Faits divers (45)

Hammamet

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer één nieuwtje en wat trivia. Niets wereldschokkends, al had het eerste bericht wel wat meer aandacht in de Nederlandse media mogen hebben.

Houthonger

Eerst dus dit geweldige artikel over de “houthonger” van de Romeinen. Je kunt aan de hand van jaarringen van alles en nog wat vaststellen: de ouderdom natuurlijk, en de herkomst van het gekapte hout, maar ook de ouderdom van de boom op het moment dat die werd gekapt. Dat de gevelde bomen in de loop van de derde eeuw na Chr. steeds jonger werden, bewijst dat de oude, dikke en meest geschikte bomen al op waren. Dat past perfect bij wat we al wisten: dat er houtschaarste was. Er zijn bijvoorbeeld klachten bekend over badhuizen die niet voldoende warm werden gestookt – en dan lezen we dus dat de burgemeester in het koude water wordt gejonast.

Lees verder “Faits divers (45)”

De Franken van Nebisgast tot Elegast

Eindelijk, eindelijk, eindelijk: er is een nieuw boek over de Franken. Het heet De Wereld van Clovis. De Val van Rome en de Geboorte van het Westen en is geschreven door de Vlaamse historicus Jeroen Wijnendaele. Niet dat er helemaal nooit iets wordt gepubliceerd over de mensen die ik gemakshalve even “onze voorouders” zal noemen. We hebben bijvoorbeeld het boek van Luit van der Tuuk. Maar de Franken, die lange tijd toch golden als het begin van de Nederlandse identiteit, hebben het de laatste twintig jaar publicitair moeten afleggen tegen de Romeinen. Een boek over de Franken is daarom welkom.

En niet uit nostalgie naar een traditioneler geschiedbeeld. De Late Oudheid is belangrijk en krijgt de laatste tijd eindelijk de aandacht die ze verdient. Recent onderzoek leidt tot nieuwe inzichten, zoals de muntschat die in 2017 is ontdekt bij Lienden: nog in 461 had Rome invloed in het Nederlandse rivierenlandschap. De Franken zijn echter niet alleen wetenschappelijk “hot”, ze zijn ook belangrijk. De ondertitel van Wijnendaeles boek mag dan klinken als goedkope hype, al in de inleiding is duidelijk waarom ze accuraat is: Clovis schiep in een versnipperd politiek landschap een West-Europese eenheid – en dat ideaal is sindsdien blijven bestaan. En van idealen kan vormende werking uitgaan. Kortom, een belangrijk boek.

Lees verder “De Franken van Nebisgast tot Elegast”

De villa’s van Romeins Limburg

Romeins Limburg: het zal niet het eerste zijn waaraan je denkt bij het Romeinse Rijk. Het behoorde echter wel degelijk tot het wereldrijk. Het zuidelijke deel van Nederlands Limburg was rijk geworden door de productie van graan, waar in de wijde regio vraag naar was. Zuid-Limburg kende de hoogste concentratie landhuizen in Nederland. De tentoonstelling “Romeinse villa’s in Limburg”, momenteel te zien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, brengt die landhuizen en de mensen die er woonden, weer tot leven met prachtige reconstructies en even interessante als mooie voorwerpen.

Caesars tegenstanders

Met zijn glooiende heuvels onderscheidt Zuid-Limburg zich van de rest van Nederland, dat immers een overwegend vlak land is. In de eerste eeuw v.Chr. had het heuvelland al een eeuwenlange geschiedenis van autarkische boerengehuchten, gelegen tussen velden vol wuivend graan.

Lees verder “De villa’s van Romeins Limburg”

Romeinse villa’s in Limburg

Detail van een muurschildering uit de villa bij Maasbracht (Limburgs Museum, Venlo)

Het is een gemeenplaats dat het Romeinse Rijk een agrarische wereld was. Je kunt als vuistregel nemen dat negen boeren het eten produceerden voor tien mensen. Als we optimistisch zijn, waren tijdens het Romeins Klimaatoptimum acht boeren genoeg. In een zó agrarische samenleving hebben ook degenen die nooit ploegden en nooit met een kudde op pad gingen, een vanzelfsprekende boerenmentaliteit. Een schatrijke Romeinse senator als Plinius de Jongere stelde groot belang in het verwerven van de juiste gronden en het aantrekken van de juiste pachters. Zelfs de aanleg van een siertuin had zijn aandacht. (Vincent Hunink verzamelde Plinius’ teksten over het landelijk leven in een boekje dat Mijn landhuizen heet. Ik schreef er al eens over.)

Wat is een villa?

Dit betrof dus de landhuizen van iemand aan de top van de maatschappelijke elite van het oude Italië. We noemen die landhuizen vaak villa’s, maar dat is een onhandige term. Het Latijnse woord heeft namelijk de betekenis van “exploitatie-eenheid” en slaat niet zelden op betrekkelijk kleine bedrijven. Bovendien denken wij, eentwintigste-eeuwers, bij een villa aan een rustiek gelegen buitenhuis of een bungalow met een grote tuin. In de Oudheid gaat het toch meer om plantages waar slaven en deelpachters hard werkten om voldoende te produceren. Naast het bedrijfsgedeelte, de pars rustica, was er een woongedeelte, de pars urbana, doorgaans simpel.

Lees verder “Romeinse villa’s in Limburg”

Een balsamarium uit Limburg

Balsamarium (Gallo-Romeins Museum, Tongeren)

Vorige maand fietste ik van Lanaken naar Tongeren en kwam ik door Vlijtingen, een dorpje even benoorden Riemst, dat op zijn beurt ligt aan de Chaussée Brunehaut, de grote weg tussen Tongeren en Maastricht. De naam Vlijtingen zei me iets, maar het wilde me maar niet te binnen schieten. Nu ineens realiseer ik me dat het bovenstaande hoofdje daar is gevonden. Het is een centimeter of 15 hoog en is te zien in het Gallo-Romeins Museum.

Balsamarium

Het is niet zomaar een hoofdje maar een zogeheten balsamarium, een bronzen potje voor geurige zalf of olie. Het moet afkomstig zijn uit een van de vier nabijgelegen Romeins landgoederen en wordt volgens het bordje in het museum gedateerd in de tijd tussen pakweg 90 en 300. En het stelt iemand voor uit Nubië, herkenbaar aan het kapsel. De twee hoorntjes die daar bovenuit lijken te steken, zijn eigenlijk de oren van het vaasje. Daar tussen ligt, als de kruin op het hoofd, het dekseltje.

Lees verder “Een balsamarium uit Limburg”

Romeinse wegen

Een boek waaraan je zelf hebt meegewerkt, dat kun je natuurlijk niet recenseren. Als je iets positiefs zegt, sta je onder verdenking een bevriende schrijver een handje te willen helpen; als je iets negatiefs zegt, heb je de auteur een rotstreek geleverd door niet tijdig te waarschuwen. Dat weerhoudt me er niet van uw aandacht te vragen voor een net verschenen boek van Robert Nouwen, die alles weet over het Romeinse erfgoed in Haspengouw, dus zeg maar de omgeving van Tongeren. Zijn nieuwste boek heet De Romeinse heerbaan. De oudste weg door de Lage Landen.

Via Vipsania

Die oudste weg is die van de Romeinse havensteden aan het Kanaal via Kassel, Velzeke, Asse, Tienen, Tongeren, Maastricht, Heerlen en Jülich naar Keulen. Je moet je een Romeinse weg niet voorstellen als alleen maar een al dan niet geplaveide straat. Het is een brede corridor door het landschap, met aan weerszijden de uitgestrekte landgoederen van grootgrondbezitters. Daar tussenin waren kleine en middelgrote boerderijen, dorpjes, stations om paarden te wisselen, herbergen en wat dies meer zij. En ook: compleet nieuwe steden op plaatsen waar voordien weinig mensen woonden. Het was dus niet alleen een weg, maar een complete streep romanisering dwars door iets dat aanvankelijk valt te typeren als een IJzertijdlandschap.

Lees verder “Romeinse wegen”

Het nieuwe Thermenmuseum

Twee antieke grafstenen met een animatie van een crematie op een grafveld

Voor wie het Thermenmuseum in Heerlen nog niet mocht kennen: het is gewijd aan een van de grootste Romeinse ruïnes benoorden de Alpen. Coriovallum, zoals Heerlen destijds heette, was aanvankelijk de voornaamste nederzetting van een lokale stam. Fijne klei in de beekdalen zorgde ervoor dat hier veel pottenbakkers kwamen wonen. (Ik blogde vorige week over Lucius en Amaka.) Een Romeinse weg, vanouds aangeduid als Chaussée Brunehaut, verbond het stadje met Bavay en Keulen en met de rest van de wereld, terwijl een andere weg leidde naar het noorden en naar Aken. Ergens in het midden van de eerste eeuw na Chr. verrees hier ook een badhuis. Voor reizigers, voor soldaten, voor pottenbakkers en voor iedereen die verlost wilde zijn van het stof en zweet. En voor iedereen die gewoon behoefte had aan een babbel.

Kortom, Coriovallum was een van de vroegste centra van de romanisering in de Lage Landen. Een van de laatste ook. Nog in de vijfde eeuw na Chr., toen andere nederzettingen allang waren opgegeven, woonden hier soldaten die zich identificeerden met het Romeinse Rijk. Het badhuis lijkt nog altijd te hebben gefunctioneerd. De opgraving documenteert dus een periode van een half millennium – het eerste kwart van de geschiedenis van de Lage Landen.

Lees verder “Het nieuwe Thermenmuseum”

Liberchies

Geminiacum zoals het er nu bij ligt; het pad is de antieke weg.

De “grand strategy” van het Romeinse Rijk in de Julisch-Claudische periode (tussen pakweg 50 v.Chr. en 70 na Chr.) lijkt even bot als simpel te zijn geweest: zorg dat er aan de grenzen geen vijanden zijn. Anders gezegd: moord er zoveel mogelijk uit. Caesar onderwierp Centraal-Gallië en joeg in de periferie velen over de kling en eiste absolute gehoorzaamheid van de overlevenden; later vergrootte Augustus het gecontroleerde gebied naar de Rijn en werd een periferie tussen Rijn en Wezer leeg geveegd; nog later werd de directe invloedssfeer opgeschoven naar de Wezer en kregen de mensen tot aan de Elbe het hard te verduren.

Van de tekentafel

Het gaat me nu even om de expansie ten tijde van Augustus, toen het door Caesar leeg gemaakte Belgica Romeins werd. Om het te bevolken verplaatsten de Romeinen hele volksstammen. De Ubiërs, Bataven en Sugambriërs verhuisden van de oostelijke naar de westelijke Rijnoever. Het meer naar binnen gelegen gebied – zeg maar het huidige België – werd bij wijze van spreken van de tekentafel af ontworpen, met stedelijke knooppunten als Bavay en Tongeren en een netwerk van grote wegen. Ze worden vanouds Chaussée Brunehaut genoemd, naar een Frankische koningin die ze volgens een veertiende-eeuwse legende heeft laten repareren.

Lees verder “Liberchies”

Misverstand: Via Belgica

Misverstand: De weg van Bavay naar Keulen heette Via Belgica

De romanisering van de Lage Landen hield ook in dat er wegen werden aangelegd. De Romeinen betoonden zich daarin nogal traditioneel. De belangrijkste weg was althans al eeuwenoud toen ze hem in gebruik namen. Al in de Bronstijd reisden mensen vanuit het huidige Amiens naar Bavay, Tongeren en Keulen. Die steden waren er toen vanzelfsprekend nog niet, maar het bestaan van een weg kan worden afgeleid uit het feit dat er grafheuvels uit de Brons- en IJzertijd liggen, parallel aan het tracé van de Romeinse straat. Caesar rukte hierover in 57 v.Chr. op tegen de Nerviërs (meer), het Veertiende Legioen Gemina gebruikte de weg in 70 na Chr. om een grote opstand neer te slaan, en duizenden kooplieden benutten de straat om graan te brengen naar de Rijnlegers. Dit was de hoofdverkeersader van de Romeinse provincie Gallia Belgica, van letterlijk vitaal belang voor de duizenden legionairs die het imperium beschermden tegen aanvallen uit het Overrijnse.

Sinds mensenheugenis wordt de route in Noord-Frankrijk en Wallonië aangeduid als Chaussée Brunehaut (naar een Frankische koningin die de straat in de Vroege Middeleeuwen zou hebben laten repareren) en in Duitsland spreekt men wel van de Römerstraße en Agrippa-Straße, naar de Romeinse generaal die vermoedelijk bevel heeft gegeven de weg te plaveien. In Nederland en Vlaanderen kennen we geen naam die werkelijk ingeburgerd is geraakt. Een in 1987 gehouden expositie heette gewoon “Langs de weg”.

Lees verder “Misverstand: Via Belgica”

Drie stammen

Romeinse ruiterij (Institut archéologique du Luxembourg, Arlon)

Het zijn zomaar de namen van drie van de vele etnische groepen die worden genoemd in de Griekse en Romeinse bronnen: de Sunuci, de Frisiavonen en de Baetasii. De oudere Plinius noemt ze één keer. Achter de Schelde, zo schrijft hij, wonen de Catoslugi, de Atrebates (in Artesië), de Nerviërs (in Henegouwen), de Vermandui (rond Noyon), de Suaeuconen, Suessiones (rond Soissons), de Ulmanectes, de Tungri (rond Tongeren), de Sunuci, de Frisiavonen (Nederlandse archeologen zoeken die, om redenen die ik niet ken, in Zeeland), de Baetasii, de Leuci (in Lotharingen), de Treveren (rond Trier), de Lingonen (bij Langres), de Remers (rond Reims), de Mediomatrici (rond Metz), de Sequanen (in de Jura), de Raurici (achter Bazel) en de Helvetiërs (langs de Boven-Rijn).

Waar alle groepen uit deze grotendeels systeemloze lijst woonden, is een van de vele geografische puzzels uit de Oudheid, waarbij onderzoekers hypothese op hypothese stapelen. Als de Ulmanectes een schrijffout zijn voor Sulbanetes, dan leefden ze rond Senlis, waar een inscriptie die naam vermeldt. Als, als, als. We zullen vandaag eens speculeren over de Sunuci, Baetasi en Frisiavones.

Lees verder “Drie stammen”