Hofdame (Tang-dynastie; Museum für Kunst und Gewerbe, Brussel)
[Dit is laatste van drie blogjes over de geschiedenis van China. Het eerste was hier. In de tussentijd zijn we alweer een stap verder met de tijdcategorieën: als het goed is, zitten ze nu netjes achter een uitklapraampje. Bedankt Kees!]
Verdeeldheid
In de vroege derde eeuw na Chr. kwam een einde aan de Han-dynastie. Al sinds de jaren 180 was er onrust en streden war lords om de macht; in 220 trad de laatste Han-keizer af. Het is aantrekkelijk een verband te leggen met het einde van het klimaatoptimum. En zoals het Romeinse Rijk in de derde eeuw een crisis doormaakte, zo geraakte ook China in de problemen. De tijd tussen 220 en 280 staat bekend als de Periode van de Drie Koninkrijken.
Wandtegel uit de Han-periode (Wereldmuseum, Leiden)
[Dit is het tweede van drie blogjes over de geschiedenis van China. Het eerste was hier.]
Hereniging
Het was een chaotische tijd, waarin de kleine staten onderling streden. Gaandeweg bleven er maar zeven over. Ook die voerden oorlog en de periode na 481 staat daarom bekend als de Periode van de Strijdende Staten. Officieel was er nog steeds een hoge koning, maar die had alleen in Luoyang nog iets te vertellen. Uiteindelijk won de westelijk staat Qin het conflict. Ons woord “China” is een verbastering van Qin.
Detail van een muurschildering uit de villa bij Maasbracht (Limburgs Museum, Venlo)
Het is een gemeenplaats dat het Romeinse Rijk een agrarische wereld was. Je kunt als vuistregel nemen dat negen boeren het eten produceerden voor tien mensen. Als we optimistisch zijn, waren tijdens het Romeins Klimaatoptimum acht boeren genoeg. In een zó agrarische samenleving hebben ook degenen die nooit ploegden en nooit met een kudde op pad gingen, een vanzelfsprekende boerenmentaliteit. Een schatrijke Romeinse senator als Plinius de Jongere stelde groot belang in het verwerven van de juiste gronden en het aantrekken van de juiste pachters. Zelfs de aanleg van een siertuin had zijn aandacht. (Vincent Hunink verzamelde Plinius’ teksten over het landelijk leven in een boekje dat Mijn landhuizen heet. Ik schreef er al eens over.)
Wat is een villa?
Dit betrof dus de landhuizen van iemand aan de top van de maatschappelijke elite van het oude Italië. We noemen die landhuizen vaak villa’s, maar dat is een onhandige term. Het Latijnse woord heeft namelijk de betekenis van “exploitatie-eenheid” en slaat niet zelden op betrekkelijk kleine bedrijven. Bovendien denken wij, eentwintigste-eeuwers, bij een villa aan een rustiek gelegen buitenhuis of een bungalow met een grote tuin. In de Oudheid gaat het toch meer om plantages waar slaven en deelpachters hard werkten om voldoende te produceren. Naast het bedrijfsgedeelte, de pars rustica, was er een woongedeelte, de pars urbana, doorgaans simpel.
Afname van het zilvergehalte in de Romeinse munten van Augustus tot de crisis van de derde eeuw; elke staaf geeft een keizer aan (klik=groot)
Ik blogde eind vorig jaar al over de Crisis van de Derde Eeuw. Het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, beschrijft die iets anders, maar behandelt dezelfde factoren. De nadruk ligt daarbij op het militaire aspect. De Sassanidische Perzen waren vervaarlijk, net als nieuwe Germaanse federaties, zoals de Franken. De Romeinse suprematie was niet meer vanzelfsprekend. (Zelf zou ik het cliché dat de Romeinen weleens een “verpletterende nederlaag” leden, niet hebben gebruikt.)
Omdat er na de dood van keizer Severus Alexander in 235 geen algemeen aanvaarde dynastie meer was, was de macht onzeker. Het keizerschap degenereerde tot militaire despotie en we duiden de jaren tot 284 wel aan als de tijd van de Soldatenkeizers. De grens tussen keizer, tegenkeizer en usurpator was vloeiend. Keizer Gallienus zou het leger hebben hervormd door grote mobiele eenheden te formeren, bestaand uit betrekkelijk veel cavalerie en infanterie uit de aloude legioenen. Postumus’ aanpassing van de grensverdediging, die zo mooi is gedocumenteerd in de Lage Landen, blijft opmerkelijk genoeg onvermeld. Ik kom hierop in een volgend blogje terug. De militarisering van de samenleving had gevolgen:
Het Romeins klimaatoptimum maakte de bewoning van de woestijn mogelijk. Dit is het badhuis van Bu Njem. Uit ostraca weten we dat er zelfs genoeg hout was om het warm te stoken.
Al ruim twee jaar schrijf ik elke week een stukje over de laatste druk van het handboek waaruit ik ooit oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Dat doe ik niet om de auteurs de levieten te lezen, maar om te kijken of mijn kennis in de pas loopt met recente inzichten. Ik schrijf dan meestal over zaken die de auteurs, een handboek zijnde een handboek, moeten overslaan of vereenvoudigen. Feitelijk verken ik de stof van het werkcollege naast het handboekcollege, waarbij de docenten de complexiteit uitleggen. Soms denk ik echter: dit moet echt anders. Zoals nu. Een van de grote innovaties van de eenentwintigste eeuw ontbreekt: de klimaatwetenschap. Ik lees broksgewijs en kan iets over het hoofd zien, maar het Romeins klimaatoptimum lijkt onvermeld te zijn.
Wetenschapsleer voor eerstejaars
Verplaats u even in de eerstejaarsstudent voor wie het handboek is bedoeld. Die leert bij de colleges wetenschapsleer dat onderzoekers werken met data – denk aan opgravingen, denk aan tekstuitgaven – maar dat patronen niet spontaan zichtbaar worden. Die herken je pas als je een vraag gaat stellen en die vraag is een reactie op de actualiteit. Vandaar het hoge in-de-Oudheid-hadden-ze-ook-gehalte van mijn vak: terwijl de huidige onderzoekers kijken naar ecologische en klimatologische kwesties, keken ze in de jaren negentig naar globalisering en wereldgeschiedenis, was in de jaren tachtig gender een populair onderwerp en was er in de jaren zeventig aandacht voor de sociale en economische verhoudingen. Je vertrekpositie verandert voortdurend. En dus verandert ook de Oudheid voortdurend.
Bijna elke week blog ik over de laatste druk van het handboek waaruit ik in 1985 oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Het hoofdstuk over de Romeinse vroege republiek vat de ontwikkeling van het Romeinse gemenebest in de vijfde, vierde en vroege derde eeuw samen als twee grote processen:
Dat laatste conflict betreft de complexe sociale geschiedenis, waarin een aristocratisch bestel gaandeweg plaatsmaakt voor een oligarchie. Geen ongebruikelijk proces in de Mediterrane geschiedenis. Voor Rome bestond de erfenis uit een complex stelsel van magistraturen. Ik heb het allemaal weer eens nagelezen en heb geconstateerd dat er sinds mijn studietijd weinig aan inzicht is veranderd. Anders gezegd, ik leerde niets nieuws en ik heb er niets aan toe te voegen dat voor u interessant zou kunnen zijn. Of u zou erg geïnteresseerd moeten zijn het Romeinse staatsrecht en dan is dit boek meer iets voor u. De auteur won de Nobelprijs.
Een moderne abacus in Kokand, vrijwel onveranderd sinds de Oudheid.
Stuur uw vragen maar in, schreef ik, en wie weet of ik ze beantwoorden kan rond oud en nieuw. Eerdere afleveringen hier, hier en hier.
16. Vraag via de blog: Waarom hadden de Romeinen zo onhandig getallensysteem?
Daarop zijn twee tegenstrijdige antwoorden mogelijk. Het ene: de Romeinse cijfers zijn niet zo onhandig. Kijk maar eens hoe snel mensen op een abacus kunnen rekenen met vijf- en tientallen. Het tegengestelde antwoord: het is inderdaad een ramp, net als de Griekse cijfers/letters. En het is hun eigen Romeinse schuld. Toen keizer Trajanus de culturele hoofdstad Babylon innam, had men daar de nul al ontdekt. De veroveraar begreep het belang niet en de Romeinen namen deze vorm van plaatsnotatie niet over.
Stuur uw vragen maar in, schreef ik, en wie weet of ik ze beantwoorden kan rond oud en nieuw. Ik beantwoordde in het eerste stukje de eerste vier vragen en in het tweede stukje de vragen vijf tot en met tien. We gaan vandaag verder.
11. Vraag via de mail: Wanneer kozen de Romeinen ervoor om de Griekse godenwereld over te nemen en wat dreef hen daartoe?
Business as usual. Elk volk in de Oudheid nam de goden van de buren over. De Romeinen deelden goden met de Sabijnen (zoals Janus), met de Etrusken (zoals Minerva), met de Grieken (zoals Hercules). Vaak stelde men goden met bekende namen gelijk aan vreemde goden, zodat de Romeinse Jupiter dezelfde kon zijn als de Etruskische Tinia, de Griekse Zeus of de Babylonische Marduk. De Romeinse Liber Pater was dan weer gelijk aan de Griekse Dionysos, aan de Indische Vishnu en aan de joodse Jahweh. Ik noem dit voorbeeld omdat de Grieken de naam Liber Pater weer overnamen van de Romeinen en hun Dionysos zo gingen noemen. De vakterm voor de gelijkstellingen is syncretisme.
Toen collega Herman Clerinx, de auteur van een tof boek over de Romeinse aanwezigheid in de Lage Landen, hoorde dat ik voornemens was vorige maand te gaan fietsen in de Franse Maasvallei, attendeerde hij me op het Romeinse fort bij Vireux-Molhain. Dat ligt ruwweg halverwege Givet, het eerste stadje dat je in Frankrijk tegenkomt, en Fumay. Clerinx zei nog dat het lastig bereikbaar was.
Dat heb ik geweten.
De Mont Vireux, net als het dorpje vernoemd naar een Keltische riviergodin Viruwa, is een puist die ruim tachtig meter boven de Maas uitsteekt. Je moet een gigantisch eind omfietsen om de heuvel op te komen. Vertrouw daarbij niet op Google Maps, want daarop staan niet-bestaande paden aangegeven. De enige manier om er te komen is vanaf dit punt, dat voor een fietser bereikbaar is door een enorme slinger te maken die begint bij de Rue du 18 Juin 1940 en dan verder te gaan over de straat met de goede naam Derrière les roches. Vanaf het punt waar ik zojuist naar linkte, kun je alleen nog wandelen.
Een herder met een struisvogel, een haan en een schaap (Wadi Imla)
Als het gaat om antiek materiaal, heb je vandalen en vandalen. Je hebt er die ruïnes plunderen om de vondsten te gelde te maken en je hebt er die verlost willen zijn van erfgoed dat hun niet bevalt. De eerste categorie zal het zichzelf niet al te moeilijk maken en richt zich op plekken waarvandaan de oudheden snel kunnen worden afgevoerd; de tweede groep ziet er geen been in naar moeilijk bereikbare plaatsen te gaan om de boel kort en klein te slaan. Het berichtje, alweer een jaar of wat geleden, dat in Libië mensen diep de woestijn in waren getrokken om daar prehistorische kunst kapot te gaan maken, behoort tot die tweede categorie. Het is pure haat.
Wilde fauna
Terwijl het juist zo boeiend is dat de Sahara ooit een savanne is geweest waar mensen de rotswanden versierden met reliëfs en schilderingen. Er is in het zuiden van Libië van alles te zien: jagers, dansers, krijgers en zelfs zwemmers. Oké, de beroemde “Cave of the Swimmers” is in Egypte maar u snapt mijn punt.
Het is des te fascinerender als we zien hoe oud de woestijnkunst is. Dit is geen primitieve imitatie van Griekse of Romeinse kunst, zoals kunsthistorici aanvankelijk dachten, maar is eeuwen ouder. Dat werd alleen pas duidelijk toen het prehistorische klimaat een beetje werd begrepen, toen was gebleken dat dit gebied ooit een savanne, ja zelfs bos was geweest en toen kon worden beredeneerd welke dieren op welk moment over de savanne zwierven.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.