
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het derde; het eerste was hier.]
Bloeitijd
In de tweede eeuw bloeide Ulpia Noviomagus. Op het grafveld zijn prachtige barnstenen en kristallen voorwerpen gevonden die bewijzen dat in elk geval de elite het breed kon laten hangen. Oude schattingen hielden het erop dat het stadje zo’n 5.000 inwoners had; inmiddels is duidelijk dat het er fors meer waren, misschien wel 10.000. Met een legioenbasis ernaast was het al met al te groot om te worden gevoed vanuit het achterland, zelfs al verrees langs de Waal de ene boerderij na de andere. Graan en andere levensmiddelen moesten worden geïmporteerd, en de inscriptie van graanhandelaar Marcus Liberius Victor, die zijn producten aanvoerde vanuit het verre Henegouwen, is heel typerend.

Opgraving van Ulpia Noviomagus is lastig. Het noordelijkste deel is door de rivier verspoeld, de rest ligt onder een stadswijk. Toch zijn er tempels geïdentificeerd en een badhuis, waarvan de opgraving momenteel wordt afgerond. Ik had een afspraak met de opgraver, maar de Nijmeegse persvoorlichter floot hem terug. Ik heb nog niet vernomen waarom.
Ik blijf ondertussen dromen van een liefst niet al te dramatische gebeurtenis die een noodopgraving noodzakelijk maakt op precies de plek waar het antieke stadshuis heeft gestaan. Daar zouden archeologen de bronzen tabletten kunnen vinden waarop de gemeentelijke regelgeving en de correspondentie met de keizer waren gegrift. Een andere droomvondst zou documenteren waar de brug heeft gelegen. Er is weleens een paalschoen uit de Waal gevist, en hoewel die kan hebben behoord bij een middeleeuwse brug, zou het me verbazen als er in de Romeins tijd geen brug was.

Verlengde bloeitijd
Ik noemde de lopende opgraving van het badhuis. In het stadhuis van Nijmegen – ik bedoel het huidige – zijn al enkele voorwerpen te zien. Dat is interessant. Nog niet zo lang geleden dachten oudheidkundigen namelijk dat Nijmegen in de late tweede eeuw in verval was geraakt, mogelijk na een stadsbrand rond 180. Het was een spookstad, volgens een recente TV-documentaire. Nu blijkt dat het badhuis in de late derde eeuw nog volop in gebruik was. Dat past goed bij een constatering van archeoloog Stijn Heeren dat de fortenreeks langs de Beneden-Rijn, waarvan altijd gedacht is geweest dat die tijdens de Crisis van de Derde Eeuw was ontruimd en rond 300 was hersteld, gewoon in gebruik is gebleven. Er is meer continuïteit in Romeins Nederland dan aangenomen.
De Nijmeegse archeologen hebben, zo las ik, bij het badhuis ook huizenblokken en straten gevonden. Er zou ook een toren zijn ontdekt. Zou die onderdeel van de stadsmuur zijn geweest? Dat werd me niet duidelijk. De toelichting vermeldde weer de stadsrechten die Nijmegen rond 100 zou hebben gekregen, maar waarop die claim is gebaseerd, maakte ook deze tekst niet duidelijk.
Castra Herculis
In de vierde eeuw verhuisden de bewoners van Ulpia Noviomagus naar het Valkhof, waar ooit de eerste burgerlijke nederzetting was geweest. Volgens Jan Verhagen heette deze nederzetting Castra Herculis. Die naam is interessant: Hercules gold ten tijde van de Tetrarchie immers als beschermer van de westelijke rijkshelft. Wellicht vormt de naam een aanwijzing voor een datering van de nieuwbouw, al is de verwijzing naar Hercules op zich vanzelfsprekend onvoldoende bewijs. Achter het huidige casino zijn muurresten te zien en dat is bijzonder: anders dan de reconstructies in Matilo, Hooge Woerd, Vechten en Meinerswijk zijn dit wél echte resten van de Romeinse grensversterking.

Castra Herculis was een natuurlijk doelwit voor de Franken, die de nederzetting in het begin van de vijfde eeuw hebben overgenomen. Dit zal in de praktijk weinig verschil hebben uitgemaakt, aangezien er al Frankische nederzettingen in de buurt waren en de meeste soldaten lokaal werden gerekruteerd. De overgang van Romeins naar Frankisch voltrok zich in de eerste helft van de vijfde eeuw dus vrij geleidelijk. Een graf uit Lent dat nu een ereplek heeft in het vernieuwde Valkhof Museum, illustreert de situatie in de late zesde eeuw.
De regio was belangrijk genoeg voor een aanval door Deense zeerovers, geleid door de Hygelac die ook in de Beowulf staat genoemd. Hoewel laatantiek Nijmegen een kleine nederzetting was met slechts enkele honderden inwoners, sloeg het eigen munten, met het opschrift Niomago. Het kan trouwens niet vaak genoeg worden benadrukt dat Frankisch Nijmegen goede papieren heeft om de locatie te zijn van het verhaal van de Zwaanridder. Daar zou de stad zich best wat vaker mee mogen profileren.
Nijmegen vandaag
Want het Rijk van Nijmegen heeft meer verleden dan alleen het Romeinse. Het archeologisch erfgoed documenteert Market-Garden en gaat via de Middeleeuwen en de Romeinse tijd dieper tot op een Neanderthaler-bot. Er is meer bewaard dan redelijkerwijs valt te beheren en het is zinloos te ontkennen dat er dingen verkeerd zijn gegaan. Het Valkhof heeft bijvoorbeeld problemen gehad en de aquaductenaffaire had alles te maken met onprofessionele voorlichting.

De laatste jaren gaat het weer beter. Museum De Bastei is geopend. Het heropende Valkhof Museum heeft een mooie nieuwe opstelling, waarover morgen meer. Het oude Museum Kam is nu ingericht als onderzoekscentrum en er is een nieuw gebouw voor het archeologisch depot. Museumpark Orientalis heeft onlangs de ingang verplaatst en het Laat-Romeinse Festival (het oudste nog bestaande en meest relaxte Romeinenfestival van Nederland) was ook afgelopen weekend weer supergezellig.
Ik zal nog meer over Nijmegen bloggen. Mijn bezoek was, hoewel ik achterbleef met onbeantwoorde vragen, ontspannen en prettig. Voor het overige blijf ik van mening dat de Caesarbuste, die tussen alle sculptuur in het Rijksmuseum van Oudheden niemand opvalt, mensen wél zal inspireren tot een liefde voor de Romeinse wereld wanneer hij terugkeert naar zijn eigen Nijmegen.
Zelfde tijdvak
Hoe kennen we de Romeinen? (1)mei 3, 2015
Migratie in de Arabische wereldmaart 11, 2023
Klassieke literatuur (5d): geschiedschrijvingmaart 22, 2017

“Volgens Jan Verhagen heette deze nederzetting Castra Herculis.”
Eens. Valentinianus II zou de plaats Castra Herculis flink hebben verbouwd. Nu zijn velen nog overtuigd, op grond van de Peuteringer kaart, dat Castra Herculis het grensfort Meinerswijk moet zijn geweest. Probleem is, daar zijn nooit zulke bouwwerkzaamheden uit de late vierde eeuw aangetroffen, en Nijmegen stikt ervan.
“de Franken, die de nederzetting in het begin van de vijfde eeuw hebben overgenomen. Dit zal in de praktijk weinig verschil hebben uitgemaakt, aangezien er al Frankische nederzettingen in de buurt waren en de meeste soldaten lokaal werden gerekruteerd. De overgang van Romeins naar Frankisch voltrok zich in de eerste helft van de vijfde eeuw dus vrij geleidelijk. ”
Ik vind dit een lastige om het zo verwoord neer te pennen. het klinkt namelijk of de Franken een politieke groep waren, vergelijkbaar met de Romeinen, en dat de een het van de ander overnam.
Maar dit is achterhaald denken.
Franken – dat wil zeggen mannen die zich met een Frankische achtergrond identificeerden, vochten al in de derde eeuw tegen en voor de Romeinen. Beroemd is ook het grafschrift van een mid-4de-eeuwse Frank, gevonden in Hongarije: ‘Francus ego cives Romanus miles in armus, egregeria virtute tuli bello mea dextera semper’.
Een eeuw na de eerste contacten, zien we hier al een vermenging van Frankische en Romeinse identiteiten. Kijken we naar het begin van de vijfde eeuw, dan zien we dat de Romeinse staat de verdediging van grote delen van de rijksgrens aan ‘Franken’ heeft toevertrouwd. Ik zeg ‘Franken’, omdat het nog steeds geen grote homogene groep was. Op zeker moment is zelfs de commandant van het Romeinse veldleger in Gallië, dus van de Rijn tot de Pyreneeën, een Frank genaamd Childeric. En niet zomaar één – hij was de vader van Clovis, de eerste Frankische koning die alle Franken verenigde.
Nijmegen zal, in het kielzog van bovengenoemde ontwikkelingen, al best vroeg Franken in de stad gehad hebben. Als handelaren, bewoners, soldaten, en tenslotte als eigenaren. Maar niet als ‘groeiende Frankische invloed’ – ik verwacht geen pizzeria’s te zien vervangen door bratwurst und sauerkraut als u mij kunt volgen. 🙂 Maar op een zeker moment zal de stad, juridisch, geen belasting meer aan Rome betaald hebben – ik zou zo graag meer over deze momenten willen weten, maar de mist van de geschiedenis is te dik.
Wel vinden we resten hiervan in de grond, en dat geldt zeker voor de laat-Romeinse periode, maar we een mooie invloed zien vanuit Germania transrhenana.
Ik kan deze publicatie aanbevelen:
The Late Roman Cemeteries of Nijmegen, Stray Finds and Excavations 1947-1983
D.C. Steures (2013)
Gratis hier te downloaden:
https://www.cultureelerfgoed.nl/documenten/2013/01/01/the-late-roman-cemeteries-of-nijmegen
“Het klinkt namelijk of de Franken een politieke groep waren”
De feiten die u beschrijft – waarvoor mijn dank, het is heel informatief – bevestigen eerder “politieke groep” dan dat ze die term weerleggen. U maakt immers duidelijk dat alleen politiek hen verenigde toen het Romeinse gezag wegviel.
Al eerder heb geschreven dat dat Ian Kershaw’s concept van “versplintering” (The End) volgens mij hier van toepassing is. We moeten de “ondergang” van het West-Romeinse RIjk niet alleen zien als het het resultaat van een invasie (evt. meervoud) maar van precies dat: het Romeinse gezag verdween. En dan nemen plaatselijke leiders dat over. In onze Lage Landen waren dat Franken, wat dus een politiek begrip is. Het zegt niets over hun etniciteit, cultuur. Het valt alleen maar te verwachten dat ze allerlei rollen vervulden toen er nog wél Romeins gezag was. Wat uiteraard achterhaald is is het idee van een abrupte breuk. Overal en dus ook in onze regio’s was de “ondergang” een geleidelijk proces – een overgang, zeg maar.
In die zin waren de Franken wel degelijk een politieke groep.
Oeps, bijna vergeten. Het is natuurlijk goed mogelijk dat ik u verkeerd begrijp. Dus ik zie uw reactie met belangstelling tegemoet.