De Perzische Oorlogen

De zeestraat van Salamis, plaats van een zeeslag in de Perzische Oorlogen

Historici plaatsen de cesuur tussen de Archaïsche Periode en de Klassieke Tijd in de tijd van de Perzische Oorlogen. Daarmee bedoelen ze de twee Perzische expedities naar Griekenland van 490 en 480-479, hoewel de gevechtshandelingen zich uitstrekten over een langere periode. De betekenis ervan is niets minder dan de geboorte van de Griekse natie. Wie Griekenland Xerxes’ erfenis zou noemen, zit er niet zo heel ver naast.

Immers, lange tijd waren de diverse stadstaten en stammen verdeeld geweest. Als er al samenwerking had bestaan, was het omdat sommige steden zich rekenden tot de stam der Doriërs, Ioniërs of Aioliërs (wat zo’n stam ook geweest moge zijn), of dat men elkaar kende uit zogeheten amfiktyoniën. Dat waren losse netwerken om heiligdommen als Delfi te besturen. Men vereerde ook dezelfde goden, sprak dezelfde taal en las Homeros, en dat was zo’n beetje alles wat de Grieken verbond. Na de Perzische Oorlogen was daar de gedeelde herinnering aan de strijd tegen de grote koning bij gekomen.

Lees verder “De Perzische Oorlogen”

Een cesuur in de geschiedenis

Perzische gouden schaal (Reza Abbasi-museum, Teheran)

In het negentiende-eeuwse beeld van de geschiedenis vormt de totstandkoming van het Perzische wereldrijk en de hereniging van het oude Nabije Oosten onder één vorst, waarover ik onlangs blogde, een cesuur. Griekenland wist namelijk buiten dit wereldrijk te blijven en daar begon de geschiedenis opnieuw. Met een beschaving die, zo meende men destijds, humanistischer, rationeler, creatiever was dan die van het Nabije Oosten. Die zou religieus, mystiek, obscurantistisch en behoudend zijn geweest.

Een logisch vooroordeel

Dat beeld was in de negentiende eeuw niet onlogisch. In 1822 ontcijferde Champollion het hiërogliefenschrift, rond 1850 slaagde Rawlinson erin het Babylonische spijkerschrift te ontraadselen. Archeologie in het Ottomaanse Rijk was moeilijker dan in Italië. Er was lange tijd simpelweg weinig informatie. Bovendien verdeelden de universiteiten, de innovatieve Berlijnse voorop, de bestudering van de Oudheid over afdelingen die waren gewijd aan hetzij klassieke, hetzij Semitische letteren. De Babylonische literatuur kwam zo op dezelfde afdeling als de Hebreeuwse. Zodoende kwam bij de bestudering van het spijkerschriftmateriaal de nadruk als vanzelf te liggen bij de voor Bijbelstudie relevante teksten. Dat de onderzoekers het eerst teksten publiceerden met een religieuze inslag, versterkte het vooroordeel dat de oosterlingen mystiek van aard waren geweest.

Lees verder “Een cesuur in de geschiedenis”

Periodisering en naamgeving

Een Mesopotamische stofstorm

Er bestaat een soort conventie dat de Oudheid eindigde in 500 na Chr. en dat de Middeleeuwen daarna duurden tot 1500. Daarop volgen de Nieuwe Tijd en de Nieuwste Tijd. Een echte grens tussen die twee laatste valt niet te trekken: sommigen vinden de Franse Revolutie en de daarop volgende Napoleontische Oorlogen belangrijk, anderen 1848 of 1870, weer anderen wijzen op het breukvlak rond 1900. Er is voor alles wat te zeggen, zoals je ook kunt zeggen dat de eindgrens van de Middeleeuwen een eeuw voor of een halve eeuw na 1500 mag worden gelegd. Ik denk dat er momenteel meer historici zijn die de eindgrens van de Oudheid rond 650 plaatsen dan historici die vasthouden aan het einde van de vijfde eeuw. Het kan allebei.

De reden van dit alles is natuurlijk dat onze belangstelling verschuift. Eind vijfde eeuw vond de desintegratie van het West-Romeinse staatsapparaat plaats en ontstonden opvolgersstaten die eind zesde eeuw pseudo-etnische namen kregen als  “Frankisch” of “Ostrogotisch”. In de negentiende eeuw was men geobsedeerd door eenheidsstaten en dus vond men de in de vorige zin genoemde gebeurtenissen rond 500 belangrijk. Tegenwoordig kijken we minder naar de eenheidsstaat en meer naar de economie, zodat een latere cesuur voor de hand ligt. Zouden we religie belangrijk vinden, dan zijn de implosie van het heidendom eind vierde eeuw of de formalisering van de islam eind zevende eeuw relevant. Zoveel hoofden, zoveel zinnen.

Lees verder “Periodisering en naamgeving”

Tussen Oudheid en Middeleeuwen

Vier “Domburg-fibulae” uit de overgangstijd van Oudheid naar Middeleeuwen (Museum Dorestad, Wijk bij Duurstede)

Het leek ooit zo gemakkelijk, het verdelen van de geschiedenis. Eerst was er de Oudheid; dan kwamen de Middeleeuwen; en in de Renaissance begon dan de geschiedenis van onze eigen westerse cultuur. Maar het bleef niet zo gemakkelijk. In de negentiende eeuw verdubbelde de Oudheid in lengte en breidde het tijdvak zich uit naar Egypte en het Midden-Oosten, terwijl in de twintigste eeuw steeds duidelijker werd dat de cesuur tussen het Laat-Romeinse Rijk en de duistere Middeleeuwen niet was wat ze zou moeten zijn.

Ik herinner me met hoeveel plezier ik tijdens mijn studie Mahomet et Charlemagne (1937) heb gelezen, het boek waarin de Belgische historicus Henri Pirenne bewees dat de “barbaren” heel snel door de Romeinse beschaving waren geassimileerd. Een mijlpaal in de geschiedschrijving, en als er tegenwoordig wat lacherig over dit boek wordt gedaan, is het omdat Pirenne tevens suggereerde dat de echte breuk de opkomst van de islam was geweest, die het Middellandse Zee-gebied in tweeën zou hebben gebroken en een obstakel vormde voor interregionale handel. Einde van de handel, einde van de steden, einde van de gemonetariseerde belastingen, einde van de scholen, einde van de klassieke beschaving. Pirenne schreef dit voordat archeologen bewezen dat de economische instorting in feite voorafging aan de Arabische expansie, maar zelfs waar hij zich vergiste, toonde Pirenne de weg vooruit: de overgang van de Oudheid naar de Europese Middeleeuwen moet niet geïsoleerd worden behandeld, maar samen met de opkomst van de islam.

Lees verder “Tussen Oudheid en Middeleeuwen”