Publius Annius Florus

Portret van een tijdgenoot van Hadrianus (Archeologisch museum, Zadar)

Al een paar keer heb ik op deze blog de Romeinse schrijver Publius Annius Florus genoemd, die zeker niet verbleef op de toppen der Parnassos, maar waaraan best een blogje te wijden valt. Florus weet namelijk wel hoe hij een verhaal moet vertellen en is bovendien een vertegenwoordig van wat weleens wordt aangeduid als het Zilveren Latijn. Die naam verraadt een oud waardeoordeel, namelijk dat het Latijn van de eerste eeuw v.Chr. het allerbeste was geweest. Toen stond er voor redenaars echt iets op het spel, en dat maakte het Latijn van auteurs als Cicero zo briljant. Daarna was de retorica in verval geraakt, en zouden geschiedschrijvers hielenlikkers zijn geweest. Nog steeds aardig Latijn, luidde het vooroordeel, maar geen Cicero.

Het vooroordeel is allang weerlegd. Ook een feestrede kan immers een literair hoogtepunt zijn. Los daarvan: geen taalkundige zal zeggen dat het taalgebruik van de ene eeuw beter is dan het andere. Desondanks blijven de zilveren schrijvers (zeker in het onderwijs) wat onderbelicht, hoewel het project van Plinius de Oudere, die feitelijk de wetenschap op de Grieken veroverde, een enorme ambitie verraadt, hoewel een Tacitus echt wel iets te melden heeft, en hoewel je nog altijd kunt lachen om dichters als Juvenalis en Martialis.

Lees verder “Publius Annius Florus”

De “Keizerlevens” van Suetonius

Hadrianus, onder wie Suetonius werkte als ab epistulis, als almachtig heerser (Altes Museum, Berlijn)

In het vorige stukje hebben we het leven van Suetonius bekeken. Maar hij is natuurlijk bekender als auteur dan als ab epistulis. We kennen van zijn hand diverse titels, zoals een biografie van Cicero, een boekje over Griekse kinderspelletjes, een scheldwoordenboek en een boek met de intrigerende titel Fysieke gebreken van de man. Helaas zijn al deze boeken verloren gegaan.

We weten iets meer over een werk dat de Pratum de rebus variis heette. Dat is te vertalen als “een weide vol uiteenlopende dingen” of, om het lichtvoetige karakter te accentueren, als “de speeltuin”. Hierin verzamelde Suetonius nuttige, interessante en vermakelijke feitjes, waarvan hij hoopte dat ze de lezer zouden amuseren. We hebben meer van dit soort collecties over uit de Grieks-Romeinse Oudheid.

Lees verder “De “Keizerlevens” van Suetonius”

Heliogabalus (1): de bronnen

Heliogabalus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De jonge keizer Heliogabalus regeerde slechts vier jaar, van 218 tot 222, maar hij is in ons taalgebied een van de bekendere onder Romes meer onbekende heersers. Het zal deels komen door de mooie roman van Louis Couperus, De berg van licht (1905). Daar zit natuurlijk een fors element in van verbeelding en taaltovenarij. Wie was Heliogabalus werkelijk? Was hij echt een oosterse godsdienstwaanzinnige of zit er een al dan niet oosterse rationaliteit achter zijn voor Romeinen schokkende beleid? Vereerde hij Elagabal? We moeten beginnen bij de bronnen, kijken dan naar zijn staatsgreep, zijn algemene beleid en zijn ondergang, vervolgen dan met zijn religieuze beleid, en komen dan tot een conclusie.

Drie bronnen

Er zijn drie literaire bronnen voor het leven van Heliogabalus of – zoals hij voluit heette – Imperator Caesar Marcus Aurelius Antoninus Augustus:

  1. De senator Cassius Dio;
  2. Een ambtenaar genaamd Herodianos;
  3. De auteur van de Historia Augusta.

Lees verder “Heliogabalus (1): de bronnen”

“Naar alle kanten het Rijk vergroot” (3)

De limes in Libië (Bu Njem)

[Vandaag het derde van vier blogs over de veldtochten van keizer Septimius Severus (r.193-211), die het Romeinse Rijk bracht tot zijn grootste omvang. Dat dit onder Trajanus zou zijn gebeurd is vooral propaganda van Mussolini. Het eerste deel is hier.]

Weinig lezers zullen destijds hebben vermoed dat achter de vage aanduiding dat Severus “Naar alle kanten het Rijk vergroot” ook een overwinning in het huidige Libië schuilging. Toch was dit waarschijnlijk het succes dat de keizer het meest na aan het hart lag en dat de meest duurzame gevolgen heeft gehad.

Lucius Septimius Severus was geboren in Lepcis Magna, een van de havensteden waaraan de Tripolitana, het “Driestedenland”, zijn naam dankt. In het achterland werden graan en olijven verbouwd en nog wat verder naar het zuiden begon een gebied waar de Garamanten met hun kuddes heen en weer trokken. ’s Winters en in de lente verbleven deze nomaden in de oases in het binnenland, maar aan het einde van de zomer verweidden ze hun kuddes naar de kuststrook, waar ze de boeren hielpen bij de olijfoogst. De meegenomen dromedarissen deden dienst als trekdier bij het ploegen en ook de achtergelaten mest kwam van pas. Er was tijd voor handel. Zuivel en vlees werden geruild tegen graan en olie. Met ivoor, goud en andere artikelen uit Centraal-Afrika werden de producten van de stedelijke ambachtslieden betaald.

Lees verder ““Naar alle kanten het Rijk vergroot” (3)”

Historia Augusta (8): De biograaf

Keizer Probus (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de achtste van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

De historicus Ammianus Marcellinus, die een indrukwekkende geschiedenis heeft geschreven van de periode waarin de Historia Augusta tot stand lijkt te zijn gekomen, onderbreekt zijn verhaal ergens om te klagen over de oppervlakkigheid van Romes geletterde klasse, die zijns inziens scholing haatte als vergif en te veel triviale lectuur las. Als voorbeelden noemt hij de satiricus Juvenalis, die in deze tijd inderdaad weer in de mode raakte, en Marius Maximus. Waarschijnlijk was ook de laatste opnieuw populair en vond de auteur van de Historia Augusta Maximus’ biografieën, die hij typeert als breedvoerig, maar niks. Mogelijk heeft hij daarom besloten leesbaardere keizerlevens te schrijven.

Toen hij de primaire biografieën had geschreven, wilde onze auteur echter meer, en hij voegde daarom de secundaire biografieën toe, die hij baseerde op het al eerder geschrevene. Het resultaat beviel hem weinig, en daarom begon hij informatie toe te voegen. Dat konden verzonnen documenten zijn, maar zijn opmerkingen over de naam “Antoninus” (die in de primaire en secundaire biografieën nooit tegelijk voorkomen met verzonnen documenten) lijken hem aanvankelijk meer bevrediging te hebben gegeven. Hij besteedt er althans opvallend veel ruimte aan. De reden zou kunnen zijn dat hij met de Antoninus-passages enig verband legde tussen de afzonderlijke biografieën en zo eenheid oplegde aan zijn stof.

Lees verder “Historia Augusta (8): De biograaf”

Historia Augusta (4): bronnen

Caracalla (Nationaal Museum van Denemarken, Kopenhagen)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de vierde van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

Moderne historici beschikken over een scala aan informatiebronnen. Traditioneel houden ze zich bezig met de oude teksten waarvan de inhoud, zoals we hierboven al zagen, kan worden bevestigd en gecorrigeerd door middel van inscripties en munten. Ook de resultaten van archeologische opgravingen zijn belangrijk. Zo blijkt keizer Postumus een militaire vernieuwer van formaat te zijn geweest, die de zojuist genoemde reorganisatie van de grensverdediging een halve eeuw vóór was. Dat de auteurs van de Historia Augusta slechts enkele zinnen wijden aan deze grote generaal, illustreert hun zorgeloze omgang met de historische feiten.

Lees verder “Historia Augusta (4): bronnen”