Velleius Paterculus (2)

Republikeinse officier (Louvre)
Republikeinse officier (Louvre)

[Deze week recycle ik de inleiding die ik in 2012 schreef voor Vincent Huninks vertaling van de Geschiedenis van Rome van de Romeinse auteur Velleius Paterculus. De Nederlandse titel is Van Troje tot Tiberius en het e-boek is nog leverbaar. Het eerste deel is hier. Vandaag: Velleius’ verleden.]

Toen de angst voor Karthago was weggenomen en de concurrent om de macht was verdwenen, verliet men het pad van de deugd en ging men over tot het tegendeel, en dat niet stap voor stap maar halsoverkop. De oude levensstijl werd opgegeven en verruild voor een nieuwe.

Zo begint Velleius het tweede deel van De geschiedenis van Rome. Anders dan antieke historici, die halve moralisten waren, onthouden moderne oudhistorici zich zoveel mogelijk van waardeoordelen. Toch zien ook zij in de tijd waarin Karthago werd verwoest, het midden van de tweede eeuw v.Chr., een verandering in de Romeinse samenleving. In de voorgaande vijftig jaren was de Senaat terughoudend geweest met buitenlandse veroveringen, maar nu ineens veranderde het beleid: in 148 werd Macedonië geannexeerd en twee jaar later volgden Griekenland en het huidige Tunesië. Door steden als Korinthe en Karthago met de grond gelijk te maken, werd de wereld getoond wie er de baas was.

Het Imperium Romanum werd 75% groter, de bevolking verdubbelde en het openbaar bestuur werd onmetelijk complexer. De Romeinse soldaten, meestal dienstplichtige boeren, gingen steeds langer en steeds verder van huis, waardoor ze zich nauwelijks meer verbonden voelden met Italië en minder tijd doorbrachten op hun boerderijen dan wenselijk was. Niet zelden verkochten ze uiteindelijk hun land om opnieuw bij te tekenen voor een profijtelijke campagne. Het Italiaanse platteland, ooit gedomineerd door tienduizenden kleine boerderijen, bestond steeds meer uit grote plantages, waar slaven het werk deden. Dit konden krijgsgevangenen zijn, maar menig grootgrondbezitter nam zijn personeel over van zeerovers. De piraterij bloeide.

Tegelijkertijd verloren de Romeinse bestuurders gezag: deels doordat ze steunden op Volksvergaderingen die een steeds kleiner deel van de totale bevolking vertegenwoordigden, deels doordat generaals een band ontwikkelden met de legers waarmee ze soms jaren van huis waren en zich onafhankelijker gingen gedragen. Zo veroorzaakte de Romeinse expansie serieuze problemen, die op hun beurt een lange reeks conflicten veroorzaakten: de materie die Velleius behandelt.

De bestuurders waren zich bewust van de problemen, maar wisten niet in welke richting ze het staatsapparaat moesten hervormen. Onze historicus noemt de akkerwetten van Tiberius Gracchus, die de Italiaanse boerenstand wilde ondersteunen, en het optreden van diens broer Gaius, die verdeeldheid zaaide tussen de bestuurlijke en financiële elites van het Rijk om ongestoord te kunnen werken aan volksplantingen buiten Italië en de ondersteuning van de boerenstand. Andere politici streefden naar herstel van de oude normen en waarden. Velleius, die sympathie voelt voor deze opvatting, vermeldt met kennelijke instemming enkele exemplarische vonnissen.

De moeilijkheden werden nog verergerd doordat er twee wegen waren naar legitimiteit: zowel de Senaat, gedomineerd door ervaren bestuurders, als de Volksvergadering, waar de middenklassen het voor het zeggen hadden, konden een voorstel kracht van wet geven. Velleius duidt degenen die de eerste weg kozen aan als “optimaten”. Degenen die de route via de Volksvergadering namen staan bekend als “populares”. Wie voor deze tactiek koos was genoodzaakt voorstellen te doen ten gunste van de boerenstand en het stedelijk proletariaat, zoals een optimaat van tijd tot tijd zuchtend gewag moest maken van het toenemend verval der zeden.

De eerste die van het machtsvacuüm profiteerde was Marius. De Volksvergadering verleende hem het consulaat in de jaren 107 en 104-100, in de hoop dat hij enkele Germaanse stammen zou bedwingen. Dat deed hij inderdaad, maar doordat hij in acht jaar zesmaal het hoogste ambt in Rome bekleedde, kwam een einde aan de eerbiedwaardige traditie dat ambten onder de senatoren rouleerden. Dit vergrootte de toch al aanzienlijke politieke verwarring, die Velleius illustreert met het verhaal van Marcus Livius Drusus, waaruit blijkt dat inmiddels elke logica zoek was.

Nieuwe problemen dienden zich aan. Het imperium kende twee soorten ingezetenen: mensen met en zonder Romeins burgerrecht. Leden van de eerste groep hadden passief en actief kiesrecht, konden legers aanvoeren en mochten vechten in de legioenen, terwijl leden van de tweede groep alleen kiesrecht hadden in hun eigen steden en moesten meevechten in de hulptroepen. Hoewel dat laatste lucratief was, waren zij toch tweederangsburgers die, toen een voorstel hun tot burgers te maken het niet haalde, tot opstand besloten. In deze Bondgenotenoorlog wist Rome zijn tegenstanders te verdelen door het burgerrecht toe te kennen aan respectabele bondgenoten die loyaal waren gebleven – Velleius’ overgrootvader profiteerde ervan – en anderen gewapenderhand te bedwingen, terwijl uiteindelijk iedereen die de wapens neerlegde het burgerrecht kreeg toegezegd.

De Bondgenotenoorlog had de politieke spanningen opgeschort, niet beëindigd. Toen oorlog uitbrak tegen koning Mithridates van Pontus (noordelijk Turkije), werd generaal Sulla eropaf gezonden, maar hij was nog niet koud vertrokken of het commando werd aan Marius overgedragen. Sulla benutte nu zijn leger om op Rome te marcheren: het begin van de Eerste Burgeroorlog. De soldaten, die allang niet meer trouw waren aan de Senaat en alleen nog loyaal waren aan hun generaal, vonden het wel best, en de Senaat had maar te berusten in Sulla’s benoeming tot dictator. Dit was een magistraat die zes maanden lang absolute bevoegdheden had – de negatieve bijklank die het woord nu heeft is ontstaan door Sulla’s onconstitutioneel lange en extreem bloedige gebruik van de functie.

Toen hij de macht eenmaal had gekregen, nam hij namelijk maatregelen die zo hard waren als men zou verwachten na een burgeroorlog: talloze leden van de oppositie werden over de kling gejaagd en hun bezittingen vervielen aan Sulla’s aanhangers. Tegelijk probeerde hij het staatsbestel structureel te hervormen: alle macht kwam aan de Senaat en de populares leken definitief verslagen. Na zijn dood in 78 zette zijn kolonel Pompeius het beleid voort. Velleius:

Hij was nagenoeg geheel vrij van fouten, tenzij men hem het volgende als een ernstige fout aanrekent: hij leefde in een vrije staat die de dominante factor in de wereld was en alle burgers waren rechtens zijn gelijken, maar hij kon het niet verdragen als hij zag dat iemand in even hoog aanzien stond als hij.

Daarmee slaat onze auteur de spijker op de kop: Pompeius wilde de eerste zijn in de staat. Het is echter alsof Velleius niet ziet dat álle politieke leiders – Marius, Sulla, Pompeius, Caesar, Marcus Antonius, Octavianus – deze opvatting deelden, en dat deze mentaliteit een obstakel was bij de zoektocht naar een uitweg uit de impasse. Steeds zouden invloedrijke politici hun reputatie laten prevaleren boven het algemeen belang. De enige manier om tot hervorming te komen, was als één van de leiders alle andere zou uitschakelen, een monarchie zou stichten en, als zijn reputatie eenmaal onaantastbaar was, de staat zou saneren.

Niet dat Pompeius geen maatregelen nam. Integendeel, hij was een van de creatiefste politici uit deze tijd. Na enkele buitenlandse oorlogen, die hem de reputatie opleverden een goede generaal te zijn, nam hij enkele bestuurlijke maatregelen, waarmee hij de scherpe kanten van Sulla’s systeem afvijlde. Zo herstelde hij voor politici de mogelijkheid zich te presenteren als popularis. De Volksvergadering gaf hem niet veel later, in 67, het oppercommando tegen de piraten. Dat Pompeius het aannam, bewijst dat hij bereid was de senatoren, die de slaven voor hun plantages kochten van deze piraten, te passeren als dit in het belang was van de gemeenschap (en van zijn loopbaan). Velleius wijst erop dat Pompeius “in alle provincies verregaande bevoegdheden kreeg, het equivalent van die van proconsuls, tot op 50 mijl landinwaarts”. Dat schiep theoretisch het probleem dat provinciegouverneurs, die eveneens proconsulaire bevoegdheden hadden, hem konden tegenwerken, maar in de praktijk wist iedereen dat Pompeius’ gelijke rechten hoger waren dan de gelijke rechten van andere bestuurders. Later zou dit imperium maius heten, “een groter machtsbereik”.

Velleius noemt ook andere staatsrechtelijke innovaties. Zo liet Pompeius, toen hij gouverneur van de Spaanse provincies was, het bestuur over aan onderbevelhebbers. Dat stelde hem in staat zowel actief te zijn in de Romeinse politiek als een leger te commanderen. Een andere maatregel was het instellen van een groot rechtscollege dat een einde moest maken aan electorale misstanden. Niet minder vernieuwend was dat hij in 52 “consul zonder collega” was. Ooit hadden de Romeinen besloten de hoogste magistratuur op te dragen aan twee mannen, met de bedoeling dat die elkaar zouden controleren. Het nadeel was dat ze elkaar ook in de wielen konden rijden: De geschiedenis van Rome bevat het voorbeeld van Julius Caesar en zijn collega Bibulus in 59. In feite was Pompeius’ ongecontroleerde consulaat, gecombineerd met het bevel over een leger, weinig anders dan Sulla’s dictatuur, maar Pompeius verborg het achter een constitutionele façade.

De grootste politieke doorbraak waarbij Pompeius betrokken was, was echter volkomen onconstitutioneel: het machtsverbond dat hij sloot met de schatrijke Crassus en de razend populaire Julius Caesar, het Eerste Driemanschap. Velleius typeert het als een ramp voor zowel de wereld als de betrokkenen, en inderdaad: het kwam erop neer dat de drie machtigste burgers van Rome besloten elkaar te steunen, en zo de normale werking – voor zover daarvan nog sprake was – van het staatsapparaat te saboteren. Een staatsgreep.

Geen van drieën stierf een natuurlijke dood. Crassus liet zich het commando toewijzen in een oorlog tegen het Parthische Rijk (in het huidige Irak en Iran) en hoewel hij rekening hield met de vijandelijke bereden boogschutters, onderschatte hij hun logistieke dienst: doordat ze aanhoudend werden bevoorraad, konden de Parthische ruiters de legionairs aan de rivier de Balikh bedelven onder honderdduizenden pijlen. De Romeinen waren op hun eigen sterke punt overtroffen en Velleius beschouwde deze slag bij Carrhae als de grootste nederlaag uit de Romeinse geschiedenis.

Tussen Pompeius en Caesar, die inmiddels Gallië had veroverd, brak nu de Tweede Burgeroorlog uit, een conflict dat volgens Velleius werd veroorzaakt door de machinaties van sinistere intriganten. Wie er meer over wil weten, schrijft hij, moet het maar opzoeken bij andere auteurs: een handige manier om zijn vingers niet te branden aan een antwoord op de schuldvraag. Zijn beeldspraak dat met de nederlaag van Pompeius het Romeinse Rijk één van beide ogen verloor, en ook enkele andere opmerkingen, suggereren echter dat onze geleerde, wiens grootvader aan de zijde van Pompeius had meegevochten, zo zijn eigen gedachten had over de overwinning van Caesar.

De Romeinse wereld had nu tot rust kunnen komen. Nu er immers één, onbedreigde leider was, kon Caesar de staat saneren. Hij nam ook maatregelen, maar Velleius negeert ze. Zelfs de kalenderhervorming, die hij met zijn belangstelling voor historische chronologie interessant moet hebben gevonden, vermeldt hij niet. Hij noemt alleen de vergiffenis die Caesar zijn tegenstanders schonk. Ook vermeldt hij dat de de facto alleenheerser, toen hem een koninklijke diadeem werd aangeboden, het voorwerp afwees, “maar zonder de indruk te maken dat hij beledigd was”.

Velleius hoefde zijn tijdgenoten niet uit te leggen waarom dit incident belangrijk was: Caesar faalde erin zijn alleenheerschappij aanvaardbaar maken. Hij had zich tot dictator laten benoemen, maar sinds Sulla was dat een besmette magistratuur. Het enige alternatief dat Caesar wist te bedenken was het koningschap, iets wat elke rechtgeaarde Romein een gruwel was. Het zal niemand hebben verbaasd dat de dictator in 44 uit de weg werd geruimd door een grote groep senatoren, waarvan Brutus en Cassius de bekendste zijn.

Caesars rechterhand Marcus Antonius wist de macht te behouden voor de aanhangers van de vermoorde dictator. De moordenaars werden weggepromoveerd naar verre provincies – Velleius’ grootvader lijkt Brutus te zijn gevolgd naar Kreta – en veel sleutelposities kwamen in handen van solide Caesarianen. Het leek erop dat door de tirannenmoord alleen de persoon van de alleenheerser was veranderd, maar er was voor de senatoren nog hoop op herstel van de republiek: Caesars achterneef en adoptiefzoon Gaius Octavius. Deze had Caesars naam geërfd, een naam met een zó magische klank dat hij er de veteranen van Caesar Senior mee aan zijn zijde had weten te krijgen. (Velleius vermeldt ergens dat Caesar Junior er zelfs vijandelijke soldaten mee wist te verleiden.) Gemakshalve noemen oudhistorici de jongeman Octavianus, een gebruik dat teruggaat op een vergissing die al in de Oudheid werd gemaakt en dat te praktisch is om van af te zien, hoewel de nieuwe Caesar zich vanzelfsprekend alleen met zijn gelukbrengende naam liet aanspreken en zich nooit Octavianus heeft genoemd.

De senatoren meenden via Octavianus een leger te verwerven om Marcus Antonius uit Italië te verdrijven. Dat bleek te kloppen, maar Octavianus marcheerde na gedane arbeid op Rome en schakelde de Senaat voorgoed uit. Velleius weet de verwarde situatie in Italië en Gallië mooi te evoceren door te wijzen op de ingewikkelde loyaliteiten van de senatoren. Het zal nog verwarrender zijn geworden toen ze vernamen dat Marcus Antonius en Octavianus zich na bemiddeling door Lepidus, de gouverneur van een van de Spaanse provincies, hadden verzoend. Een lamgeslagen Senaat accepteerde dat dit Tweede Driemanschap de republiek zou hervormen, maar begreep heel goed dat de drie generaals in feite de macht zouden behouden voor de partij van Caesar. Over de nu onvermijdelijke moord op de laatste republikeinen in Italië merkt Velleius op dat zonen hun vaders verrieden, en hij weet waarover hij het heeft: terwijl zijn grootvader in het leger van Brutus trouw bleef aan de republiek, koos zijn oom Capito partij voor Octavianus. De politieke scheidslijnen liepen dwars door de Italiaanse families.

En weer volgde een burgeroorlog: Brutus en Cassius hadden van de chaos in Italië gebruik gemaakt om legers op te bouwen, maar werden door Octavianus en Marcus Antonius in 42 verslagen bij Philippi in Macedonië. Marcus Antonius vertrok nu naar het oosten, waar hij met wisselend succes tegen de Parthen streed; Octavianus onderdrukte in Campanië de opstand van onder andere Tiberius Claudius Nero, die (althans volgens Velleius) opkwam voor mensen van wie Octavianus de boerderijen had geconfisqueerd ten behoeve van zijn veteranen. Onder de rebellen was grootvader Velleius, die na Nero’s nederlaag zelfmoord pleegde.

Nog was het einde van de oorlogen niet in zicht. Octavianus versloeg een laatste groep republikeinen op Sicilië, schakelde en passant Lepidus uit en versterkte vervolgens de Romeinse greep op Dalmatië, waarmee hij zich een gunstige uitgangspositie verschafte voor de onvermijdelijke laatste burgeroorlog: die tegen Marcus Antonius, die in 31 in de zeeslag bij Actium werd verslagen. Omdat deze laatste steun had ontvangen van de Egyptische koningin Kleopatra, kon Octavianus zijn zege presenteren als een overwinning op een buitenlandse vijand, wat hem het excuus gaf het schatrijke koninkrijk aan de Nijl ook maar in te lijven.

Voor de tweede keer was er één onbedreigde leider die de staat zou kunnen saneren. Octavianus was jong genoeg om de macht nog ruim veertig jaar te behouden: voldoende om de mensen aan de monarchie te doen wennen en te laten vergeten met welk cynisme hij de alleenheerschappij had verworven. Als heerser vermeed hij omstreden titels als dictator en koning; in plaats daarvan respecteerde hij de republikeinse façade en volstond hij, zoals Pompeius vóór hem, met combinaties van legale ambten. Hij liet zich dus kiezen tot gouverneur van alle provincies waar troepen lagen en bestuurde die via onderbevelhebbers; conflicten met andere gouverneurs werden vermeden door imperium maius; hij was enkele jaren consul, maar nam later genoegen met alleen de consulaire bevoegdheden, die hij combineerde met de persoonlijke onschendbaarheid van een volkstribuun. Het hele pakket was vanaf 27 bekroond met een nieuwe naam vol symboliek: Augustus, een half-religieuze uitdrukking die zoiets wil zeggen als “de verhevene”.

[Tot zover Velleius’ verleden. Morgen vervolg ik met zijn heden.]

Een gedachte over “Velleius Paterculus (2)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s