Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer slecht en goed nieuws.
Roof
Eerst slecht nieuws: zoals bekend woedt in Soedan, het antieke Nubië, een burgeroorlog. Een paar dagen geleden heroverde het leger delen van Khartoum op de rebellen, en daarbij is het Nationaal Museum voor de tweede keer geplunderd. Het doet wat denken aan de plunderingen in de Egyptische stad Malawi en in het nationaal museum in Bagdad, waarvan bekend is dat kunsthandelaren in de stad aanwezig waren om zorg te dragen voor een snelle heling.
Ik blogde al over de grote stad Uruk, tegenwoordig Warka, waar de overgang van Neolithicum naar geschiedenis is gedocumenteerd in niet minder dan achttien strata, d.w.z. de lagen die archeologen onderscheiden binnen een opgraving. In stratum III (ofwel de late Jemdet Nasr-periode ofwel het slot van de Prehistorie ofwel als de eerste geschreven teksten opduiken ofwel tussen 3100 en 2900 v.Chr. ofwel in de tijd waarin ze in Drenthe hunebedden bouwden) vonden de opgravers de bovenstaande vaas, die bijna een meter hoog is. Het kalkstenen kunstvoorwerp is te zien in het Nationaal Museum van Irak in Bagdad.
Plundering
U kent dat museum vermoedelijk wel omdat het in 2003 is geplunderd. De Warka-vaas is toen gestolen. Het voorwerp is later, toen er een amnestieregeling was, in veertien stukken geslagen teruggebracht en vervolgens gerestaureerd. Inmiddels is het terug in het museum. Als het niet zou zijn teruggebracht, was een goede kopie in het Pergamonmuseum in Berlijn alles wat we hadden gehad.
De onderste registers
De afbeelding vertelt veel over het Sumerische wereldbeeld. Helemaal onderaan zien we, ongeveer waar binnenin de vaas het langst het water moet hebben gestaan, allerlei golven. Het is niet moeilijk te raden wat het voorstelt. Daarboven zijn achtentwintig planten afgebeeld, die zijn te identificeren als dadelpalmen en gerst. Om en om.
Altaar uit Hatra (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)
Wat een raar ding, dit – eh, hoe zal ik het noemen? – altaar uit Hatra, de hellenistische stad in het noorden van Irak. Het is misschien het beste het te bekijken van onder naar boven. Onderaan bevindt zich een grijswit, marmeren, vierkant huisje met nissen. Dit huisje, omgeven door acht pilaren, is in feite het model van een heiligdom. In de vier nissen staan goddelijke figuren, zoals een adelaar: een gebruikelijk soort afbeelding in deze contreien, meestal uitgelegd als het voertuig van de ziel.
Op zeven van de zuilen staan – wat lastig te herkennen – standaards afgebeeld, min of meer zoals op dit reliëf. De standaards representeren de hemelgoden: aan de ene zijde (links achter, voor ons onzichtbaar) zijn dat de Maan en Mercurius; aan de zijde op de foto zijn dat Venus, de Zon en Mars; aan de rechterzijde Jupiter en Saturnus. De achtste zuil, helemaal achteraan, is onversierd.
De koninklijke lier van Ur in een verlaten Nationaal Museum in Bagdad.
Deze Sumerische lier is te zien in het National Museum in Bagdad. Het snaarinstrument komt uit de koninklijke tombes van Ur, een stad in het zuiden van Irak. Daarom staat het bekend als de koninklijke lier van Ur. Het snaarinstrument dateert uit de derde fase van de vroegdynastieke periode, wat een voorzichtige manier is om te zeggen dat het voorwerp stamt uit de tijd tussen pakweg 2600 en 2370 v.Chr. Waarom men het instrument doorgaans dateert aan het begin van die periode, weet ik niet.
Een van de bekendste fabeldieren is de sfinx, hier met een jong (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)
Alle oude volken kenden zo hun eigen fabeldieren en voegden daar de fantasiebeesten van hun buurvolken aan toe. De sfinxen die in de Mesopotamische mythologie de Boom des Levens bewaken, keren terug in het joodse verhaal over de Tuin van Eden. De Humbaba’s van de Babyloniërs werden de Gorgonen van de Grieken. Ik schreef er al eens over. De lamassu’s uit Mesopotamië staan op munten uit Sicilië. De Romeinen namen van de Grieken de hele goddelijke veestapel over en daarvandaan wandelde die door naar de middeleeuwse bestiaria.
Hierboven ziet u een sfinx op een ivoortje uit het Nationaal Museum van Irak in Bagdad; de foto is gemaakt door Marjon Verburg, die Irak onlangs bezocht. Op de achtergrond herkent u de paradijselijke vegetatie maar het leukste is natuurlijk dat deze sfinx een jonkie heeft. De ivoorsnijder kende aan het mythologische beest normale dierlijke eigenschappen toe.
Parthische sculptuur in het heropende museum van Bagdad
Ooit toonde het museum van Bagdad hoe in het oude Mesopotamië de beschaving was ontstaan. Zo’n vijfduizend jaar geleden verrezen aan de oevers van de Eufraat en Tigris de eerste steden en vestigden de eerste koningen hun macht. Het schrift ontstond, juristen, dichters en geleerden traden aan, en voor het eerst werd geschreven over de grote levensvragen. Een kwart miljoen voorwerpen in de museumvitrines en magazijnen illustreerden het proces. Tot op 10 april 2003 de plundering begon.
Hoe kon het zover komen? De plunderaars waren in elk geval geen vrome moslims die voorwerpen uit de ‘tijd der onwetendheid’ kapotsloegen. Ze namen namelijk tevens de moeite de catalogi, foto’s en digitale inventarissen te vernietigen. Zoiets doe je alleen om te verhinderen dat de gestolen voorwerpen ooit worden geïdentificeerd. Met andere woorden: als je antiquiteiten wil verkopen op de zwarte markt.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.