Lucius Cornelius Sulla (2)

Mogelijk portret van Sulla (Glyptothek, München)

In het vorige stuk zagen we dat de Romeinse generaal Lucius Cornelius Sulla, voordat hij naar de oorlog tegen Mithridates VI Eupator van Pontus was afgereisd, de macht had gegeven aan de Senaat. Op de revolutie volgde een contrarevolutie, want toen Sulla nog maar nauwelijks was vertrokken, grepen zijn tegenstanders hun kans.

De Eerste Burgeroorlog: Cinna versus Sulla

De Volksvergadering hernam haar rechten en wees haar oude leiders opnieuw aan. Velleius Paterculus oordeelt:

Vervolgens betraden Lucius Cornelius Cinna voor de tweede maal en Gaius Marius voor de zevende maal het ambt van consul, een blamage voor zijn vorige zes maal. Maar bij het begin ervan werd hij ernstig ziek en zo kwam een eind aan het leven van een man die in oorlog de grootste tegenstander was van de vijanden en in vrede van zijn medeburgers. (Romeinse Geschiedenis 2.23; vert. Hunink)

Lees verder “Lucius Cornelius Sulla (2)” →

De Punische Oorlogen

Munt uit Iberië met een krijgsolifant zoals Karthago inzette (British Museum, Londen)

Bijna elke week blog ik over de laatste druk van het handboek waaruit ik in 1985 oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Het hoofdstuk over de Romeinse vroege republiek vat de ontwikkeling van het Romeinse gemenebest in de vijfde, vierde en vroege derde eeuw samen als twee grote processen:

Dat laatste conflict betreft de complexe sociale geschiedenis, waarin een aristocratisch bestel gaandeweg plaatsmaakt voor een oligarchie. Geen ongebruikelijk proces in de Mediterrane geschiedenis. Voor Rome bestond de erfenis uit een complex stelsel van magistraturen. Ik heb het allemaal weer eens nagelezen en heb geconstateerd dat er sinds mijn studietijd weinig aan inzicht is veranderd. Anders gezegd, ik leerde niets nieuws en ik heb er niets aan toe te voegen dat voor u interessant zou kunnen zijn. Of u zou erg geïnteresseerd moeten zijn het Romeinse staatsrecht en dan is dit boek meer iets voor u. De auteur won de Nobelprijs.

Lees verder “De Punische Oorlogen” →

Alexander de Grote in context

Al voor Alexander de Grote verspreidde de Griekse cultuur zich, zoals gedocumenteerd door dit reliëf uit Sidon uit het tweede kwart vierde eeuw v.Chr. (Nationaal Museum, Beiroet).

[Dit is het eerste van vijf blogjes over Alexander. Als u meteen naar zijn biografie wil, dan vindt u die hier. Als u in detail wil lezen, dan kan dat daar.]

Alexander de Grote: in het handboek waarover ik op donderdag vaak blog, Een kennismaking met de oude wereld van Luuk de Blois en Bert van der Spek, ben ik nu aangekomen bij deze wereldveroveraar. Ik heb al aangegeven dat de auteurs bij hun behandeling van de vijfde eeuw v.Chr. de nadruk legden op de Griekse stadstaten die lagen binnen de grenzen van het huidige Griekenland. Eenmaal aangekomen bij de vierde eeuw trekken ze dit enigszins recht met een kort, eigenlijk te kort, stuk over de westelijke Grieken. Ook is er een paragraaf over de economie. Daarmee komt het hoofdstuk over de klassieke tijd ten einde.

Het volgende hoofdstuk gaat over de hellenistische periode, dus de tijd van Alexander tot Augustus, zeg 330 tot 30 v.Chr. Een belangrijk kenmerk van dit tijdvak is dat de Griekse cultuur zich verspreidde over het Nabije Oosten. Overal moest ze zich met oudere beschavingen zien te verhouden, wat echt interessante wisselwerkingen oplevert. Alleen al voor de zalen die in het Louvre zijn gewijd aan het hellenistische en Romeinse Nabije Oosten zou je naar Parijs willen. Ik schrijf dat zonder ironie of overdrijving. Je kunt er twee dagen rondlopen zonder je te vervelen.

Lees verder “Alexander de Grote in context” →

Grotemannengeschiedenis

Het is opvallend hoe lang vooroordelen over geschiedenis blijven bestaan. Eén zo’n vooroordeel is dat historici zich vooral bezighouden met de daden van Grote Mannen, die de geschiedenis naar hun hand hebben gezet. Het probleem is niet dat deze uitdrukking vrouwen tekort doet maar het methodisch individualisme. Dat ook maatschappelijke krachten invloed hebben op de gebeurtenissen, is alweer ruim een eeuw geleden bewezen, maar het dringt niet door. Ik blogde al eens over nepklassieken. De simpele waarheid is echter dat het weliswaar individuen zijn die de geschiedenis vorm geven, maar dat die zich daarbij bedienen van maatschappelijke structuren die groter zijn dan henzelf. Geschiedenis en dus oudheidkunde is een sociale wetenschap.

Grotemannengeschiedenis bestaat al anderhalve eeuw niet meer. Eigenlijk alleen in Groot-Brittannië, dat een grote traditie heeft van biografieën, stelt men zich nog weleens op het standpunt dat there is no such thing as society. Onzin natuurlijk. Elke geschiedenisstudent kan je na zijn eerste jaar uitleggen dat maatschappelijke instituties niet zijn te herleiden tot verzamelingen individuen of individuele keuzes.

Lees verder “Grotemannengeschiedenis” →

Klassieke literatuur (5e): Appianus

Portret van een Romeinse man, niet per se Appianus (Glyptothek, München)

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich werkelijk in de klassieke letteren wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit aanschuiven bij een collegereeks. Voor de Latijnse literatuur kun je verder Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus lezen, maar voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek niet.]

Voordat ik begon aan de behandeling van de oude geschiedschrijvers, blogde ik over het begrippenpaar methodisch individualisme en methodisch collectivisme. Ofwel de plek waar de historicus de oorzaak van deze of gene gebeurtenis plaatst. Tot in de negentiende eeuw zocht men die bijna altijd in het handelen van een individu. De ontluikende sociale wetenschappen maakten echter duidelijk dat abstracte zaken ook een bewerkende rol konden spelen. Een beroemd voorbeeld is Durkheims onderzoek naar zelfmoord, waaruit bleek dat zelfs bij deze allerindividueelste daad maatschappelijke factoren een rol speelden.

Het nadenken over zaken als methodisch individualisme en collectivisme markeert in feite de volwassenwording van de hedendaagse historische wetenschap en hangt vanzelfsprekend samen met het ontstaan van de sociaal-economische en de institutionele geschiedenis. In feite vormen de termen, lelijk als ze zijn, de erkenning dat er meer is dan grotemannengeschiedenis omdat geschiedenis niet slechts wordt gemaakt door individuen maar tevens door maatschappelijke krachten, door klassen, door standen, door ideeën en door ideologieën.

Lees verder “Klassieke literatuur (5e): Appianus” →

Klassieke literatuur (5a): geschiedschrijving

Mijn (letterlijk kapot gelezen) exemplaar van Rex Warners vertaling van Thoukydides

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich werkelijk in de klassieke letteren wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit aanschuiven bij een collegereeks. Voor de Latijnse literatuur kun je verder Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus lezen, maar voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek niet.]

Vandaag behandel ik het antieke genre waarvan ik gisteren beargumenteerde dat het eigenlijk geen “geschiedschrijving” zou moeten heten. De redenen: de Griekse en Latijnse schrijvers konden nauwelijks echte archiefratten zijn, ze zagen geschiedschrijving vaak als een morele exercitie en ze hadden een methodisch individualistische visie op causaliteit. De antieke geschiedschrijving is kwalitatief even ver van de moderne geschiedschrijving verwijderd als alchemie van chemie en astrologie van astronomie. Omdat we geen echte term hebben om het antieke genre aan te duiden, zal ik het ook maar geschiedschrijving noemen, maar het schuurt.

Lees verder “Klassieke literatuur (5a): geschiedschrijving” →

Friezen en Franken (en Noormannen)

Draak uit Dorestad (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik heb nu twee stukken geschreven over de geschiedenis van de Friezen, de kustbewoners van Nederland in het eerste millennium, en de Franken, de bewoners van het binnenland. Ik maakte gebruik van De Friezen (2013), Koningen en krijgsheren (2009) en Bonifatius in Dorestad (2016) van Luit van der Tuuk, de curator van het Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede en de beheerder van websites over Dorestad en de Noormannen in de Lage Landen.

De twee eerstgenoemde boeken eindigen niet bij Karel de Grote, waar ik u gisteren achterliet, maar behandelen ook de regeringen van zijn zoon Lodewijk de Vrome en die van diens zoons Lotharius, Karel de Kale en Lodewijk de Duitser. Kende ik van de periode tot en met Karel de Grote de hoofdlijnen wel ongeveer, nu merkte ik dat ik die voor de tweede helft van de negende eeuw niet kende. Of althans niet zoals Van der Tuuk ze schetst. Wat ik wél wist was dat de mensen te lijden hadden van zowel de invallen van de Noormannen als een reeks complexe burgeroorlogen tussen eerst Lodewijk de Vrome en daarna tussen zijn zonen onderling. Nooit had ik die gewelddadige gebeurtenissen met elkaar in verband gebracht. Van der Tuuk wijst erop dat de Noormannen partij waren in de Karolingische burgeroorlogen.

Lees verder “Friezen en Franken (en Noormannen)” →

Van Rossems Romeinse Rijk

van_rossem_einde_romeinse_rijk

Ik heb altijd een zwak gehad voor Maarten van Rossem. Dat heeft te maken met een voorval in het najaar van 2010, toen het Allard Pierson-museum me vroeg een lezing te verzorgen over een antiek thema. Van Rossem was eerder gevraagd, maar had aangegeven te weinig te weten van de Oudheid. Voor mensen die hun beperkingen erkennen, heb ik een zwak.

Ik weet niet waarom Van Rossem inmiddels wél over de Oudheid is gaan schrijven, en dan nog wel over de Late Oudheid, waarvan hij aangeeft dat hij er “bepaald geen specialist” in is. Niet dat ik er tegen ben. Zoiets kan goed uitpakken: veel oudhistorici zijn in feite classici zonder geschiedwetenschappelijke opleiding, zodat een algemeen historicus (of een amerikanist) de discussie een verfrissende draai kan geven.

Lees verder “Van Rossems Romeinse Rijk” →

Dijkgraafs reuzen

Een paar jaar geleden nam Robbert Dijkgraaf afscheid als president van de KNAW. Bij die gelegenheid reisde hij langs een paar musea, waar de curatoren aan de hand van allerlei voorwerpen vertelden over de geschiedenis van de natuurwetenschappen. Het resultaat was het boekje Reuzen van de Lage Landen, waarin Marcel Hulspas Dijkgraafs museumtournee beschrijft.

Het boek heeft een zwak punt, namelijk dat Robbert Dijkgraaf de verkeerde persoon is om op te treden als ondervrager. Ik zal daar bij een andere gelegenheid nog over schrijven – in de huidige planning eind mei – en me nu beperken tot een beschrijving van Reuzen van de Lage Landen. Er staat veel aardigs in. Heel veel zelfs.

Lees verder “Dijkgraafs reuzen” →

Interview Z.K.M. Claudius

Claudius (Valkhof, Nijmegen)

Het zal niemand zijn ontgaan dat het eergisteren tweeduizend jaar geleden was dat keizer Augustus overleed. Als oudhistoricus was ik uitgenodigd om de plechtigheden in Rome bij te wonen, en door een gelukkig toeval ontmoette ik daar een van de leden van het keizerlijk huis, Tiberius Claudius Nero Germanicus. De vierentwintigjarige prins zal vanaf heden een rol spelen in de cultus van de vergoddelijkte keizer. Ondanks zijn drukke bezigheden had hij tijd voor me.

Dank u wel voor de tijd die u voor me vrij hebt kunnen ma…

Geen dank, geen dank. Het is altijd een genoegen om hier in Rome een collega-historicus t-te ontmoeten. Zeker als hij afkomstig is uit een zo verre provincie als het Rijnland. Ik wist niet dat de Cananefaten al historici opleidden.

Lees verder “Interview Z.K.M. Claudius” →