kunstvoorwerpen uit het oude Mesopotamië. Niet zonder reden. Het is gebaseerd op de gulden snede en treft ons dus als harmonieus.
Onder een baldakijn zit de zonnegod Šamaš (een naam die gewoon “zon” betekent) met in zijn hand een korte scepter en een ring. Beide zijn machtssymbolen; ik herinner me hoe de tweede lange tijd “ring of power” werd genoemd, tot die Tolkienfilms die uitdrukking voorzagen van onbedoelde bijbetekenissen, zodat wetenschappelijke jargontermen ineens populair werden (farshiang, kydaris). Deze Achaimenidische Ahuramazda en dat Sassanidische investituurreliëf zijn andere voorbeelden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.