Tacitus’ Germanen (slot)

[Onder de onheilspellende titel In moerassen en donkere wouden heeft de Nijmeegse classicus Vincent Hunink vertalingen samengebracht van alle teksten die de Romeinse historicus Tacitus wijdde aan de Germanen.

Daarover valt een hoop te zeggen. Dit is het laastste van zeven stukjes, waarmee ik u wil verleiden dat boek te lezen. Het is namelijk echt interessante materie. En nee, ik krijg voor deze blogstukjes – net als voor mijn reeksen over de Historia Augusta en Het leven van Apollonius – geen commissie.]

Tacitus’ Germanenteksten zijn geschreven tussen pakweg 100 en 120 n.Chr. De Germania vormt een commentaar op Domitianus’ claim het gebied te hebben onderworpen, terwijl de Historiën en Annalen tonen hoe een senator zich wel of niet moet gedragen. Dat zijn heel specifieke boodschappen, gericht aan een heel specifiek, senatorieel publiek. Te lang is deze context vergeten en zijn de Germanenteksten gelezen als feitelijk accuraat.

Uiteraard is dit niet uniek voor de Tacitusinterpretatie. De context wordt bij antieke teksten wel vaker vergeten, zodat er mensen zijn die denken dat Ramses II bij Kadesh een overwinning boekte op de Hittieten, dat Romulus Rome heeft gesticht op 21 april 753 v.Chr., dat Archimedes met brandspiegels Romeinse schepen in brand stak en dat er in Betlehem werkelijk een ster te zien is geweest. Er zijn, kortom, mensen – wetenschappers zelfs – die faraonische propaganda, Romeinse legenden, Byzantijnse ingenieursbluf en de Bijbel letterlijk nemen zonder te onderzoeken welke politieke, religieuze, etnische of andere vooringenomenheden de antieke auteurs mogelijk hadden.

We moeten dat niet erger maken dan het is. We lezen de antieke literatuur immers in de eerste plaats omdat we er plezier aan beleven. Maar ook als we aan de oude teksten betekenis willen toekennen voor onszelf, leidt het negeren van de context niet tot grote schade: daarvoor is de Oudheid te lang geleden en het belang van de meeste teksten te gering.

Dat verandert echter als zo’n antieke bron wordt gebruikt om nationalistische of religieus-fundamentalistische claims te rechtvaardigen, zoals is gebeurd met Tacitus’ Germanenteksten, die in het nabije verleden zijn benut om te bewijzen dat de Germanen raszuiver waren en superieur aan andere volken. Dit laatste valt niet uit de Germania of de andere teksten af te leiden, maar het eerste wel.

Wie zou Azië of Afrika of Italië willen verlaten en afgaan op Germanië met dat woeste landschap, ruwe klimaat en treurige inrichting en aanblik?

vraagt Tacitus zich af, om vervolgens zelf te antwoorden dat mensen hier uitsluitend wonen als het hun vaderland is. Andere argumenten zijn dat het land moeilijk te bereiken is en dat ook de Germanen zelf beweren autochtoon te zijn.

Lange tijd keek niemand serieus naar dit soort passages, maar dat veranderde vanaf de achttiende eeuw, toen de Europeanen  steeds beter begonnen te begrijpen hoe gevarieerd de menselijke culturen waren. De oude verklaring voor de verschillen tussen de samenlevingen was dat de mensheid volmaakt was geweest tot de torenbouw in Babel, maar was daarna uiteengevallen in verschillende volkeren, die allemaal delen van de oorspronkelijke cultuur waren vergeten. Ten tijde van de Verlichting kwam daar een andere theorie voor in de plaats: de mensheid was begonnen als aaseter en was via diverse stadia van barbarij uitgegroeid tot beschaving. De verschillen tussen de menselijke culturen waren dus verschillen in ontwikkelingspeil.

In de negentiende eeuw, toen er nog meer etnografische informatie kwam, werd duidelijk dat dit een te eenvoudige verklaring was en probeerde men verdere verschillen te verklaren door te kijken naar de uiteenlopende raciale achtergrond. De diverse rassen waren, zo nam men aan, verwikkeld in een eeuwige rassenstrijd, waarin “mengvolken” minder sterk stonden dan “zuivere” volken. In dit intellectuele klimaat waren Tacitus’ woorden dat de Germanen

niet door vriendschappelijke contacten waren vermengd met andere stammen

ineens heel betekenisvol. Zuivere volken waren sterker, en getuigde Tacitus er niet van dat de Germanen “een geheel eigen volk, zuiver van ras” vormden?

Een tweede ontwikkeling was de ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie. Van India tot IJsland stamden de mensen af van een volk dat, vele eeuwen geleden, op de Noord-Duitse Laagvlakte zou hebben gewoond. (Moderne geleerden houden het op zuidelijk Rusland en Oekraïne.) Allerlei stammen waren uit deze Urheimat weggetrokken: over de Rijn naar het Gallische westen, over de Alpen naar het Latijnse zuiden, over de Balkan naar het Griekse zuidoosten en over allerlei steppes naar het verre oosten, waar dit oervolk der “Ariërs” was uiteengevallen in de Iraanse en de Indische stammen. De Germanen waren als enigen thuis gebleven, “niet door huwelijken met andere volkeren aangetast” en raszuiver. En dus superieur.

Tacitus zal het niet hebben gewild, maar de Germania was razend populair onder nationaalsocialisten, die de tekst zagen als een van de belangrijkste argumenten voor hun leerstuk dat de Duitsers een Herrenvolk vormden. Laat niemand dus zeggen dat de bestudering van de Oudheid een zinloze activiteit is: de resultaten hebben invloed op de manier waarop we denken over zaken als etniciteit. De Oudheid zelf mag dan voorbij zijn en volstrekt verstoken van actualiteit, het denken over dit tijdvak beïnvloedt onze cultuur.

De ontsporing zou te vermijden zijn geweest. Wie van antieke teksten méér verwacht dan leesgenot, moet de context kennen waarin ze zijn geschreven, en dit betekent onvermijdelijk dat hij de antieke wereld moet kennen. Aangezien we daarover te weinig informatie hebben, betekent kennis van de oude wereld – opnieuw: onvermijdelijk – dat een oudheidkundige kennis moet nemen van alle denkbare informatie.

Dit is bij de Germanenteksten onvoldoende gebeurd. Classici en oudhistorici zouden de Germania, de Historiën en de Annalen vaker hebben moeten vergelijken met het archeologisch materiaal. Al in de negentiende eeuw had zo kunnen worden vastgesteld dat Tacitus’ presentatie niet klopte. Germanië is niet arm, de Germanen droegen geen dierenhuiden en de boeren bezaten hun bouwland niet collectief. Tacitus koos de voorbeelden over huwelijksmoraal en de omgang met vrijgelaten slaven niet om de Germanen te beschrijven maar om zijn senatoriële standsgenoten iets uit te leggen.

Omgekeerd was het beter geweest als archeologen de archeologie meer voor zichzelf hadden laten spreken en niet hadden benut om het gelijk van de Germania te bewijzen. Nu is het niet zo dat oudheidkundigen, als ze zich breder hadden georiënteerd, de opkomst van het nationaalsocialisme hadden kunnen verhinderen, maar classici-met-kennis-van archeologie en archeologen-met-kennis-van-antieke-literatuur zouden wel hebben kunnen beletten dat Tacitus’ tekst, geschreven voor een specifieke doelgroep, werd benut als bouwsteen van een racistische ideologie. Voldoende generalistisch gevormde oudheidkundigen zouden de nazi’s iets van hun geloofwaardigheid hebben kunnen ontnemen.

[literatuur is opgenomen in In moerassen en donkere wouden en u bestelt het boek hier]

3 gedachtes over “Tacitus’ Germanen (slot)

  1. mnb0

    “Voldoende generalistisch gevormde oudheidkundigen zouden de nazi’s iets van hun geloofwaardigheid hebben kunnen ontnemen.”
    Ook dat geloof ik niet. Genetica was in 1930 al flink ontwikkeld en weerlegt volkomen de centrale leerstelling van raszuiverheid. Precies zoals creationisten tegenwoordig de evolutietheorie en de Oerknal systematisch verkeerd weergeven hadden de nazi’s dat met een correcte interpretatie van Tacitus gedaan. De reden daarvan is heel eenvoudig en bevestigd door psychologie. Mensen zijn niet rationeel, zij selecteren die informatie die hun vooringenomen opvattingen bevestigen.
    De wat slimmere creationisten gebruiken dat weer om wetenschappelijke bevindingen te ondermijnen. Zoals de onnavolgbare Ken Ham schrijft:

    “Thus, when Christians and non-Christians argue about the facts, in reality they are arguing about their interpretations based on their presuppositions.”

    Ik heb er het volste vertrouwen in dat nazi’s Tacitus als bewijs waren blijven gebruiken en dat evenveel mensen het geslikt hadden.

  2. Dirk

    Ik ben het met mnb0 eens. Een ander voorbeeld van de frustrerende onmacht van wetenschappers tegenover mensen van kwade wil is het debat over klimaatopwarming in de States.

Reacties zijn gesloten.