Misverstand: Stad der steden

Geen “Stad der steden” maar “eeuwige stad”: de bij mijn weten oudste vermelding van de “urbs aeterna”, uit de tijd van keizer Maxentius (r.306-312), wiens naam in de vijfde regel is uitgewist (EDCS-24100628)

Er is genoeg lelijks om de stad Rome te haten. Romofobe scheldgedichten en andere aanklachten vormen een literair genre op zich. Er is ook genoeg interessants in Rome om de stad intens lief te hebben en er zijn ook talloze romofiele teksten. De lofprijzing is een derde genre. Hier is een antiek voorbeeld:

Uit ieder land en uit elke zee wordt aangevoerd wat de seizoenen laten groeien en wat alle landen, rivieren, meren en ambachten … voortbrengen. Stel dat iemand dat allemaal wil zien, dan moet hij óf de hele bewoonde wereld afreizen óf verblijven in Rome. Het kan niet anders of al wat bij ieder volk groeit en wordt geproduceerd, is hier altijd in overvloed aanwezig. … Nooit ontbreekt het er aan binnenlopende en uitvarende schepen. Het is dan ook niet alleen een wonder dat de haven voldoende ruimte biedt voor de vrachtschepen, maar ook dat de zee niet vol raakt! Wat men hier niet kan zien, heeft niet bestaan of bestaat niet.

Lees verder “Misverstand: Stad der steden”

Misverstand: De triomfboog van Titus

De triomfboog van Titus (rechts), vele jaren geleden.

Misverstand: De triomfboog van Titus staat bij het Forum Romanum

Na de verwoesting van Jeruzalem vierde generaal Titus in Rome een triomftocht, en elke reisgids voor Rome vermeldt dat de toen gebouwde triomfboog staat op de heuvelrug tussen het Forum Romanum en het Colosseum. De boog is inderdaad gewijd aan Titus, maar de inscriptie maakt duidelijk dat het monument geen triomfboog kan zijn. Er is namelijk geen sprake van glorieuze overwinningen, maar wel van de divus Titus, “de vergoddelijkte Titus”. En aangezien keizers gewoonlijk pas na hun overlijden onder de goden werden opgenomen, moet het monument dateren van na Titus’ dood.

De echte triomfboog stond een paar honderd meter verder naar het zuiden in de bocht van het Circus Maximus. Een middeleeuwse reiziger, aangeduid als de Anonymus van Einsiedeln, heeft het overwinningsteken – dat later is gesloopt – nog gezien en citeert het opschrift:

Lees verder “Misverstand: De triomfboog van Titus”

Romeins kannibalisme

Het slachten van varkens in de winter was in elke voorindustriële samenleving belangrijk: dit detail van Breughels “Volkstelling in Betlehem” kan zó worden toegepast op de situatie in het antieke Rome.

Het is al heel lang bekend: als de mensheid nog toekomst wil hebben, zullen we in het rijke noorden een stap terug moeten doen. Vleesconsumptie zal zeldzaam worden. (Ironie: ik schrijf deze woorden net nadat ik een stuk kip in de oven heb gezet.) Minder vlees is ook niet zó heel erg, want het is eigenlijk een nogal inefficiënt voedingsmiddel. Als iemand van alleen vlees en zuivel zou moeten leven, is twee-en-een-half voetbalveld nodig om hem te voeden, terwijl een even grote akker met graan twaalf mensen kan voeden.

In het Romeinse Rijk, met zijn onderontwikkelde economie, was vlees dus zeldzaam. Mensen aten vooral graanproducten, met als gezonde aanvullingen de vruchten van de wijnrank en de olijfboom. Plus natuurlijk nog wat fruit. Als een gewone Romein al vlees at, zal het zijn gegaan om spek, lever, haas, ham en andere delen van de varkens die in de wintermaanden werden geslacht. Als je bedenkt dat deze dieren afval eten, is het niet zo vreemd dat bijna de helft van alle bekende amuletten betrekking heeft op maagkramp. De Romeinen legden dit verband overigens niet.

Lees verder “Romeins kannibalisme”

Byzantijnse krabbel (7): Walvis

Walvis op een gevelsteen (Elleboogsteeg 12, Amsterdam)

Nee, dat dit Byzantijnse krabbel numero zeven is, wil niet zeggen dat u er zes hebt gemist. De waarheid is dat ik een klein dozijn in de pen heb om later te publiceren, maar dat één ervan ineens actueel is, zodat ik die nu naar voren haal. Het is een geweldige anekdote uit de Geschiedenis van de oorlogen van Prokopios, een zesde-eeuwse hoveling uit de tijd van keizer Justinianus (r.527-565).

In die tijd werd de walvis (κῆτος) gevangen die de inwoners van Constantinopel Porfyrios noemden. Het dier had Byzantium en omliggende steden zo’n vijftig jaar lastig gevallen, hoewel niet aan een stuk. Soms was het er voor enige tijd niet, maar op andere momenten bracht het schepen tot zinken en joeg het de opvarenden van andere schepen zoveel schrik aan dat ze lange omwegen maakten. Het was daarom een punt van aandacht voor keizer Justinianus om het dier te vangen.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (7): Walvis”

Fietsen naar Thessaloniki: Rome

Rome, Monte Testaccio

Wat doet iemand die, zoals beschreven in de eerdere delen van dit zomerfeuilleton, 2100 kilometer heeft gefietst om in Rome aan te komen? Hij gaat nog een eind fietsen natuurlijk, want hij is weliswaar binnen de Grande Raccordo Anulare maar nog niet in Romes historische centrum.

Rome

En dus peddelde ik langs de laatste kilometers van de Via Flaminia. Bij de Milvische Brug stak ik de Tiber voor de laatste keer over en over de verder kaarsrechte weg reed ik naar de Porta del Popolo, waar onderdoor ik de oude stad binnenkwam. Over de Via del Corso – nog steeds kaarsrecht, nog steeds eeuwenoud, nog steeds in gebruik – reed ik richting Capitool.

De fiets heb ik neergezet voor het Conservatorenpaleis en dat was dat. Het eerste deel van mijn reis zat erop.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: Rome”

Monnica

Grafschrift van Monnica (Sant’ Aurea, Ostia)

In de tijd waarin ik werkte aan Stad in marmer ging ik tweemaal per jaar naar Rome. Daar kon ik woonruimte huren in Ostia, een ietwat slaperig dorpje bij de kust waar het goed toeven was. Er was een coöperatie voor de boodschappen, er was een barretje voor espresso, er was een opticien die ook diarolletjes ontwikkelde en er was een stationnetje om de sneltram te nemen naar hetzij het strand hetzij het historische centrum. En er was de opgraving van de oud-Romeinse stad aan de monding van de Tiber. Ik heb er fijne tijden doorgebracht.

In de jaren tachtig van de vierde eeuw na Chr. woonde Augustinus hier, samen met zijn moeder Monnica. Als we Augustinus’ woorden mogen geloven, had Monnica het maar niets gevonden dat hij een tijd lang een manicheeër was geweest, een aanhanger van een dualistisch godsdienst die we dankzij enkele vrij recente tekstuitgaven pas de laatste tijd beginnen te doorgronden. Ondanks haar bedenkingen – of misschien wel juist daarom – volgde Monnica haar zoon vanuit hun geboorteland Algerije naar Italië, waar zoonlief carrière maakte als redenaar.

Lees verder “Monnica”