Voor-westerse geschiedenis (8) de zeeën

Straat van Gibraltar

Oké, daar gaat ’ie. Dit blogje gaat over de Adriatische Zee, de Alboránzee, de Balearische Zee, de Egeïsche Zee, de Ikarische Zee, de Ionische Zee, de Kretenzische Zee, de Levantijnse Zee, de Libische Zee, de Ligurische Zee, de Myrtoïsche Zee, de Sardijnse Zee, de Thracische Zee, de Tyrrheense Zee en de Zee van Marmara. En verder gaat het over de Atlantische Oceaan, het Aralmeer, de Indische Oceaan, de Kaspische Zee, de Noordzee, de Oostzee, de Perzische Golf, de Rode Zee en de Zwarte Zee. Alles bij elkaar vierentwintig zoute watervlakten.

Wij noemen de eerste vijftien samen de Middellandse Zee, maar al die wateren hebben andere eigenschappen. Dat krijg je ervan als je zo’n verfrommeld landschap hebt. Dat de Romeinen spraken van Mare Nostrum, “onze zee” in enkelvoud, was een weinig subtiele manier om te zeggen dat ze vele volken en landen hadden overwonnen.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (8) de zeeën”

Garum, de Romeinse vissaus

Garum-kuipen (Lixus)

Het moet verschrikkelijk hebben gestonken, de productie van garum. Het heette in de Late Oudheid ook wel liquamen en was een soort vissaus, die het meest lijkt op de Vietnamese vissaus die u koopt bij de toko. De Romeinen waren er dol op.

Het vermoeden bestaat dat het product is ontstaan aan de Perzische Golf, waar de Babyloniërs al in de achttiende eeuw v.Chr. siqqu produceerden. Ook de Feniciërs kenden het spul, en zij gaven het recept door aan de Karthagers en Griekenland. Het werd populair in Andalusië, waar Cartagena een reputatie had hoog te houden voor kwaliteitsproducten. Daarvandaan kwam deze saus naar Italië, waar koks garum in allerlei gerechten verwerkten. Artsen schreven het overigens voor bij zweren, hondenbeten, diarree en buikgriep.

Lees verder “Garum, de Romeinse vissaus”

Middeleeuws Byblos

De Grieks-Orthodoxe kerk van Byblos

Vandaag begint in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden de expositie over Byblos, waarover ik al een slordig half jaar elke week heb geblogd. Ik heb dat met plezier gedaan. Libanon is me dierbaar, ik gun de Libanezen leukere publiciteit dan waarmee ze doorgaans in het nieuws komen, en ik heb bij elk bezoek fijne dagen doorgebracht in Byblos. Oftewel, zoals het nu heet, Jbeil.

Modern Byblos

Jbeil heeft een aardige souq vol kleine winkeltjes, waarvan er een onderdak biedt aan een piepklein fossielenmuseum. (Over de fossielen van Byblos is ook een interessant verhaal te vertellen, maar dat deed ik al eerder: hier.) Het haventje is tegenwoordig vooral in gebruik voor wie de Levantijnse Zee wil bevaren, zoals vissers en de eigenaren van plezierjachten. Er is een wassenbeeldenmuseum en er zijn wat cafés, waarvan sommige betere dagen hebben gehad. Ik eet graag in Al-Bahr, wat gewoon “zee” betekent. Het ligt even buiten de stad, naar het noorden, aan het strand.

Lees verder “Middeleeuws Byblos”

De haven van Byblos

Links de dichtsgeslibde zuidelijk haven van Byblos

De trouwe lezers van deze blog weten het: medio oktober begint in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over Byblos en met David Kertai maakte ik het publieksboek. Byblos is interessant omdat het feitelijk de eerste wereldhaven is. Dankzij de rivier de Adonis, waarover ik afgelopen maandag blogde, was het eenvoudig cederhout uit de Libanonbergen naar de Levantijnse Zee-kust te brengen. Overigens is “eenvoudig” hier zéér relatief. Bijlen waren in de Bronstijd vrij klein. Bovendien voert ook een Adonis nog niet zo simpel boomstammen met zich mee.

Dat gezegd zijnde: Byblos exporteerde het hout naar Egypte en groeide uit tot een internationale haven. Maar waar legden de schepen aan? Even een kengetal: een zeevarend schip was al gauw een meter of veertig lang. De boot die is opgegraven bij de piramide van Khufu meet 43½ meter. Het Egyptische Verhaal van de Schipbreukeling noemt schepen met een lengte tussen de 54 en 63 meter.

Lees verder “De haven van Byblos”

Byblos in de Bronstijd

Het torentempeltje bij de Grote Residentie van Byblos, met ankerstenen onder de hoek links vooraan

Ik beschreef gisteren hoe Byblos was ontstaan: rond 3000 v.Chr. was het al een internationaal handelscentrum van betekenis, dat contacten had met Anatolië, Soedan en Baktrië. Dat veranderde in de Bronstijd niet. De stad exporteerde cederhout, gekapt op de westelijke hellingen van het Libanongebergte. Naar Byblos geïmporteerde producten als olijfolie en wol werden verder verhandeld aan het Egypte van de dynastieën 34 en 5, (ca. 2675-2350 v.Chr.). Daarvandaan kwamen papyrus, graanproducten, touw, peulvruchten en vlas, zaken die de Bybliërs weer vanaf de Levantijnse Zee exporteerden naar Anatolië en Mesopotamië.

Naast de handel kende Byblos ook visserij, akkerbouw en veeteelt. De enorme welvaart van de stad blijkt wel uit de “Grote Residentie”, die ruim 900 vierkante meter groot was. Daarnaast stond een tempeltje dat was versierd met ankerstenen. Je kunt je voorstellen hoe een dankbare schipper zijn anker als bedankje heeft achtergelaten in het heiligdom van het Bronstijdequivalent van Sint-Nikolaas, de beschermer van de zeevarenden. Het viel me afgelopen december pas voor het eerst op: bij eerdere gelegenheden moeten de ankers overwoekerd zijn geweest door gras. Grappig genoeg zag ik dezelfde decoratie deze lente ook in het aanzienlijke jongere Kition op Cyprus.

Lees verder “Byblos in de Bronstijd”

Het ontstaan van Byblos

De bron van Byblos

Je hebt steden, je hebt steden en je hebt Byblos in Libanon, dat een van de oudste steden ter wereld is. Het is ook een van de mooiste opgravingen die ik ken, al vermoed ik dat de wijze waarop een en ander wordt gepresenteerd, anno vandaag de dag niet meer mogelijk is. Daarover eerst een woord.

Zoals u weet kennen opgravingen vaak diverse lagen en dat betekent normaliter dat je als archeoloog het publiek maar één laag kunt tonen. Als je Troje VI toont, kun je op die plek niet ook Troje II tonen, dat er immers onder verborgen ligt. De opgravers van Byblos hebben dit probleem opgelost door de gebouwen simpelweg over te plaatsen: het Romeinse odeon ligt nu apart in het noordwesten van de site, maar lag ooit bovenop de “tempel met de obelisken”, die op zijn beurt weer lag boven de “L-vormige tempel” en nu een eindje verder in het oosten is gelegd. Wat ooit verticaal boven elkaar lag, is dus nu horizontaal gescheiden geraakt. Dat is geen heel wetenschappelijke manier om een opgraving te conserveren, maar voor de bezoeker is het ideaal. Jammer genoeg zijn er zelden bezoekers: ik ben er vier of vijf keer geweest en heb er nooit meer dan vier of vijf andere bezoekers gezien. En dat terwijl er zo verschrikkelijk veel moois is te zien.

Lees verder “Het ontstaan van Byblos”