Faits divers (40)

Een danser uit Meroë (Staatliche Sammlung für Ägyptische Kunst, München)

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: verbeteringen aan deze blog, een niet-zo-doorbraak met artificiële intelligentie (of eigenlijk: twee), klimaatverandering en een open access-boek.

***

Deze blog

U heeft het misschien al ontdekt: Kees Alders, die de techniek van de Mainzer Beobachter doet en ook allerlei dingen weet over antieke filosofie, heeft een leuk speeltje gebouwd voor deze blog. Het is de tijdlijn-pagina, die u hier vindt, en die u in staat stelt wat te grasduinen.

Nu ik toch even bezig ben met wat meer persoonlijke zaken: ik mocht een interview geven over mijn boek over de geschiedenis Libanon. U kunt het vraaggesprek daar lezen. En hier, daar, daar en daar zijn recensies. Wat mij betreft mag u het boek verder ongelezen laten, zolang u het maar koopt, want de opbrengst gaat via Cordaid naar Libanon.

Lees verder “Faits divers (40)”

Historisme en grotemannengeschiedenis

Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.

Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.

Historisme

In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.

Lees verder “Historisme en grotemannengeschiedenis”

Gustaf Kossinna (2)

Hallstatt-voorwerpen uit de Elzas (Palais Rhodan, Straatsburg)

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als zijn opvattingen verder hadden gestaan van die van de Nazi’s. Het was in zijn tijd gebruikelijk aan te nemen dat niet alleen de Germanen, maar ook de sprekers van de Proto-Indo-Europese taalfamilie afkomstig waren van de Noord-Duitse Laagvlakte. De Germanen stonden daarom het dichtst bij de oorsprong en bezaten daardoor een etnische zuiverheid die elders afwezig was. Zo was Brittannië door invasies van allerlei volken (Belgen, Romeinen, Vikingen, Normandiërs) verworden tot een etnische smeltkroes, terwijl in Gallië Keltische, Romaanse en Germaanse elementen samenkwamen. De Germanen waren daarentegen raszuiver gebleven. Dacht men.

Nobele Germaanse wilden

Hun raszuiverheid maakte – nog steeds volgens Kossinna – de Germanen biologisch superieur. Bovendien hadden ze een superieure taal, die hen in staat stelde creatiever te zijn dan andere volken: een eigenschap die tot dan toe meestal was toegeschreven aan de Grieken. Wie met de nobele Germaanse barbaren contact maakte, meende Kossinna, raakte daardoor verrijkt.

Lees verder “Gustaf Kossinna (2)”

Gustaf Kossinna (1)

Kossinna

In de dagen van Schliemann en zijn jongere tijdgenoot Montelius zou niemand de grens tussen klassieke en prehistorische archeologie hebben kunnen trekken. Er was nog zo veel onbekend, de methoden waren nog nieuw en in feite bestond de archeologie als wetenschap nog niet. Er waren hooguit wat aanzetten daartoe. Geleidelijk aan kozen sommige onderzoekers voor samenwerking met de classici en de oudhistorici; zij gingen hun materiaal presenteren op een gevaarloze wijze, ermee tevreden een hulpwetenschap te zijn waar classici iets aan hadden. Ik blogde er al over.

Er waren er die zich verzetten tegen het huns inziens overdreven belang dat werd gehecht aan Griekenland en Rome. Eén zo’n criticus was de Duitser Gustaf Kossinna (1858-1931), die meende dat de originaliteit van Griekenland en het oude Nabije Oosten systematisch werd overschat. Het werd tijd, vond hij, om de noordelijke volken de plaats te geven die ze verdienden. Daarom stichtte hij in 1909 te Berlijn het Deutsches Institut für Vor- und Frühgeschichte, dat niet veel later werd omgedoopt tot Institut für Deutsche Vor- und Frühgeschichte. Al voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren in Frankrijk en Engeland vergelijkbare instituten voor de nationale archeologie opgericht.

Lees verder “Gustaf Kossinna (1)”

Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?

Romeinse soldaten bespotten Jezus (Catacomben van Praetextatus, Rome; tweede eeuw)

De allereerste zin van een artikel dient om de aandacht te trekken. De auteur mag het even scherp zeggen; de nuances komen verderop wel. Maar dan moet de auteur die nuances wel tonen. En het is ook fijn als de eerste zin niet zó overdreven is dat de lezer meteen afhaakt. Dit gaat verkeerd in Marije van Beeks artikel “De ongeloofwaardige witheid van Jezus”, onlangs in Trouw.

Op de eerste afbeeldingen die van Jezus gemaakt zijn, in de eerste eeuw, is hij een witte man.

Dit is klinkklare onzin. Het probleem is niet alleen de datering. Het gaat ook om de verkeerde typering van de eerste afbeeldingen. Als we afzien van de Palatijnse spotcrucifex, waarop een gekruisigde ezel is te zien die misschien wel en misschien niet een afbeelding is van de executie van de messias, is de beroemdste Jood aller tijden aanvankelijk gewoon afgebeeld geweest zoals alle ingezetenen van het Romeinse Rijk. Ietwat gebruind, zeker niet als een moderne Noordwest-Europeaan.

Lees verder “Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?”

Heart of Darkness

Een transportschip zoals beschreven in Conrads Heart of Darkness (Afrikamuseum, Tervuren)

Ik las Heart of Darkness, de vermoedelijk beroemdste roman van Joseph Conrad, op het verkeerde moment. De dingen liepen in mijn leven niet zoals ze moesten en de afleiding die werk kan bieden was tijdelijk afwezig omdat ik redelijk goed bij kas zat en niet hoefde te werken. Ik kon me ongeremd storten in een depressie. En juist toen kreeg ik Heart of Darkness in handen.

Heart of Darkness, verschenen in 1898, biedt een verhaal in een verhaal. Terwijl een schip wacht tot het de Theems op kan varen, vertelt een van de opvarenden, Marlow, dat de rivier hem doet denken aan een rivier in Afrika. En zoals de Romeinen ooit de barbaren opstootten in de vaart der volken, zo gebeurt dat nu in Afrika. En dat, zo zegt Marlow, is geen prettige aanblik.

Lees verder “Heart of Darkness”

Identiteitspolitiek

Ik weet niet zo zeker of dit wel onschuldig is.

Het was zo maar een bericht van de soort waarvan je er elke dag tientallen ziet. Berichten die je, murw gebeukt door de aanhoudende stroom slecht nieuws, eigenlijk niet langer leest. Maar het gebeurt echt: Rusland wil de Jehovah’s Getuigen plaatsen op een lijst van gevaarlijke extremistische organisaties. Lees die zin nog even rustig en bedenk wat u over Jehovah’s Getuigen weet. Inderdaad: ze zijn nogal pacifistisch. U weet wel, tijdens de Eerste Wereldoorlog schoten ze in de lucht, één wereldoorlog later kregen ze van de Duitse bezetter een enkeltje concentratiekamp en in het Nederland van de Koude Oorlog verkozen ruim 800 Getuigen gevangenisstraf boven militaire dienst.

Ik heb zo’n vermoeden dat de Russische autoriteiten, als we ze zouden vragen wat ze beweegt, zullen antwoorden dat dat pacifisme weleens schijn kan zijn. Dat is immers ook hoe bestuurders – in de voormalige Sovjet-Unie, in Europa, in de Verenigde Staten – spreken over de islam: elke moslim is verdacht en als hij zegt dat hij geen plannen heeft om op gewelddadige wijze het kalifaat in te stellen, dan moeten we er rekening mee houden dat dat slechts een rookgordijn is. Denk aan Trump die moslims wil verbieden Amerika binnen te reizen tot “we” hebben kunnen uitvogelen wat er met ze aan de hand is.

***

Er komen in de voorgenomen Russische christenvervolging drie dingen samen die op zich weinig hebben te maken met het christendom, maar die wereldwijd voorkomen en eigenlijk nogal verontrustend zijn.

Lees verder “Identiteitspolitiek”

Oude talen, modern nationalisme

le_type_aryen
“blond comme Hitler, mince comme Göring, grand comme Goebbels”

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn eerste jaar aan de universiteit. Het leek wel alsof de stof altijd ophield op het moment dat ze interessant werd. Ik heb mijn handboek oude geschiedenis, Een kennismaking met de oude wereld van de Blois en Van der Spek, er nog even op nageslagen, en daar stond het inderdaad weer: de auteurs gebruikten woorden als “Indo-Europees” en “Semitisch”

omdat het nu eenmaal gewoonte is volken in te delen en te benoemen op grond van hun taal. De Semitische talen vertonen onderling een sterke verwantschap en hetzelfde geldt voor de verschillende onderafdelingen van de Indo-Europese taalfamilie. … De termen Semitisch en Indo-Europees hebben weinig te maken met ras of natie.

En dat was dat. Terwijl “het is nu eenmaal zo” toch echt het moment is waarop een wetenschapper sceptisch wordt. De eerdere wetenschappers hebben immers een reden gehad volken in te delen op grond van hun taal. Dat kan een goede of een slechte reden zijn geweest, maar een wetenschapper wil weten of die klopt vóór hij dat overneemt. Wie “het is nu eenmaal zo” schrijft, hoort – ietwat gechargeerd gezegd – niet thuis aan een universiteit.

Lees verder “Oude talen, modern nationalisme”

Communistische archeologie (3)

Een recent overzicht van de Neolithische Revolutie. In de eeuwen tussen 10.000 en 7800 v.Chr. (het Pre-Pottery Neolithic A en B) werd op vijf plekken tegelijk de landbouw ontdekt. Uit: S. Riehl e.a., "Emergence of Agriculture in the Foothills of the Zagros Mountains of Iran", in Science Magazine Vol. 341 (2013), Issue 6141, pp. 65-67.
Een recent overzicht van de Neolithische Revolutie. In de eeuwen tussen 10.000 en 7800 v.Chr. (het Pre-Pottery Neolithic A en B) werd op vijf plekken tegelijk de landbouw ontdekt. Uit: S. Riehl e.a., “Emergence of Agriculture in the Foothills of the Zagros Mountains of Iran“, in Science, Vol. 341 (2013), Issue 6141, pp. 65-67.

Ik blogde eergisteren over de communistische archeologie, waarvan ik vertelde dat die een verklaring zocht voor de “spreadsheet” van regio’s en archeologische culturen die was opgesteld door Oscar Montelius. Liberalen namen als “motor” achter de vooruitgang aan dat individuen uitvindingen deden die zich daarna door imitatie verspreidden. Dat heet diffusie en meestal ontwaarde men een beweging van oost naar west. De racisten geloofden dat culturele innovaties zich verspreidden door migratie en zagen liever een beweging vanaf de Noordduitse Laagvlakte naar de rest van de wereld.

De communisten meenden dat dezelfde uitvinding verschillende keren kon worden gedaan, mits de productiemiddelen en -verhoudingen vergelijkbaar waren. Ik illustreerde dit aan de hand van de megalithische monumenten. Een ander voorbeeld is het goed-marxistische idee dat de vooruitgang geen gestaag proces is, maar plaatsvindt door middel van revoluties.

Lees verder “Communistische archeologie (3)”

Communistische archeologie (2)

Een deel van Childe's "spreadsheet" van antieke culturen. Anders dan je van een archeoloog zou verwachten, is het jongste onder en het oudste boven.
Een deel van Childe’s “spreadsheet” van antieke culturen. Anders dan je van een archeoloog zou verwachten, is het jongste onder en het oudste boven.

Ik blogde eergisteren over de communistische archeologie, waarvan ik vertelde dat die overeenkomsten had met de wijze waarop liberalen keken naar het vak. Beide politieke stromingen delen immers een in wezen optimistisch toekomstbeeld en de grote wetenschappelijke winst van de negentiende eeuw is geweest dat de archeologen een empirische basis legden onder het achttiende-eeuwse vermoeden dat er in de geschiedenis vooruitgang was geweest.

Centraal daarbij stond het type archeologie dat Oscar Montelius had ontworpen, waarin het verleden in feite een grote spreadsheet was van regio’s en archeologische culturen. Wie er chronologisch doorheen ging, zag een zekere vooruitgang, maar verder was het eigenlijk een soort geschiedenis-met-andere-middelen, waarin de antieke beschavingen de plaats hadden overgenomen van koninkrijken die ontstonden, bloeiden en instortten. Dit was toch wat onbevredigend. Je wil méér. Je wil weten wat de motor achter de vooruitgang is. Al was het maar om die motor te stimuleren voor, om het eens negentiende-eeuws te verwoorden, the future improvement of society.

Lees verder “Communistische archeologie (2)”