Postumus

Munt met de triomf van keizer Postumus (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

Zoals ik gisteren vertelde, was het rond het jaar 260 na Chr. onrustig aan de Romeinse Rijngrens. Diverse stammen deden invallen in het imperium, waaronder de Franken. Ze werden bij Empel (vlakbij Den Bosch) verslagen door een zekere Postumus, misschien een Bataaf.

Diens overwinning was reëel genoeg om zijn manschappen ertoe te brengen hem uit te roepen tot keizer van een nieuw, onafhankelijk Gallisch Keizerrijk. Dat bleek een blijvertje. Postumus verzekerde de Rijngrens en introduceerde bovendien – er is geen bron die het vermeldt, maar er zijn archeologische vondsten – een nieuw type grensverdediging. Behalve de keten van forten langs de Rijn, de aloude limes, kwam er verder in het binnenland een tweede reeks versterkingen, bijvoorbeeld langs de weg van Amiens via Tongeren, Maastricht en Heerlen naar Keulen. Zo lagen er cavalerie-eenheden in Arras, Kortrijk en Tongeren.

Lees verder “Postumus”

De laatste heidenen

Severus Alexander (Museum van Dion)

Het is Romeinenweek en hoewel ik al schreef dat de Romeinen overal om u heen te zien zijn in allerlei musea of met een gids als Herman Clerinx, zijn er drie dingen die veel meer in het oog springen: het feit dat u woont in een stad, het feit dat u Nederlands spreekt en het feit dat deze zondag uw vrije dag is – met andere woorden, dat u leeft in een cultuur die is gevormd door het christendom. Zelfs onze geschiedbeelden zijn christelijk, zoals het idee waarmee ik deze reeks begon: dat er een machtige strijd tussen christenen en heidenen is geweest. Dat is, ietwat cru geformuleerd, christelijke propaganda.

Even terug naar het begin: er is de laatste jaren heel veel bekend geworden over de wortels van het christendom. Een belangrijke factor is dat eindelijk het embargo van de Dode Zee-rollen is opgeheven en we sinds 2009 beschikken over de volledige tekst, zodat we weten dat het materiaal dat daarvoor bekend was, nogal atypisch is. Pas nu begint het onderzoek naar het antieke jodendom pas echt. Een andere factor is het New Perspective on Paul, dat alles op z’n kop heeft gezet en duidelijk maakt dat Paulus nooit echt heeft gebroken met het jodendom. Meer dan vroeger zien we nu open communicatie tussen joden en christenen tot diep in de vierde eeuw: het is de openheid die het jodendom altijd heeft gehad.

Lees verder “De laatste heidenen”

Archeologische clichés

harzhorn

Als een journalist moet schrijven over archeologie, dan komen de clichés al snel ter tafel. Er zijn “verdwenen schatten” gevonden, er is een “geheim opgelost” en archeologen zoeken naar een “vergeten stad”. Alleen de sportjournalistiek lijkt nog meer clichés te gebruiken, al ben ik daar niet helemaal zeker van.

Soms gaat het cliché met de inhoud op de loop. Dan brengen de clichés schade toe aan de informatieoverdracht, zoals in de kop van het bericht hierboven.

Lees verder “Archeologische clichés”

De Historia Augusta met korting

Ik heb de afgelopen maand enkele keren geblogd over de Historia Augusta, een vierde-eeuwse collectie keizerbiografieën, waarin de grenzen tussen feit en fictie nogal wonderlijk door elkaar lopen. Een antieke mockumentary. Wie houdt van de Oudheid en kon lachen om This Is Spinal Tap, zit met de Historia Augusta gebeiteld. Het boek is sinds een paar dagen leverbaar in de mooie Nederlandse vertaling van John Nagelkerken, en is uitgegeven door Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Meer lezen hier. Kortingsbon downloaden daar [[dode link]].

Historia Augusta (9): Conclusie

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de negende van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

De Historia Augusta is, zoals aan het begin van deze inleiding al werd opgemerkt, vooral leuk om de maskerade, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat het appreciëren van de wetenschappelijke discussie een stevige kennis van het Latijn, van de taalkunde en van statistische methoden veronderstelt, om nog maar te zwijgen van een enorme belezenheid in de antieke literatuur. Zelfs de knapste geleerden hebben, in de ruime eeuw sinds Dessau, in feite maar weinig terreinwinst geboekt. Zeker, een datering in 375 verklaart meer dan een datering in 395, maar het is mogelijk dat binnen een jaar of wat een briljante onderzoeker weer een andere hypothese oppert, die nog meer, of juist heel andere dingen, zal verklaren.

Je hoeft echter geen halve eeuw studie van de laat-Romeinse literatuur achter de rug te hebben, zoals Alan Cameron, om toch plezier te beleven aan de Historia Augusta. Eén reden om de collectie van keizerbiografieën in vertaling te lezen is dat ze ons toont hoe een geletterde Romein naar de wereld keek. Hij geloofde in voortekens, had respect voor de senatoriële stand, was bang voor (en gefascineerd door) de vrouwelijke seksualiteit, verwachtte van hooggeplaatsten enige literaire belangstelling en had simpele morele opvattingen (“schurken kunnen niets uitrichten tegen onschuldigen”). Religieus was hij geen scherpslijper: de grote theologische discussies van de vierde eeuw, waarvan hij moet hebben geweten, schitteren door afwezigheid – een simpel gegeven dat iedereen die het boek als een heidens strijdschrift heeft willen typeren, te denken had moeten geven.

Lees verder “Historia Augusta (9): Conclusie”

Historia Augusta (8): De biograaf

Keizer Probus (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de achtste van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

De historicus Ammianus Marcellinus, die een indrukwekkende geschiedenis heeft geschreven van de periode waarin de Historia Augusta tot stand lijkt te zijn gekomen, onderbreekt zijn verhaal ergens om te klagen over de oppervlakkigheid van Romes geletterde klasse, die zijns inziens scholing haatte als vergif en te veel triviale lectuur las. Als voorbeelden noemt hij de satiricus Juvenalis, die in deze tijd inderdaad weer in de mode raakte, en Marius Maximus. Waarschijnlijk was ook de laatste opnieuw populair en vond de auteur van de Historia Augusta Maximus’ biografieën, die hij typeert als breedvoerig, maar niks. Mogelijk heeft hij daarom besloten leesbaardere keizerlevens te schrijven.

Toen hij de primaire biografieën had geschreven, wilde onze auteur echter meer, en hij voegde daarom de secundaire biografieën toe, die hij baseerde op het al eerder geschrevene. Het resultaat beviel hem weinig, en daarom begon hij informatie toe te voegen. Dat konden verzonnen documenten zijn, maar zijn opmerkingen over de naam “Antoninus” (die in de primaire en secundaire biografieën nooit tegelijk voorkomen met verzonnen documenten) lijken hem aanvankelijk meer bevrediging te hebben gegeven. Hij besteedt er althans opvallend veel ruimte aan. De reden zou kunnen zijn dat hij met de Antoninus-passages enig verband legde tussen de afzonderlijke biografieën en zo eenheid oplegde aan zijn stof.

Lees verder “Historia Augusta (8): De biograaf”

Historia Augusta (7): Vergeten aristocraten

Gallienus (Altes Museum, Berlijn)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de zevende van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

Beide hypothesen – een datering rond 375 of rond 395 – zijn mogelijk. Dezelfde feiten kunnen erdoor worden verklaard. Camerons eerdere datering kan echter méér feiten verklaren, en verdient daarom de voorkeur. (Deze vuistregel om tussen twee concurrerende hypothesen te kiezen, staat bekend als “excess empirical content”.)

Lees verder “Historia Augusta (7): Vergeten aristocraten”

Historia Augusta (6): Godsdiensttwisten

Balbinus (Archeologisch Museum, Selçuk)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de zesde van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

In de lente van 311 maakte keizer Galerius een einde aan de christenvervolgingen en even later vaardigde zijn opvolger Licinius het “edict van Milaan” uit, waarmee het christendom niet alleen werd toegestaan, maar de gelovigen ook restitutie kregen voor de tijdens de vervolgingen geleden schade. Licinius’ collega-keizer Constantinus, die heerste over een gebied zonder veel christenen, tekende het edict eveneens en zette de prochristelijke politiek voort toen hij in 324 de macht in Licinius’ provincies kreeg. Constantinus’ zonen namen het beleid over. Toen deze generatie was uitgestorven en in 363 een andere dynastie aan de macht kwam, committeerden de nieuwe heersers zich eveneens aan deze koers.

Lees verder “Historia Augusta (6): Godsdiensttwisten”

Historia Augusta (5): maskerade

Gordianus III (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de vijfde van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

In 1889 publiceerde de Duitse oudheidkundige Hermann Dessau een beroemd geworden artikel, waarin hij als eerste het vermoeden uitsprak dat de auteurs van de Historia Augusta later schreven dan ze aangaven. Omdat de biografieëncollectie voor het eerst wordt geciteerd in een tekst uit 485, is het denkbaar dat ze pas zeer veel later is ontstaan. Daarnaast opperde Dessau dat het wel eens zou kunnen gaan om slechts één auteur, die zich dus bediende van zes pseudoniemen. Niet elke oudheidkundige wilde dit onmiddellijk aanvaarden. Dessaus beroemde collega Theodor Mommsen, die in 1902 de Nobelprijs voor de Letteren zou krijgen, meende dat de Historia Augusta wel degelijk aan het begin van de vierde eeuw was geschreven maar veel later was bewerkt. Ook in deze theorie werd het aantal auteurs echter drastisch teruggebracht.

Lees verder “Historia Augusta (5): maskerade”

Historia Augusta (4): bronnen

Caracalla (Nationaal Museum van Denemarken, Kopenhagen)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de vierde van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

Moderne historici beschikken over een scala aan informatiebronnen. Traditioneel houden ze zich bezig met de oude teksten waarvan de inhoud, zoals we hierboven al zagen, kan worden bevestigd en gecorrigeerd door middel van inscripties en munten. Ook de resultaten van archeologische opgravingen zijn belangrijk. Zo blijkt keizer Postumus een militaire vernieuwer van formaat te zijn geweest, die de zojuist genoemde reorganisatie van de grensverdediging een halve eeuw vóór was. Dat de auteurs van de Historia Augusta slechts enkele zinnen wijden aan deze grote generaal, illustreert hun zorgeloze omgang met de historische feiten.

Lees verder “Historia Augusta (4): bronnen”