Historische taalkunde

Je kunt niet alles leren, maar mag wel betreuren dat je opleiding zó kort was dat je cruciale dingen niet hebt meegekregen. Aan AristotelesOrganon, vermoedelijk de grootste filosofische prestatie uit de Oudheid, is tijdens mijn studie geen woord besteed, noch bij de colleges geschiedenis, noch bij filosofie. Ook over oudgermanistiek, d.w.z. de bestudering van de antieke en vroegmiddeleeuwse fase van de Germaanse talen, heb ik weinig gehoord. Ik denk eigenlijk: niets. Terwijl het vak toch niet zonder belang is. Onze taal is immers een mooi stuk antiek erfgoed en kennis daarvan is zeker voor oudheidkundigen die zich met Nederland en Vlaanderen bezighouden, niet bepaald betekenisloos.

Om mijn kennislacune te vullen las ik Lo, donk, horst van Jozef van Loon, emeritus hoogleraar in Antwerpen. Simpel samengevat toont hij aan dat het woord lo in de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen verwees naar een cultuurbos, terwijl donk en horst het Frankische en het Saksische woord waren voor versterkingen in moerassige gebieden. Toen ik onlangs vanuit Vught door het Bossche Broek fietste naar Oeteldonk, begreep ik het meteen.

Lees verder “Historische taalkunde”

Heidenen

De tempel van Venus in Baalbek: van tempel tot kerk tot moskee

Een vraag van een van degenen die wel eens reageert op deze kleine blog: waarom gebruik je eigenlijk het woord “heidenen”?

Goede vraag. Het is inderdaad een onhandige term, die in de Oudheid niet bestond. Het theologische concept is duidelijk: het gaat om iedereen die niet hoort tot het Verbond, en dat betekent automatisch dat alleen de joden en christenen behoefte hadden aan zo’n woord voor de buitenstaanders. Alleen de joden en christenen meenden immers dat ze een Verbond hadden gesloten met God. Geen van de andere bewoners van de Mediterrane wereld had zo’n woord nodig, en ik neem aan dat ze moeite hebben gehad te begrijpen dat zij de heidenen waren.

Ze zullen zich er niet in hebben herkend. Ze hadden een veelvoud aan rituelen en gebeden, aan religieuze gebruiken en namen voor de goden, en in die veelvormigheid van hun culten hadden ze weinig gemeenschappelijk. Van hun kant uit was de grens ook vloeiend. Ze kozen zelf wel uit hoe ze vorm wilden geven aan hun religieuze overtuigingen en grensden zich niet af van de Verbondsgeloven: volgens de Historia Augusta vereerde keizer Severus Alexander het hele spectrum aan goden, met inbegrip van Orfeus, Christus en Pythagoras (bron). In de provincie Egypte riepen mensen, tussen allerlei goede en slechte bovennatuurlijke krachten, ook de God van de joden aan. De heidenen namen uit het cultische aanbod wat ze nodig hadden, ook uit het jodendom en christendom.

Lees verder “Heidenen”

Perzische bisschoppen

Een schaakspel dat ik ooit in Isfahan zag: links Saladin, rechts Kruisridders.
Een schaakspel dat ik ooit in Isfahan zag: links Saladin, rechts Kruisridders.

Een vriend van me is dol op schaken en grapte ooit dat hij op vakantie ging naar Palermo om daar de Siciliaanse partij te bestuderen. Ik heb hem ervan weten te overtuigen dat hij ook mee moest naar Iran, “naar het Schaaketymologisch Instituut”. Het schaakspel komt immers uit het oude Perzië, en woorden als “schaken”, “mat” en “rokeren” zijn dan ook Perzisch (shah, “koning”; māt, “uitwegloos”; rukh, “toren”). Ik denk dat in het Schaaketymologisch Instituut veel Perzische tapijten liggen, zoals herdersmatten en lopers.

Een loper heet in het Engels “bishop”, en ook dat woord is te danken aan de oude Perzen, al is het niet aan onze taal toegevoegd als schaakterm, maar via een andere weg, namelijk via episkopos: een Grieks woord dat zou kunnen worden vertaald als “toe-kijker”. Voordat het een kerkelijke term was, was episkopos de aanduiding van de inspecteurs in het Atheense imperium.

Lees verder “Perzische bisschoppen”

Staatsruivenier

In een recente post op deze kleine blog gebruikte ik het woord “staatsruivenier”. Ik bedoelde het ter typering van mensen die werken aan een universiteit: enerzijds de besten van de besten op hun vakterrein, maar anderzijds ook degenen die – anders dan een hobbyist – er belang bij hebben dat hun disciplines op een of andere manier relevant zijn. Zonder relevantie is er immers geen subsidie, en dan ben je je baan kwijt.

Dat academici zo’n verborgen agenda hebben – en daardoor indirect onwetenschappelijk zijn – is in feite hetzelfde als zeggen dat het ook maar mensen zijn. Elke organisatie heeft immers als onuitgesproken doel de eigen continuïteit te garanderen. De afdelingen automatisering die in de jaren tachtig op ieder kantoor bestonden hadden zichzelf moeten opheffen toen iedereen een computer had, maar ze bestaan nog altijd, al heten ze nu IT. Wat ik wel ergerlijk vind, is dat de besten van de besten zo kortzichtig zijn bij het rechtvaardigen van de eigen activiteiten.

Lees verder “Staatsruivenier”

Effectief goropiseren

“Antwerpen” komt van “hand werpen”, iedereen weet dat.

Johannes Goropius Becanus (1519-1572) was een van die briljante geleerden uit de late Renaissance: hij was niet alleen arts, maar ook letterkundige en taalkundige. Een homo universalis in de beste zin van het woord. Helaas stond de taalkunde destijds nog in haar kinderschoenen, en dat heeft de reputatie van Goropius geen goed gedaan.

Ook grote geleerden hielden er destijds de wonderlijkste taalkundige ideeën op na. Zo opperde Hugo de Groot dat Amerika was gekoloniseerd vanuit een Germaans-sprekend gebied, aangezien veel Azteekse plaatsnamen uitgingen op /-lan/, wat zou zijn afgeleid van /-land/. Meer over De Groot hier.

Lees verder “Effectief goropiseren”