De belegering van Apameia

Bij de belegering van Apameia waren ook Arabische ruiters actief (Louvre, Parijs)

Als ik schrijf dat het was tegen het einde van het jaar waarin Caesar en Lepidus het consulaat bekleedden (december 46 v.Chr. dus), dan concludeert u dat u weer een blogje te lezen krijgt in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Maar het gaat vandaag niet over Caesar.

In een eerder stukje gaf ik aan dat Caesar de gouverneur van Cilicië, Quintus Cornificius, opdracht had gegeven de orde te herstellen in Syrië. Daar erkende Quintus Caecilius Bassus het gezag van Caesar niet. Hij had Caesars verwant Sextus Julius Caesar uit de weg laten ruimen en zelf de macht gegrepen. Bassus voorzag zichzelf van een officiële titel en verschanste zich in Apameia, waar hij beschikte over een goed verdedigbare citadel en geld. Daarmee begon hij een leger op te bouwen.

Lees verder “De belegering van Apameia”

Caesar in Obulco

Op weg naar Obulco stak Caesar de Guadalquivir over bij Andujár. De Romeinse brug is in deze vorm iets jonger dan de tijd van Caesar.

Het was begin december in het jaar waarin Julius Caesar en Lepidus het consulaat bekleedden, ofwel 46 v.Chr. Dit is dus een blogje in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Hij kwam op 2 december aan in Obulco, zo’n zestig kilometer ten oosten van Córdoba, in het stroomgebied van de Guadalquivir, en een eind in de richting van het door Gnaeus Pompeius Junior belegerde Ulia. Caesar moet de Guadalquivir zijn overgestoken bij Isturgi, het huidige Andujár. Anders dan op de heenreis vanuit Italië naar Saguntum, waarover ik al blogde, deed Caesar het niet rustig aan: in tien of elf dagen legde zijn leger 450 kilometer af. Dat is bijna dubbel zo snel als een antiek leger normaal gesproken oprukte.

Lees verder “Caesar in Obulco”

Romeins Lycië

Het theater van Patara

[Dit is het laatste van vijf blogjes over Lycië; het eerste was hier.]

Na 168 v.Chr. was Lycië (landkaart) weliswaar onafhankelijk, maar het behoorde wel tot de Romeinse invloedssfeer. Echt onafhankelijk was het niet. Het kreeg te lijden tijdens de Eerste Mithridische Oorlog (89-85), toen koning Mithridates VI van Pontos alle Romeinse bezittingen in Klein-Azië aanviel. Toen de oorlog voorbij was, reorganiseerde Rome de politieke landkaart.  Diverse steden in het binnenland, zoals Oinoanda, hoorden voortaan bij Lycië. Faselis werd weliswaar nog een tijdje bezet door de Cilicische Piraten, maar die vormden geen partij voor de Romeinse generaal Pompeius de Grote, die in 67 v.Chr. het Nabije Oosten opnieuw reorganiseerde.

Een paar jaar later bezocht de Romeinse politicus Cicero Lycië en beschreef het gebied als een “Griekenland”. Dit suggereert dat de bovengenoemde fantastische verhalen inmiddels algemeen werden beschouwd als nauwkeurige beschrijvingen van de begindagen. De Romeinse politicus merkte ook op dat de Lyciërs, als ze aan het einde van hun toespraken zijn, dichtbij het zingen komen.noot Cicero, Orator 18.57.

Lees verder “Romeins Lycië”

Quintus Ligarius

Zomaar een Romein, dus niet per se Quintus Ligarius (Capitolijnse Musea, Rome)

Ik introduceer mijn stukjes over de laatste jaren van Julius Caesar meestal met het omrekenen van de republikeinse datum naar onze kalender. Vandaag sla ik die gimmick over. Evengoed gaan we het hebben over Caesar. Of beter, over een tijdgenoot: Quintus Ligarius, over wiens lot de rechtbank 2069 jaar geleden besliste.

Hij diende al jaren in het huidige Tunesië: in 50 v.Chr. als assistent van gouverneur Gaius Considius Longus; later als diens plaatsvervanger; weer later als adjudant van Pompeius’ bondgenoot Publius Attius Varus. Ligarius nam deel aan de slag bij Thapsus en werd na afloop gevangen genomen in Hadrumetum. Caesar liet hem in leven maar stond hem niet toe terug te reizen naar Italië.

Lees verder “Quintus Ligarius”

Crisis in Romeins Syrië

De door Caecilius Bassus versterkte citadel van Apameia in Syrië

Wanneer ik u zeg dat het was in de tweede novembermaand van het jaar waarin Julius Caesar en Lepidus consuls waren, en als ik dat omreken naar oktober 46 v.Chr. op onze kalender, dan vermoedt u dat u een blogje in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” gaat lezen. En u hebt gelijk.

Caesar stond voor een lastige beslissing. Doordat allerlei tegenstanders uit Afrika hadden weten te ontkomen en zich in Andalusië hadden verzameld, dreigde er gevaar vanuit het westen. Caesar, die als quaestor, als gouverneur en nog maar twee-en-een-half jaar eerder als generaal in Andalusië was geweest, wist hoe welvarend het gebied was. Het kon vele legioenen voeden en financieren. En de Iberiërs wisten hoe ze oorlog moesten voeren.

Lees verder “Crisis in Romeins Syrië”

Caesar neemt bestuurlijke maatregelen

Julius Caesar (Museo Nazionale, Rome)

Als ik u zeg dat het oktober, november was in het jaar waarin Julius Caesar (voor de derde keer) en Marcus Aemilius Lepidus het consulaat uitoefenden, en als ik dat omreken augustus, september 46 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u antwoord zult krijgen op de vraag wat Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden liep te doen.

Nou, er gebeurde van alles. Om te beginnen kwam vermoedelijk rond deze tijd het bericht dat in Syrië Sextus Julius Caesar was gedood: een verwant van Caesar, een vertrouwde adviseur en iemand die hem zou kunnen opvolgen als pater familias van de familie Julius. En als alleenheerser, indien Caesar plannen zou hebben gehad een erfelijke monarchie te stichten.

Lees verder “Caesar neemt bestuurlijke maatregelen”

Ǧibrīl ibn Nūḥ over de mens

Voor Ǧibrīl ibn Nūḥ vormden ook dadels een godsbewijs

[Dit is het vierde blogje dat Wim Raven schreef over zijn uitgave van Ǧibrīl ibn Nūḥ. Het eerste was hier en Wims eigen blog is daar.]

De godsbewijzen van Ǧibrīl ibn Nūḥ veronderstelden de perfectie en de doelmatigheid van de schepping. Dit alles stond ten dienste aan de mens.

Het uiteindelijke doel is het welzijn van de mens

De schepper zorgt volgens Ǧibrīl ibn Nūḥ dus voor het welzijn van dieren, maar zoals hierboven al vermeld: dieren dienen uiteindelijk het welzijn van de mens, als voedsel, als arbeidsdier en rijdier en om het gebruik van de huid en de botten. Ook de hele rest van de schepping is er om de mens.

Om te beginnen is hij zelf natuurlijk een wandelend godsbewijs. Al zijn ledematen en organen zijn ontworpen om optimaal te kunnen worden gebruikt. In tegenstelling tot dieren is de mens geschapen om rechtop te staan en te zitten, zodat hij naar voorwerpen kan reiken, ze kan beetpakken en ermee kan werken. Zou hij voorovergebogen lopen als een viervoeter, dan zou hij geen werk kunnen verrichten.

Lees verder “Ǧibrīl ibn Nūḥ over de mens”

Een godsbewijs van Ǧibrīl ibn Nūḥ

De betekenis van dit plaatje zal u aanstonds duidelijk worden (Capitolijnse Musea, Rome)

[Dit is het tweede blogje dat Wim Raven schreef over zijn uitgave van Ǧibrīl ibn Nūḥ. Het eerste was hier en Wims eigen blog is daar.]

De godsbewijzen van Ǧibrīl ibn Nūḥ

Een godsbewijs gaat bij Ǧibrīl ibn Nūḥ meestal als volgt:

  • de aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, doelmatig of complex is.
  • vervolgens wordt gezegd dat zoiets toch onmogelijk door toeval zou kunnen ontstaan,
  • en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten, die het beste met de mensen voor heeft.

Dikwijls wordt er betoogd: wat fijn dat het is zoals het is; het had ook veel slechter, lelijker of onpraktischer kunnen uitpakken, zo in de trant van het moderne liedje: “Ik ben zo blij, ik ben zo blij, dat mijn neus van voren zit en niet opzij.”

Lees verder “Een godsbewijs van Ǧibrīl ibn Nūḥ”

De Karolingische Renaissance (3)

Misschien wel de beste representatie van de Karolingische Renaissance: geleerden presenteren een nieuw leerboek

[Dit is het derde blogje over de Karolingische Renaissance. Het eerste deel was hier.]

De Karolingische geleerden, die ik in mijn vorige stukje introduceerde, beperkten zich niet tot het toezicht op de monniken. Ze vervaardigden ook nieuwe leermiddelen, stortten zich onbesuisd op de neoplatoonse filosofie en bestudeerden het Latijn.

Leermiddelen

Eerst de leermiddelen van de Karolingische Renaissance. Voor het eerst in ruim twee eeuwen werden die weer vervaardigd. Zo kwamen er bloemlezingen uit het oeuvre van de kerkvaders, waaruit de leerling geacht werd de Latijnse spelling te leren en de juiste wijze om een betoog te ordenen. Als de leerling hiervan kennis had genomen, kon hij zich richten op de argumentatieleer. Daarbij moest hij op vragen antwoorden door passages aan te halen uit erkende autoriteiten als Martianus Capella, Boëthius, Cassiodorus en Isidorus van Sevilla. Alcuinus schreef enkele leerboekjes en verzamelde bovendien vraagstukken om de leerlingen te oefenen in logisch denken, zoals ons raadsel van de wolf, de kool en de geit.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (3)”

Het Colosseum (5): gladiatoren

Gladiatoren (Villa Dar Buc Ammera)

[Dit is het vijfde van acht blogjes over het Colosseum in Rome. Het eerste was hier.]

Ik vertelde in het derde blogje dat een dag in het Colosseum begon met jachtpartijen, vervolgde met executies en eindigde met gladiatoren. In de twee vorige blogjes beschreef ik de jacht en de executies. Nu is het tijd voor de gladiatoren.

Ooit, toen het geloof nog bestond dat de geesten van de doden gunstig werden gestemd met mensenbloed, offerden de ouden bij uitvaarten gevangenen of slaven van geringe kwaliteit, die voor dat doel werden aangeschaft.noot Tertullianus, De schouwspelen 12.2.

Deze theorie van de christelijke auteur Tertullianus wordt bevestigd door Nikolaos van Damascus. De hieronder geciteerde woorden veronderstellen dat de ziel van de gestorvene gezelschap krijgt van de gedode gladiator. Dat is althans de enige manier om te verklaren waarom iemand bij testament bepaalt dat zijn geliefden op leven en dood moeten strijden:

Lees verder “Het Colosseum (5): gladiatoren”