Maand van de Bijbel

Mozes (Gevelsteen, Mozeskerk, Amsterdam)

Ik weet niet waar de mode vandaan komt om denkers, dichters, boeren en buitenlui des vaderlands aan te stellen, maar we blijken een theoloog des vaderlands te hebben. Een soort ambassadeur dus die de bestudering van systemen van wereldbeschouwing – zoals het cliché wil – op de kaart moet helpen zetten. De theoloog des vaderlands heet Samuel Lee en gaf onlangs een interview aan De Volkskrant omdat vandaag de Maand van de Bijbel begint.

U zult aan de openingszin al wel gemerkt hebben dat ik moeite heb met mensen des vaderlands en de trouwe lezers van deze blog weten dat ik ook niet blij word van maanden des dinges. Vaak is de geboden informatie vooral aandachttrekkerij en dient ze niet de werkelijke verspreiding van inzicht. De doublure van een Romeinenweek naast de Week van de Klassieken moge dit illustreren. Die schreeuwerigheid lijkt dit keer echter te ontbreken en bovendien: afgezien van een uitglijder over Moeder Teresa zegt Lee een paar interessante dingen.

Lees verder “Maand van de Bijbel”

Augustinus’ perenboom

Een van de bekendste verhalen uit AugustinusBelijdenissen is een jeugdherinnering aan de diefstal van wat peren. Samengevat komt het erop neer dat de toekomstige bisschop van Hippo vertelt hoe hij met de opgeschoten jeugd van Thagaste (het huidige Souk Ahras, waar ik vandaag hoop aan te komen) aan het spelen was toen ze naast de wijngaard van Augustinus’ familie een boom zagen vol rijpe peren. De jongens vonden de vruchten er niet bijster smakelijk uitzien maar besloten ze toch te gappen.

Zo gezegd, zo gedaan, maar de peren smaakten zo beroerd als ze eruit zagen, dus voerden ze die maar aan de varkens. “We deden het alleen omdat we zin hadden iets te doen dat verboden was”, schrijft Augustinus, die vervolgens een jammerklacht aanheft waarin allerlei Bijbelpassages doorklinken. Die vorm is minder vreemd dan het lijkt – de man dacht nu eenmaal in Bijbeltermen en de ene allusie riep de volgende op. Wie de Belijdenissen leest, went er wel aan. Wat ik echter vreemd vind, is dat Augustinus vele jaren na de gebeurtenissen, toen hij al midden veertig was, er nog steeds oprecht ontdaan door lijkt te zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit over de diefstal van sesamkoekjes op winkelcentrum Anklaar in Apeldoorn zal schrijven dat het schandelijk was, dat ik ervan hield, dat ik hield van ten gronde gaan, dat ik mijn ondergang beminde. Augustinus heeft voor zulk exuberant rouwbeklag genoeg aan een perelaar.

Lees verder “Augustinus’ perenboom”

Semiramis

Een Assyrische koningin (Pergamonmuseum, Berlijn)

Eutropius, wiens door Vincent Hunink vertaalde Korte geschiedenis van Rome onlangs in de winkel is gekomen (full disclosure: ik schreef de inleiding), vermeldt ergens een keizerin Symiasera, waarmee hij Julia Soeamias bedoelt, een uit Syrië afkomstige heerseres. Ik denk dat de rare schrijfwijze geen toeval is. Eutropius wil een herinnering oproepen aan de legendarische oosterse heerseres Semiramis, een van de grote verzinsels uit de Oudheid.

De naam

Toegegeven, de náám Semiramis heeft bestaan. De echtgenote van de Assyrische koning Šamši-Adad V (r.824-811 v.Chr.) heette Šammuramat ofwel Semiramis. Toen haar man was overleden, was ze gedurende drie (misschien vijf) jaar regent voor haar nog minderjarige zoon Adad-Nirari III. De Assyrische legers voerden in deze jaren oorlog tegen de Meden in het oosten en tegen de stad Arpad in het westen. Business as usual dus, zij het dat de commandant een vrouw was of een door haar aangewezen generaal. Veel meer weten we niet over deze koningin, behalve dan dat ze in 787 v.Chr. nog in leven was.

Lees verder “Semiramis”

Het scheiden der wegen

Allegorie van de Wet en Genade (Schnütgenmuseum, Keulen)

Waarom zijn joden en christenen gescheiden wegen gegaan? Het bovenstaande glas-in-lood-raam, daterend uit de zestiende eeuw en te zien in het Schnütgen-museum in Keulen, helpt het doorgronden. Het documenteert het oude antwoord, dat ik zal proberen af te zetten tegen het nieuwe. Links ziet u hoe Adam en Eva eten van de verboden vrucht, vooraan ziet u hoe Adam, als symbool voor de gehele mensheid, de keuze krijgt tussen twee wegen: links de weg van de joodse hogepriester, die wordt gesymboliseerd door de Wet van Mozes (helemaal achteraan), en rechts de weg die wordt aangegeven door Johannes de Doper, wijzend naar het Lam (Christus). Een lijk links en de wederopstanding rechts maken duidelijk welke weg de betere is. Volgens de glazenier natuurlijk.

In zijn visie sloot God tweemaal een verbond met de mensheid. Eerst deed Hij dat door de mensen via Mozes de Wet te geven. Als de Joden zich daar maar aan hielden, lag de wereld die zou komen binnen hun bereik. Het leidde – nogmaals: ik geef een zestiende-eeuwse mening weer – tot een godsdienst waarin mensen zich onzeker voelden van hun redding, nerveus probeerden zich zo nauwgezet mogelijk aan de regels te houden en uiteindelijk allemaal nieuwe regels erbij verzonnen, die zijn vastgelegd in de Mishna en de Talmoed.

Lees verder “Het scheiden der wegen”

De historiciteit van koning David

De Mesha-stele (Louvre, Parijs)

Een van de grote oudheidkundige problemen is dat van het asymmetrische bewijs. Wat doe je als de geschreven bronnen iets anders suggereren dan het bodemarchief? Er zijn twee strategieën. De maximalist gaat ervan uit dat de bron betrouwbaar is, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De Medische hoofdstad Ekbatana was een stad met zeven muren, tenzij we de stad opgraven en constateren dat er maar één muur was. Julius Caesar moordde een stam uit bij de samenvloeiing van Rijn en Maas, tenzij we de resten van opgemeld bloedbad op een ander punt opgraven.

De omgekeerde positie staat bekend als minimalisme. De geschreven bron geldt als fictie, tenzij we archeologisch bewijs vinden dat haar bevestigt. Het zevenmurig Ekbatana is een sprookjesmotief, tenzij we zeven muren opgraven. Caesar moordde geen stam uit, tenzij we het slagveld op de juiste plek vinden.

Beide posities zijn onhoudbaar omdat we te weinig data hebben. We weten niet waar Ekbatana in de IJzertijd heeft gelegen – wat is opgegraven, is veel jonger – en als we op de samenvloeiing van Waal en Maas enorme hoeveelheden botmateriaal vinden uit de eerste eeuw v.Chr., zouden we ook het kamp van Caesar willen vinden plus, als het even kan, een slingerkogel met het nummer van een van de relevante legioenen. Door de genoemde dataschaarste is de discussie over deze twee strategieën lastig én uitdagend. Het zou het beste uit de wetenschap boven kunnen halen maar het maximalismedebat is in de Nederlandse oudheidkunde te ruste gelegd. Als archeologen écht in discussie moeten met historici en andersom, is er in de Nederlandse wetenschap ineens weinig waarheidsliefde. Er is weinig wil tot weten. De ambitie om je eigen vak te overtreffen, is afwezig. Gelukkig hebben we Israël.

Lees verder “De historiciteit van koning David”

MoM | Vertalen is moeilijk

Dit zijn dromedarissen en geen kamelen

Een dromedaris heeft één bult en een kameel heeft er twee. Hun Amerikaanse neefje lama heeft er geen. Een kameel komt uit Centraal-Azië, waar de winters koud zijn, en heeft daarom lange haren, dikke vetlagen en zo kort mogelijke poten. Zo bewaart ’ie zijn lichaamswarmte. De dromedaris woont daarentegen in het Nabije Oosten, waar het loeiheet is en daarom heeft het beest korte haren, lange poten en dunne vetlagen. Wat ik maar zeggen wil: het zijn verschillende dieren, levend in tegengestelde ecologische niches.

Het Nederlands maakt onderscheid. We hebben dat ontleend aan de Grieken, die de eenbulter in de zesde eeuw v.Chr. leerden kennen en begrepen dat de dromedarios, “renner”, een snelle loper was. De tweebulter leerden ze ruim twee eeuwen later kennen en daarvoor gebruikten ze kamelos, een Semitisch leenwoord dat voortleeft in het Arabische jamal. De Engelsen, de koloniale macht die ooit heerste over een half dozijn Arabische landen, heeft dit woord eveneens geleend: camel kan zowel slaan op een kameel als op een dromedaris. Zie daar de verklaring voor de dromedaris op het pakje Camel-sigaretten waar u als kind zo verbaasd over was.

Lees verder “MoM | Vertalen is moeilijk”

Eerste-eeuwse Marcus

Een mummie-kartonnage (Archeologisch Museum, Zagreb)

Ik had nooit verwacht dat ik veel over papyrologie zou gaan bloggen, en ik had voor vandaag ook een heel ander artikel in gedachten, maar er zijn verwikkelingen in papyrologieland die er niet om liegen.

Eén: even wat eerstejaarsstof. Een papyrus is, zolang je antiek materiaal koopt op eBay en het recept gebruikt van antieke inkt, en zolang je het juiste schrijfmateriaal hanteert, zó te vervalsen dat het in een laboratorium niet valt te ontdekken. Een papyrus waarvan de herkomst onbekend is – die geen geldige provenance heeft, in jargon – kan dus niet dienen als wetenschappelijk bewijs omdat het kan gaan om een vervalsing (zie bijv. het Evangelie van de Vrouw van Jezus, de Artemidorospapyrus of de vijf Dode-Zee-rol-snippers van oktober j.l.). Onderzoekers hoeven gelukkig ook niets met unprovenanced papyri te doen aangezien er nog eeuwen werk is met het uitgegeven van de wel provenanced papyri in de museumdepots.

Lees verder “Eerste-eeuwse Marcus”