Van alle antieke godheden is Hathor een van de bekendere. De kunstenaars van Egypte en Nubië, waar de cultus begon, beeldden haar regelmatig af als koe, vaak ook als een vrouw met een koeienkop, en ook wel als een volledig mens met op haar hoofd een zonneschijf, ingeklemd tussen koeienhoorns.
Het waren allemaal aardse weergaven van Hathor, die onder meer werd vereerd als de hemelkoe. In het antieke wereldbeeld rustte de hemel op vier pilaren, die men in Egypte beschouwde als koeienpoten. De zon, maan en sterren voeren over Hathors buik. De hemelheerseres hield zo het universum bijeen en observeerde het. Ze was tevens de moeder die de schepping voedde. Dit maakte haar tot beschermgodin van alle leven, liefde en vruchtbaarheid.
Joods verzoekschrift betreffende de restauratie van de tempel in Elefantine, gericht aan gouverneur Bagoas (Neues Museum, Berlijn)
Eén van de voorbeelden van migratie die ik behandel in Wahibre-em-achet en andere Grieken is het garnizoen van Elefantine in het zuiden van Egypte. De farao’s van de Zesentwintigste Dynastie, die aan de macht was gekomen nadat de Assyriërs begin zevende eeuw v.Chr. de Nubische koningen hadden verdreven, plaatsten aan de nieuw-geschapen zuidgrens een garnizoen met soldaten uit Judea. Zoals in de Oudheid gebruikelijk was kregen de soldaten bij wijze van tegenprestatie een stuk land. Rond 525 v.Chr. veranderde het garnizoen zijn loyaliteit, toen de Perzen de macht in Egypte overnamen, wat eens te meer een aanwijzing vormt dat Egypte viel door verraad van zijn officieren. De inscriptie van admiraal Wedjahor-Resne, die wél vermeldt hoe hoog de Perzen hem waardeerden maar geen enkele zeeslag vermeldt, is een andere clue.
Terug naar de Joden in Elefantine: verschillende papyri en beschreven potscherven documenteren hun aanwezigheid, zoals de brief hierboven, die is te zien in het Neues Museum in Berlijn. Hij is gericht aan de Perzische gouverneur Bagoas en bevat een verzoek om hulp bij de restauratie van de tempel van Jaho, zoals de naam van de joodse god werd gespeld in het Aramees. Een andere beroemde joodse papyrus uit Elefantine beschrijft het pesach-feest van 419 v.Chr. Een van de aardige verrassingen was dat Jaho hier nog een echtgenote had, die hier Anat wordt genoemd. (In Judea werd Mevrouw God aangeduid als Asjera.) De joden van Elefantine zullen de nieuwerwetse regels van Deuteronomium, dat joden uitsluitend in de tempel van Jeruzalem mochten offeren en uitsluitend JHWH mochten vereren, schouderophalend naast zich neer hebben gelegd. Emigranten zijn immers wel vaker conservatiever dan de mensen in het moederland.
Stele met een verdrag tussen twee vazalvorsten van Assyrië (Archeologisch Museum van Antakya, Turkije)
De zwarte stenen stele hierboven is te zien in het Archeologisch Museum van Antiochië. Ze is ontdekt in wat nu een buitenwijk van die stad is. De stele is opgericht door de Assyrische koning Adad-Nirari III, die u moet plaatsen rond het jaar 800 v.Chr. Het monument diende om de grens aan te geven tussen het gebied van twee van zijn vazalvorsten, Ataršumki van Arpad en Zakkur van Hamath. De laatste lijkt wat land te hebben moeten afstaan in de vallei van de Orontes.
Dat de Assyrische koning bemiddelde, is niet zo vreemd, want hij was nu eenmaal de machtigste heerser van die tijd. Hij kon zich geloofwaardig garant stellen voor de naleving. Het is echter wél opvallend dat ook Aššur en andere goden uit Assyrië worden genoemd in wat een lokaal dispuut was. Blijkbaar ervoeren Ataršumki en Zakkur de macht van de Assyrische goden als reëel in Syrië.
Een asjera en twee Assyrische vereerders (Museum van Antakya)
Ik heb de afgelopen dagen enkele keren geschreven over de Assyrische expansie, een onderwerp dat ik niet had gepland en waar ik bij toeval inrolde. Het begon met een fresco van twee Assyrische hovelingen, dat documenteerde dat de Eufraatvoorde een belangrijke residentie was; daarna kwam de Kurkh-stele, waarin de Assyrische koning Salmanaser aangaf hoe hij een coalitie van stadstaten had verslagen en evenveel verborg als hij vertelde; daarna heb ik verteld over het tribuut van Tyrus en de crisis in het noordelijke joodse koninkrijk, Israël.
De Assyriërs waren niet dom. Rome is niet in één dag gebouwd en het oosterse wereldrijk is dat evenmin. Het zou te ver gaan om te zeggen dat de Assyriërs een langetermijnplanning hadden, maar ze wisten wat ze deden. Ze vroegen tribuut van de onderworpen stadstaten, en ze vroegen véél. De Fenicische stadstaten werden zo heftig afgeperst dat ze waren gedwongen hun koloniale netwerk, dat niet verder reikte dan Cyprus, uit te breiden naar Sicilië, Tunesië, Libië, Sardinië, Andalusië en Marokko.
Een asjera en twee Assyrische vereerders (Museum van Antakya)
Voilà, een nieuwe aflevering in onze inmiddels 76.243 delen tellende reeks “oudheidkundige prietpraat”. Het decor is opnieuw Israël en het gaat opnieuw over archeologie, maar in de zin dat het publiek wordt misleid had dit bericht kunnen slaan op elk ander oudheidkundig deelgebied. Hier is het bericht van de dag. Het gaat over Tel Motza, niet ver van Jeruzalem.
In december 2012 is daar een heiligdom ontdekt uit de Vroege IJzertijd. Mocht u het precies willen weten: het aardewerk behoort tot het IJzer I. Ik heb wel eens een complexe reeks blogstukjes gepost over de datering van dat aardewerk, waarover twee scholen bestaan. De meeste wetenschappers neigen ertoe het te dateren vóór 930 v.Chr., zodat de koningen David en Salomo moeten worden geplaatst aan het einde van deze tijd; andere onderzoekers plaatsen dit aardewerk vóór 980, wat wil zeggen dat deze vorsten in een nieuwe tijd leefden met IJzer IIa-aardewerk en grote, monumentale gebouwen. In Megiddo is inmiddels dateerbaar organisch materiaal gevonden dat zich ervoor leent deze discussie ten einde te brengen, maar dat blijft vooralsnog ongepubliceerd.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.