De laatste jaren van Julius Caesar (1)

Julius Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Een paar maanden geleden rondde ik de reeks over Julius Caesar af, en verschillende mensen suggereerden me er een boek van te maken. De substantie van het boek was immers daar. Ik aarzelde. De gimmick van die blogreeks was dat ze “in real time” was en in een boek zou die meerwaarde wegvallen. Desondanks  besloot ik een boek te wijden aan de laatste jaren van Julius Caesar. Zo gaat het ook heten: De laatste jaren van Julius Caesar. Dat is de werktitel althans. De ondertitel is Het ontstaan van een Mediterraan wereldrijk (zie de Lex Roscia voor uitleg).

Maar het heeft even geduurd voor ik wist hoe ik een boek kon schrijven dat niet overbodig zou zijn. Er zijn immers al genoeg boeken over Caesar. Ook over de burgeroorlog die hij ontketende, is meer dan voldoende gepubliceerd. En zeker niet door de geringste auteurs! De grote bouwmeesters waren het wetenschappelijke team van Napoleon III, en verder Theodor Mommsen en Ronald Syme. Waar grote bouwmeesters de hoofdlijnen schetsen, is werk voor metselaars en timmerlieden, die ik hier niet allemaal zal opsommen maar die eigenlijk alles hebben gezegd wat er te zeggen valt.

Lees verder “De laatste jaren van Julius Caesar (1)”

Wie was Julius Caesar? (3)

Julius Caesar (Altes Museum, Berlijn)

[De reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” loopt ten einde. Het eerste deel van de slotevaluatie was hier.]

Individu en proces

Ik heb het verhaal van de Tweede Burgeroorlog verteld aan de hand van enkele individuen. Of beter: één “grote man” en een reeks bijfiguren. Voor deze vorm van grotemannengeschiedenis valt iets te zeggen. Je kunt er in elk geval 176 blogjes over schrijven en ik weet dat veel volgers van deze blog de nu ten einde lopende reeks hebben gewaardeerd.

Historici hebben echter lang gediscussieerd over de vraag of geschiedenis wordt gemaakt door individuen, “grote mannen” dus, of door processen en structuren. Uiteraard valt er voor allebei iets te zeggen en dat is ook nu het geval. De processen waarmee de monarchie zou ontstaan, bestonden al vóór Caesar. Niet dat de monarchie onvermijdelijk was, maar de processen liepen, om zo te zeggen, in een zekere richting.

Lees verder “Wie was Julius Caesar? (3)”

Antoninus Pius (3)

Antoninus Pius (Archeologisch museum, Constantine)

[Laatste van drie gastblogs over keizer Antoninus Pius door Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

Antoninus Pius stond hoog in aanzien bij zowel het Griekse als joodse establishment, en zelfs bij verre mogendheden zoals het Indische Kushanarijk. Zijn schitterende reputatie steunde niet alleen op zijn weldadige en rechtvaardige regime, maar ook op zijn knappe voorkomen.

Toen Antoninus de gezegende leeftijd van zeventig naderde, droeg hij de macht over aan niet één maar twee adoptiefzoons: Marcus Aurelius en Lucius Verus, zoals zijn voorganger Hadrianus het hem had opgedragen. Zijn laatste woord sprak hij volgens de overlevering tot een schildwacht, aan wie hij het wachtwoord voor de komende dag gaf: “gelijkmoedigheid”. Hij ging liggen als om te slapen en stierf. Zijn regering was de langste sinds Augustus en zou dat blijven tot Constantijn de Grote. Als we al het bovenstaande beschouwen en vooral geloven, moeten we hem zien als een van de beste keizers die Rome ooit heeft gekend.

Lees verder “Antoninus Pius (3)”

Antoninus Pius (2)

Antoninus Pius (Musée des Beaux-Arts, Lyon)

[Tweede van drie gastblogs over keizer Antoninus Pius door Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

De vredelievende keizer

Het bijzonderste aan de regering van Antoninus Pius was dat hij, in tegenstelling tot de meeste van zijn voorgangers en opvolgers, geen animo toonde voor oorlog of veroveringen. Meer nog, hij zou Rome nooit verlaten hebben en amper een legioen van dichtbij hebben gezien. Er waren weliswaar opstanden in Brittannia en Mauretania, maar daar stuurde hij bekwame generaals heen, die het oproer snel konden bezweren.

Lees verder “Antoninus Pius (2)”

Antoninus Pius (1)

Antoninus Pius (Collectie Torlonia, Rome)

Omdat ik me met de mensheid om me heen schuldig maak aan citius, altius, fortius, durf ik me wel eens wagen aan een “favoriete Romeinse keizer”. Als kind, toen ik nog met Playmobilridders speelde en als tiener, toen ik in de ban raakte van Risk, vergaapte ik me aan keizers die oorlogen wonnen en het rijk uitbreidden. Augustus dus, maar vooral Trajanus, die toch maar mooi de Roemeense bult als Dacia toevoegde aan het al omvangrijke territorium.

Als volwassene, behept met moraal, begon ik anders te denken. Ik begreep dat “de Grote” een afkorting is voor “de grootheidswaanzinnige”: Alexander, Constantijn, Karel … al die groten der verbrande aarde waren psychopaten met een onlesbare dorst naar onderwerping. Ik keek dus met een nieuwe blik, door een welopgevoede bril, naar keizers: wie was een kundig bestuurder, wie verbeterde het leven van de burgers en wie zorgde vooral voor vrede, niet de zoveelste oorlog.

Lees verder “Antoninus Pius (1)”

Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Lees verder “Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie”

Historisme en grotemannengeschiedenis

Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.

Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.

Historisme

In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.

Lees verder “Historisme en grotemannengeschiedenis”

Faits divers (26)

Net als vorige week maandag ook deze maandag een aflevering van de reeks faits divers, die hiermee bijna regelmatig dreigt te worden. Wat voor een onregelmatig verschijnende rubriek niet de bedoeling is, zeker niet als het tijdslot op maandag eigenlijk is gereserveerd voor oudheidkundige methoden, theorie en technieken.

***

Barbara Levick

De Britse Oxford-oudhistorica Barbara Levick is overleden. Een paar maanden geleden alweer, maar ik wist er nog niet van. Het is moeilijk te zeggen wat haar belangrijkste boeken zijn, want het zijn allemaal monumentjes. Als herdruk een criterium is, zal haar bronnenboek The Government of the Roman Empire (1985) wel het meest invloedrijk zijn. Het is een collectie van bijna 250 teksten die documenteren hoe het Romeinse keizerrijk functioneerde. De verzameling was misschien niet heel innoverend, maar het is leuk hoe ze systematisch literaire bronnen koppelt aan inscripties. Dat het boek alweer wat ouder is, blijkt uit het feit dat er slechts één tekst in is opgenomen die niet in het Latijn of Grieks is. Dat is geen verwijt. 1985 is al een half mensenleven geleden. Het zou echter, vermoed ik, nu anders zijn.

Lees verder “Faits divers (26)”

Faits divers (22): Boeken

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee boeken.

Romeinse Rijk

Eerst maar eens een boek dat ik al een tijdje geleden heb gelezen: The Roman World from Romulus to Muhammad van Greg Fisher (2022). Het is een nogal traditioneel overzicht van de geschiedenis van – u raadt het al – het Romeinse Rijk. Volmaakt is het niet; de landkaarten hadden stukken beter gekund en de nadruk ligt wel erg op generaals en oorlogen. Grotemannengeschiedenis dus.

Zulke boeken krijgen tegenwoordig soms het verwijt dat ze het patriarchaat steunen en hoewel ik de ratio van die kritiek kan volgen, vind ik een veel fundamenteler probleem dat in dit boek de relatie tussen dieperliggende processen en oppervlakkige evenementen onderbelicht is. Een historicus moet in elk geval de feiten en oorzaken zo intersubjectief mogelijk presenteren; dat resultaat kan dan later een rol spelen in andere, meer politieke discussies.

Lees verder “Faits divers (22): Boeken”

Willem III vs Lodewijk XIV

Lodewijk XIV met achter hem Maastricht

Gelegen op een boogscheut van het spoorwegstation van Venlo is het Limburgs Museum vermoedelijk het makkelijkst bereikbare museum ter wereld, maar ik kom er desondanks te weinig. Jammer, want de archeologische collectie is interessant en er zijn mooie exposities. Zoals de huidige, “De Zonnekoning en Oranje”, over de Guerre de Hollande ofwel de Hollandse Oorlog ofwel het Rampjaar. De tentoonstelling duurt nog tot 7 januari, dus u hebt niet lang meer.

Rampjaar

Het verhaal is vaker verteld. In 1672 viel Lodewijk XIV, die Frankrijk wilde vergroten tot natuurlijk geachte grenzen, de Republiek aan. Dat ging niet zomaar, want tussen die twee landen lagen de Spaanse Nederlanden. Daardoorheen liep echter het prinsbisdom Luik, dat bestuurlijk was aangewezen op Lodewijks bondgenoot, het aartsbisdom Keulen. Door langs de Maas en door het prinsbisdom op te rukken, konden de Franse legers de Republiek bereiken zonder Spaanse belangen te schenden. Verder verbond Lodewijk zich met bisschop Bernhard von Galen van Münster (“Bommen Berend”) en de koning van Engeland. De Republiek was geïsoleerd. Met recht een rampjaar. In de Republiek werd, nadat de gebroeders De Witt waren gelyncht, prins Willem III benoemd tot stadhouder.

Lees verder “Willem III vs Lodewijk XIV”