Spijkerschrifttekst van Enmetena van Lagash over de oorlog met Umma (Louvre, Parijs)
Het schijnt voor te komen, en het is natuurlijk heel bijzonder, dat mensen dagenlang niet denken aan het conflict tussen de Sumerische stadstaten Lagash en Umma. Het is een van de oudst-gedocumenteerde oorlogen uit de geschiedenis. De inzet was niet gering: door het onduidelijke verloop van de grens tussen de twee staatjes was de watervoorziening onzeker en dus ook de welvaart.
Dit was de menselijke dimensie van het conflict, waar wij iets van begrijpen. Er was echter een tweede dimensie. Als het land eigendom was van de stadsgoden, dan was dit dus tegelijk een conflict tussen twee goden. Gelukkig waren er altijd verstandige goden, zoals het hoofd van het Sumerische pantheon, Enlil. Diens vertegenwoordiger op aarde, koning Mesalim van Kish (pakweg 2550 v.Chr.) stelde de grens vast en plaatste daar een stèle. Probleem opgelost – althans voorlopig.
Inscriptie met FINES VICI, “grens van het dorp” (Archeologisch Museum, Rindern)
Het Romeinse Rijk bestond uit provincies die weer waren onderverdeeld in kleinere eenheden. Normaal gesproken waren dat stadstaten (bijv. Athene of Capua), maar de verovering van Gallië schiep een probleem: hier waren geen stadstaten. De Romeinen losten dit vrij simpel op – ik laat in het midden of ze dat bewust deden – door de onderworpen Gallische stammen op te vatten als stadstaten, waarbij dan een van de plaatselijke nederzettingen werd getypeerd als de eigenlijke stad en de rest als het territorium van die stad. De ambiguïteit van het woord civitas, dat zowel stad als stam als gemeente kon betekenen, maakte dit des te eenvoudiger.
Waar lagen de grenzen van de gemeenten, van de voormalige stammen, van de zogenaamde stadstaten? Om dat vast te stellen gebruiken oudheidkundigen een foefje, de Thiessenpolygonen, vernoemd naar de Amerikaanse meteoroloog Alfred H. Thiessen (1872-1956). Hieronder heb ik een voorbeeld, waarbij het eerste plaatje de rivieren toont met bekende stedelijke knooppunten uit de Lage Landen. Bovenaan, onder de Rijn, liggen Voorburg, Nijmegen, Xanten en uiteindelijk rechts Keulen, onderaan liggen van links naar rechts Kassel, Bavay en Tongeren.
Detail van de Peutinger-kaart: Arae Philaenorum wordt hier getypeerd als de grens tussen de provincies Africa en Cyrenaica, m.a.w. als de grens tussen de imperia van twee gouverneurs.
[In het eerste deel van dit artikel constateerde ik aan de hand van Baktrië en Germanië dat machtsuitoefening – dat wil zeggen: dat je mensen dingen kunt laten doen die ze anders niet zouden hebben gedaan – niet altijd archeologisch terug te vinden is. Hoe herken je in het bodemarchief waar een grens heeft gelegen?]
***
Dat machtsuitoefening niet samenvalt met de bouw van forten, wegen en andere monumenten, en dat ze daardoor archeologisch moeilijk vindbaar is, past goed bij het Romeinse denken over macht. Het woord imperium is misschien het beste te vertalen als “invloedssfeer” en duidt niet – of beter: niet per se – op een territoriaal begrensd gebied. Het slaat op de bevoegdheden van een magistraat (bijvoorbeeld het imperium proconsulare).
Voor ons relevant is het commando in een oorlog. De commandanten van de noordelijke legers hadden elk een eigen imperium om aan de overzijde van de rivier te vechten, maar er was geen duidelijke grens aan het strijdtoneel. Het was daardoor mogelijk dat een commandant die imperium had in het ene gebied, actief raakte in een gebied waar ook anderen actief waren. Eén oplossing was het imperium maius, waarin werd vastgelegd wie dan voorrang had. Een andere maatregel was het aanwijzen van gebieden waarin het imperium geldig was: een provincia. De voor zover ik weet enige territoriale afbakening die een imperium kende, was dus de grens met het imperium van een collega. Zie ook het plaatje hierboven.
Baktriërs brengen tribuut aan de koning van Perzië (Oostelijke Apadana-trap, Persepolis)
Ik heb op deze plaats al vaker verteld over Baktrië, een Iraans gebied waar een uitloper van de Grieks-Romeinse wereld in contact stond met de culturen van Centraal-Azië en de Indusvallei. Hier en daar presenteren de bewoners zich onmiskenbaar als Grieks en dat wil zeggen dat de “dooie stenen” in Noord-Afghanistan en Zuid-Oezbekistan illustreren wat de bewoners beschouwden als het voor hun relevantste deel van het Griekse culturele aanbod. Een oudheidkundige die wil begrijpen wat de kern is van de Grieks-Romeinse beschaving, moet niet zijn in centra als Athene en Rome, waar deze cultuur vanzelfsprekend was, maar aan de periferie, waar ze niet vanzelfsprekend was, waar keuzes moesten worden gemaakt en waar we, om zo te zeggen, het klassiekste der klassieken zien.
Een grenszone, maar grappig genoeg zijn er geen aanwijzingen voor een grens. We weten dat dit gebied vanaf de zesde eeuw het uiterste noordoosten was van het Perzische Rijk, van het rijk van Alexander de Grote en van het Seleukidenrijk. De kastelen van de lokale heersers zijn opgegraven, maar je kunt archeologisch niet vaststellen dat dit de grens was van de Perzische of Macedonische heerschappij. Terwijl de kastelen van de plaatselijke heersers bekend zijn, kennen we geen douaneposten, geen grensforten, geen versterkte wegen. Sterker nog: als we het niet uit geschreven bronnen zouden weten, zouden we nooit op het idee zijn gekomen dat dit gebied onderdeel was geweest van het Perzische Rijk. Opvallend is bijvoorbeeld dat de monetaire economie die in de westelijke gebiedsdelen heeft bestaan en die een systeem van belastingheffing documenteert, volledig ontbreekt in Oezbekistan, Afghanistan en Pakistan.
Ik heb al wel vaker geschreven over de enorme invloed die de negentiende eeuw heeft op ons beeld van de Oudheid. We hebben nu eenmaal te weinig informatie, de aannames van de onderzoekers spelen nu eenmaal een rol en het onderzoek begon nu eenmaal pas echt in de negentiende eeuw. De zwaartepunten die de oudheidkundigen destijds waarnamen, weerspiegelen dus hun wereld en omdat wij nu eenmaal voortbouwen op hun werk, zijn die zwaartepunten ideeën er nog altijd.
Het Europese leven werd destijds beheerst door koningen en dynastieën – de Romanovs, de Hannovers, de Hohenzollern – en dus is de geschiedenis van Egypte en Mesopotamië ingedeeld in dynastieën met roemruchte namen als de Derde Dynastie van Ur of de Achttiende Dynastie. De oudheidkundigen van de negentiende eeuw onderscheidden bloeiperioden (“rijken”) waarin de staat georganiseerd was zoals men dat destijds graag zag: met een eigen belastingheffing, één centrale regering, duidelijke grenzen, legers met een eigen strategie, één hoofdstad en liefst ook ergens een veroverd imperium. Was de staat minder centraal georganiseerd, dan heette dat in de negentiende eeuw “een tussentijd” en dat gold dan als een periode van verval.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.