De Romeinse keizers van Gallië (2)

Tetricus, de laatste heerser van het Gallisch Keizerrijk (Bodemusem, Berlijn)

Omdat het Gallisch Keizerrijk zo goed was georganiseerd, kon het zijn stichter overleven. Postumus’ einde kwam in 269. Zijn munten waren altijd van hoger gehalte geweest dan die van Gallienus en diens opvolger Claudius II Gothicus, maar in 268 verlaagde de Gallische keizer onverwacht de hoeveelheid zilver in zijn munten. Het lijkt onrustig te zijn geweest en een zekere Laelianus riep zichzelf uit tot keizer, bezette de munt in Keulen en maakte Mainz tot hoofdstad. Postumus onderdrukte de opstand, stond zijn soldaten niet toe Mainz te plunderen en werd daarop door zijn eigen mannen gedood.

Zijn opvolger heette Marius en is een wat schimmige figuur. Hij werd vrijwel meteen vervangen door de commandant van de praetoriaanse garde van het Gallisch Keizerrijk, Victorinus. Ook die is een beetje kleurloos, al schijnt zijn huis in Trier te zijn geïdentificeerd. We weten alleen dat hij in 266 of 267 het consulaat deelde met Postumus en we mogen daarom aannemen dat hij de rechterhand van Postumus was. Hij lijkt de stad Autun te hebben moeten belegeren, maar in 270 was hij de situatie voldoende meester en het zegt veel over de stabiliteit van het Gallisch Keizerrijk dat de Germaanse stammen zich in deze crisis rustig hielden.

Lees verder “De Romeinse keizers van Gallië (2)”

De Crisis van de Derde Eeuw

Geen publicatie, zelfs geen blogje, over de Crisis van de Derde Eeuw is compleet zonder de Ludovisi-sarcofaag (Palazzo Altemps, Rome)

Elke week schrijf ik een stukje naar aanleiding van het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, waarin ik inmiddels ben aangekomen bij wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Eigenlijk is dat een verkeerde naam. We zouden beter kunnen spreken van crises, meervoud. De hippe term is polycrisis: de oplossing van de ene crisis bemoeilijkt de oplossing van de andere en andersom. Noem het desnoods een clusterfuck. Ik zal volgend jaar op enkele aspecten ingaan, maar neem u vandaag even mee naar een ander, net verschenen boek, Augusti. Niet altijd zo verheven van Johan Hendriks.

Dat gaat dus over de Romeinse keizers, waarvan er in de derde eeuw nogal veel zijn geweest. Het sterke van het boek is dat het niet alleen gaat over de gebruikelijke reeks staatsgrepen en doodsoorzaken. Die aspecten zijn immers even sensationalistisch als uitgemolken. Hendriks behandelt ze wel, maar heeft ook het veel interessantere perspectief van het keizerschap als een zich voortdurend ontwikkelende rol. Een rol die zich ontwikkelde in wisselwerking met de veranderende omgeving. Dit dwingt Hendriks tot het geven van een systematisch overzicht van de derde-eeuwse crises. Hij noemt er vijf: een bestuurlijke crisis, een militaire crisis, een economische crisis, een veiligheidscrisis en tot slot een geloofwaardigheidsprobleem.

Lees verder “De Crisis van de Derde Eeuw”

Circus Maximus (3)

Wagenmenner uit het Circus Maximus (Palazzo Massimo, Rome)

[Laatste van drie stukjes over het Circus Maximus in Rome. Het eerste was hier.]

Keizer en volk

Zelfs keizers en gladiatoren waren minder populair dan wagenmenners. Gezien hun populariteit deed een keizer er goed aan zich te vertonen in zijn loge in het Circus. Iets van de populariteit van de sportlieden straalde dan op hem af. Bovendien kon de vorst, door openlijk te delen in de emoties die de races opriepen, tonen dat hij niet van zijn onderdanen verschilde. Zo bezien deed keizer Marcus Aurelius het verkeerd:

Hij had de gewoonte tijdens de Circusvoorstellingen te lezen, te luisteren en te signeren, en het verhaal gaat dat de menigte hem daarover dikwijls schertsend heeft gekapitteld. (Historia Augusta, Marcus Aurelius 15.1)

Lees verder “Circus Maximus (3)”

Historia Augusta (7): Vergeten aristocraten

Gallienus (Altes Museum, Berlijn)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de zevende van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

Beide hypothesen – een datering rond 375 of rond 395 – zijn mogelijk. Dezelfde feiten kunnen erdoor worden verklaard. Camerons eerdere datering kan echter méér feiten verklaren, en verdient daarom de voorkeur. (Deze vuistregel om tussen twee concurrerende hypothesen te kiezen, staat bekend als “excess empirical content”.)

Lees verder “Historia Augusta (7): Vergeten aristocraten”