Een van de betere zinnen van Titus Livius is dat Julius Caesar, toen hij de Rubico overstak, met het Dertiende Legioen “de wereld bestormde”. De slimmerik die opmerkt dat we Livius’ verslag van de Tweede Burgeroorlog niet hebben, kan het citaat vinden bij Orosius.
Caesar had de eenheid in 57 v.Chr. geformeerd, in de aanloop naar zijn aanval op de Belgische stammen in noordelijk Gallië. Het legioen stond in de achterhoede tijdens de slag aan de Sabis, de Selle in Noord-Frankrijk, waarin Caesar de Nerviërs versloeg. Later vinden we de eenheid aan de Atlantische kust en tijdens de belegering van Gergovia. Ook blij de blokkade van Alesia moet het Dertiende betrokken zijn geweest.
Als ik thuis kom van een buitenlandse reis heb ik altijd wat tijd nodig om mezelf te herwinnen. Je doet inkopen, je draait de was, je ruimt je reisgidsen op, je probeert de achterstallige mail te beantwoorden. Aangezien ik uit Tunesië ben teruggekeerd in een land met extra gezondheidsmaatregelen is het allemaal wat moeizamer dit keer, maar evengoed zijn er verloren halve uurtjes waarin ik de foto’s kon ordenen die ik in Tunesië heb genomen. Ze documenteren de Romeinse provincies Africa Proconsularis en Numidia.
Bovenstaande foto nam ik in het amfitheater van Uthina en ik zal niet beweren dat dit het soort afbeeldingen is waarvoor prijzen worden gegeven. Het is de ingang. Na het ochtendprogramma, dat meestal bestond uit wildedierengevechten, en na de executies rond het middaguur stelden wat later in de middag de gladiatoren zich hier op. Ze maakten dan een parade door de arena, keerden hier terug en wachtten op wat er komen zou. Of ze tot de dood zouden vechten of tot er bloed vloeide, was afhankelijk van de kapitaalvernietiging waarmee de sponsor zijn stadsgenoten wilde imponeren. Die reageerden met acclamaties. Een mozaïek in het museum van Sousse vermeldt de enthousiaste kreten: Hoc est habere, hoc est posse (“Dat is pas rijk zijn, dat is pas vermogend zijn”).
Voor zover mij bekend is er maar één antieke tekst die de intocht der gladiatoren beschrijft vanuit hun eigen perspectief: een tekstje van Pseudo-Quintilianus. (Die curieuze naam wil overigens alleen maar zeggen dat de tekst is overgeleverd met het werk van de hoogleraar in de welsprekendheid Quintilianus, maar dat het geen werkstuk is van die auteur.) Pseudo-Quintilianus suggereert de spanning die de mannen moeten hebben gevoeld. De verhitte metalen platen die hij noemt, dienden om de strijders in de arena te houden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.