Geliefd boek: The Marsh Arabs

Sir Wilfred Thesiger (1910-2007) wordt algemeen gezien als een van de laatste van de grote romantische ontdekkingsreizigers. Hij was een typisch vertegenwoordiger van het koloniale Engeland: geboren in Aden, vader bevriend met de latere keizer van Ethiopië, Haile Salassie, opgeleid in Eton en Oxford, niet goed in studeren maar wel in boksen, en een verwoed jager. Zijn hele leven bewonderde hij het ongerepte en oorspronkelijke. Hoe harder de levensomstandigheden, des te beter zijn de mensen, was zijn romantische opvatting.

Daarom zijn bedoeïenen de nobelste Arabieren, zo laat hij in zijn Arabian Sands (1959) merken. Het boek beschrijft Thesiger’s reizen met bedoeïenen in het Empty Quarter (Rub al Khali woestijn) in het zuiden van Saoedi-Arabië in de jaren veertig.

Een wolk komt opzetten, er valt regen, mensen leven; de wolk waait over zonder regen, en mensen en dieren sterven. In de woestijnen van Zuid-Arabië ontbreekt het ritme van de seizoenen, er is geen opkomst en verval van vitaliteit, alleen lege ruimte waar slechts de verandering van temperatuur markeert dat de maanden verstrijken. Het is een bitter dor land, onbekend met zachtheid of gemak. Toch hebben hier sinds de vroegste tijden mensen gewoond.

Aldus de beroemde openingszin in mijn Nederlandse vertaling van het boek (1993).

Lees verder “Geliefd boek: The Marsh Arabs” →

De Jugendstil van Apeldoorn

“Sonnevanck” (Deventerstraat 33, Apeldoorn)

Apeldoorn is een laatkomertje. De groene Veluwestad heeft geen grootse middeleeuwse geschiedenis. Het werd pas later wat, toen mensen zich realiseerden dat de beekjes die van de Veluwe kwamen neerstromen nuttig konden zijn om watermolens aan te drijven. Zo ontstond de papierindustrie. Maar Apeldoorn werd pas echt meer dan een vlek op de landkaart toen stadhouder-koning Willem III besloot een oud jachtslot uit te breiden met een paleis, Het Loo.

En het was nog later, toen koning Willem I een kanaal liet graven, dat het grote dorp veranderde in een kleine stad. Langs het kanaal kwamen industrieën. Er kwam een gasfabriek. Een spoorwegstation – eigenlijk twee: Het Loo had een eigen station – zorgde voor snellere verbindingen, zodat koning Willem III, koningin Emma en koningin Wilhelmina regelmatig in Apeldoorn verbleven. Een negentiende-eeuwse boom town.

Lees verder “De Jugendstil van Apeldoorn” →

Keltische stenen en Bijbelverzen

Hoewel Keltische stenen toch echt stenen zijn, zijn ze in plasticvorm te koop bij wetenschapsmuseum NEMO in Amsterdam. Het filmpje hieronder toont er eentje die is gesneden uit hout. De KNAW heeft ze ooit als chocoladekoekje gekend. Ik heb het dus over Keltische stenen.

Ik had er nog nooit van gehoord tot iemand me erover mailde. Het bleek te gaan om een steen in een vorm die je nog het beste kunt vergelijken met een banaan of aardappel. Als je ze neerlegt op tafel en er een tik tegenaan geeft, kun je ze laten roteren, zoals je ook kunt doen met een ovale kei op een tegel. Het opmerkelijke is nu dat Keltische stenen een eigen draairichting hebben. Ze roteren bijvoorbeeld wél met de wijzers van de klok mee, maar niet de andere kant op. Geef je ze een tik om ze tegen de wijzers van de klok in te laten draaien, dan gaan ze eerst wiebelen en draaien ze vervolgens tegen de wijzers van de klok in. Volkomen contra-intuïtief.

Lees verder “Keltische stenen en Bijbelverzen” →

Archeologie als dienstmaagd (2)

Dionysos op de bodem van een schaal, geschilder door Exekias (Antikensammlung, München)

Salonfähig

Zoals een ongewenst kind soms ouderliefde wil verwerven door zich voorbeeldig te gedragen en daardoor een allesbehalve normale ontwikkeling doormaakt, zo zag de klassieke archeologie in het laatste kwart van de negentiende eeuw af van een normale, wetenschappelijke ontwikkeling om toch vooral maar salonfähig te worden. Omdat het bruuskeren van de invloedrijke classici geen doel diende, was het een absoluut vereiste dat de archeologische nieuwlichters niet zouden pretenderen de bestudering van het verleden te kunnen verbeteren. Er mocht niet worden gesleuteld aan de klassieke stelling dat de Grieks-Romeinse Oudheid een belangrijke ervaring was van de gehele mensheid, waarin de eeuwige waarden waren vastgelegd die op de gymnasia werden onderwezen.

Het gevolg was dat archeologen hun materiaal zó gingen presenteren dat het deels betekenisloos werd. Ze zochten naar kunstwerken die bruikbaar waren om al bestaande opvattingen over artistieke en politieke vrijheid te bevestigen. De vondsten vormden geen aanleiding voor vernieuwend onderzoek. Archeologen boden in feite Winckelmann maar dan met nieuwe plaatjes bij het oude praatje over de groei naar grotere natuurgetrouwheid, over artistieke vrijheid, over politieke vrijheid en over de superieure Griekse cultuur.

Lees verder “Archeologie als dienstmaagd (2)” →

Archeologie als dienstmaagd (1)

Aardewerk uit Troje VIIb (Archeologische musea, Istanbul)

Ik spreek weleens op gymnasia – altijd leuk om te doen – en meestal leidt een leraar klassieke talen of een docent geschiedenis me dan in. Bij zo’n gelegenheid typeerde een jonge classicus me vorig jaar als archeoloog, om te vervolgen met een opmerking die ik, nu ik dit stukje schrijf, niet precies herinner, maar die erop neerkwam dat archeologie ondergeschikt was aan het echte werk, dat van de classici. Het was niet gemeen bedoeld maar riep wel de vraag op waar het idee dat er een rangorde is eigenlijk vandaan komt. Het antwoord is dat de archeologen het er zelf naar hebben gemaakt.

Schliemanns problemen

Terug naar de late negentiende eeuw, toen de archeologie als wetenschap doorbrak. Er zijn hier talloze namen te noemen maar ik neem er een die u kent: Heinrich Schliemann, die eigenlijk nauwelijks serieus werd genomen in zijn Duitse vaderland. De meeste Altertumswissenschaftler waren het er destijds over eens dat Schliemanns methode niet deugde: hij nam de Ilias te letterlijk. Ook zijn vondsten oogden nogal schamel. Kortom, de wetenschap wilde er niet aan en Schliemann vond lange tijd vooral erkenning in de Angelsaksische wereld, waar men destijds niet bepaald liep in de voorhoede van het onderzoek.

Lees verder “Archeologie als dienstmaagd (1)” →

Graf te Roermond

Het “graf met de handjes”, Roermond

Dingen waar je langs zou kunnen komen als je deze dagen niet binnenshuis moest blijven maar de vrijheid had een fietstochtje te maken: het Oude Kerkhof van Roermond, officieel de Begraafplaats Nabij de Kapel in ’t Zand. Waar het bovenstaande beroemde grafmonument is te zien.

Lees verder “Graf te Roermond” →

Theodor Mommsen

Theodor Mommsen (Humboldt-Universität, Berlijn)

Ik noemde een tijdje geleden Theodor Mommsen en realiseerde me dat ik nog nooit over hem had geblogd. Tijd om iets recht te zetten. Mommsen was in zijn tijd namelijk echt een beroemdheid en is eigenlijk nog altijd een van die grote negentiende-eeuwse geleerden die een mens behoort te kennen. Een biografietje dus maar.

Vroege carrière

Mommsen is in 1817 geboren in een door de Deense koning bestuurd deel van Duitsland. Omdat zijn vader predikant en niet onbemiddeld was, kreeg de jonge Theodor een professionele oudheidkundige opleiding: een studie klassieke talen en rechten in Kiel. Na te zijn afgestudeerd ontving hij een Deense beurs om Frankrijk en Italië te bezoeken, waar hij in Napels inscripties bestudeerde.

Lees verder “Theodor Mommsen” →

Pompeii als lithografie

Herculaneum en Pompeii zijn ontdekt rond het midden van de achttiende eeuw. Winckelmann schreef erover. Hoewel de eerste opgravingen vaak worden afgedaan als pure schatgraverij, is dat niet helemaal terecht. Zeker Karl Weber heeft enorm zijn best gedaan het onderzoek zo professioneel mogelijk uit te voeren. Dat hij een van ’s werelds allereerste opgravers was en dus niet kon voldoen aan latere professionaliteitseisen mag hem niet worden nagedragen.

In Pompeii is het grootste deel van de stad blootgelegd in de loop van de negentiende eeuw. Er waren professionele kunsthistorici bij betrokken, maar ook tientallen arbeiders, classici, bouwkundigen en natuurlijk tekenaars, zoals de gebroeders Fausto en Felice Niccolini. Hun vader Antonio had al gewerkt voor het archeologisch museum van de koning van Napels, zij zelf begonnen hun carrière onder diens bewind, en dat zou normaal gesproken het einde hebben moeten wezen van hun loopbaan toen Garibaldi de stad in 1860 veroverde. De twee broers konden echter de overstap naar het nieuwe regime maken dankzij hun vriend Giuseppe Fiorelli, de nieuwe toezichthouder in Pompeii. Het nieuwe Italië wilde betere archeologie en Fiorelli liet de opgravingen zorgvuldig in kaart brengen en documenteren. De Niccolini’s waren zijn favoriete kunstenaars en publiceerden vanaf 1854 tot hun dood in 1886 tientallen afleveringen van Le case ed i monumenti di Pompei disegnati e descritti. De reeks werd door Fausto’s zoon Antonio voortgezet, telde uiteindelijk 137 delen die uiteindelijk in vier banden opnieuw werden uitgegeven.

Lees verder “Pompeii als lithografie” →

Mina Kruseman

Mina Kruseman? Die dacht ik te kennen. Dat was een van de eerste feministes. Ze was ook de actrice die Multatuli’s Vorstenschool gespeeld kreeg en zelf de hoofdrol voor haar rekening nam, die vervolgens ruzie kreeg met de auteur over de royalties en die Douwes Dekker het briljant geformuleerde commentaar ontlokte dat één Multatuli blijkbaar slechts een vijfde Kruseman waard was. Ik meende verder te weten dat ze het conflict met Multatuli naar haar hand had weten te zetten, domweg doordat ze beschikte over meer mensenkennis. Het optreden van Kruseman in Marc van Oostendorps zaterdagse Multatuli-cursus op Neerlandistiek had me weinig aanleiding gegeven dat beeld beslissend te herzien en ik was eigenlijk wel nieuwsgierig toen Van Oostendorp verwees naar de Krusemanbiografie van Annet Mooij, Branie. (Full disclosure: ik heb Mooij twee of drie keer ontmoet.)

Nou, ik wist dus niks. Ja, Kruseman bewerkstelligde op het toneel de doorbraak van Multatuli en die was het oneens met haar over het geld, maar het conflict eindigde in een debacle voor haarzelf: het toneelgezelschap ontbond haar contract en verving haar door een andere actrice. Dat was echter maar een deel van de mislukking. Ze had geprobeerd een meer natuurlijke speelwijze te introduceren in het Nederlands toneel en dat was hiermee eveneens mislukt.

Lees verder “Mina Kruseman” →

Een archeologie-canon

Zomaar eens een foto van een archeologische stratigrafie

Gisteren bood ik op deze plaats een overzicht van een kleine veertig dingen die mensen zouden moeten weten over geschiedvorsing. Aangezien de historische canon van Van Oostrom / Kennedy geschiedenis presenteert als het ene feit na het andere, wilde ik toch eens benadrukken dat geschiedenis ook een wetenschap is.

Een van de trouwste lezers van deze blog, CK uit het archeologisch en historisch zo rijke Nijmegen, wees me erop dat een archeologiecanon ook niet zou bestaan uit een lijst van losse opgravingen, maar uit een lijst van methodische en technische vernieuwingen. In een telefoontje bespraken we dat archeologen, doordat ze de wetenschappelijke dimensie almaar niet benoemen en zich verschuilen achter de monumentenwetgeving, zélf de reden zijn waarom een staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat hij aan moet met musea vol opgegraven potten en pannen, waarom de limesvoorlichting zo verrekte contraproductief is, waarom een hoogleraar publiek begrip van wetenschap de raarste dingen kan vertellen over het Rijksmuseum van Oudheden en waarom De Volkskrant archeologie te onbelangrijk vindt om iets te rectificeren. Een Nijmegenaar herinnert zich natuurlijk ook de aquaductenaffaire en de affaire in de buurgemeente Cuijk.

Lees verder “Een archeologie-canon” →