Mohisme 5: Universele liefde

Klokken als symbool van orde (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

In welke volgorde de mohisten hun doctrines zelf plaatsten is niet duidelijk. Uit de latere taoïstische canons waarin de Mozi is overgeleverd, zijn twee volgordes bekend, wat latere vertalers de vrijheid bood om met eigen volgordes te komen, die in hun ogen een beter inzicht gaven. En dit geeft mij op mijn beurt weer de vrijheid met mijn eigen volgorde te komen, die mij als het meest logisch aanvoelt.

Lees verder “Mohisme 5: Universele liefde”

Mohisme 4: Doel en methode

De stal van een boer die zijn land niet verliet (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

Wat was het doel van de mohisten? Daar waren zij gelukkig heel expliciet over. Kort gesteld is het mohisme een filosofie die “het welzijn van allen” centraal stelt.

Lees verder “Mohisme 4: Doel en methode”

Mohisme 3: de “Mozi” (2)

Een Chinese soldaat (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

We hebben in het vorige blogje gezien dat de Mozi met een aantal inleidingen, de tien doctrines en de teksten tegen Confucius een goed overzicht biedt van het mohisme. Daarmee hebben we de Mozi echter nog niet uitgelezen. We lezen verder.

Lees verder “Mohisme 3: de “Mozi” (2)”

Mohisme 2: de “Mozi” (1)

Blad uit de Mozi

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde serie: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

Het mohisme moet in de Periode van de Strijdende Staten een belangrijke en invloedrijke stroming zijn geweest, ieder geval invloedrijk genoeg om  confucianisten en taoïsten te motiveren de mohisten herhaaldelijk van repliek te dienen, in onder andere de Analecten en de Zhuangzi, twee sleutelwerken van het vroege confucianisme en het taoïsme.

Lees verder “Mohisme 2: de “Mozi” (1)”

Mohisme 1: wie was Meester Mo?

Munt uit de Periode van de Strijdende Staten (Residenzschloss, Dresden)

[Kees Alders schrijft over de oosterse wijsgerige stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over Chinese filosofie stond daar en deze week begint de derde reeks, gewijd aan Meester Mo, het boek Mozi en het mohisme.] 

Stel: je bent geboren in China in het jaar 475 v.Chr. Dat is aan het begin van de IJzertijd, en ijzer werd onder meer gebruikt voor betere werktuigen in de landbouw. Je leeft daarmee in een tijd van een landbouwrevolutie. Terwijl je ouders en grootouders noodgedwongen boer waren, heb jij de kans gekregen om je te specialiseren, en bijvoorbeeld timmerman te worden.

Lees verder “Mohisme 1: wie was Meester Mo?”

Ktesias’ Geschiedenis van de Perzen

Een Perzische ruiter verslaat een Griekse soldaat (Staatliche Münzsammlung, München)

In het vorige blogje introduceerde ik de Griekse geschiedschrijver Ktesias, en vertelde ik dat aan zijn betrouwbaarheid sterk wordt getwijfeld. Dat heb ik niet echt toegelicht, dus ik bied nu een becommentarieerd overzicht van zijn Geschiedenis van de Perzen.

Assyrië, Babylonië en Medië

Dat werk begint met drie boeken over de geschiedenis van wat Ktesias aanduidt als Assyrië. En daarmee verraadt hij dat hij staat op de schouders van de door hem bekritiseerde Herodotos van Halikarnassos, die met deze naam verwijst naar zowel Assyrië als Babylonië. De verklaring kan alleen maar zijn dat beide voormalige koninkrijken in Achaimenidisch Perzië behoorden tot dezelfde bestuurseenheid, maar het is absurd om het terug te projecteren op de eerdere geschiedenis. Ktesias volgt Herodotos in zijn vergissing, en wat hij presenteert als geschiedenis is grotendeels legendarisch.

Lees verder “Ktesias’ Geschiedenis van de Perzen”

Ktesias, geschiedschrijver (of zo)

Zomaar een Griek (Archeologisch museum, Delfi)

Het is voor ons, levend in de rijke westerse wereld, eigenlijk vrij simpel: een bewering is waar of niet. Voor ons interessant is de discussie over de waarheidstheorieën (is iets waar omdat het correspondeert met een waargenomen feit of omdat het voortvloeit uit andere waarheden?) en de discussie over robuustheid (hoe waarschijnlijk is het dat iets waar is?). Over zulke thema’s kunnen wij nadenken met enige kans dat we ook iets bereiken, want we hebben de filosofische concepten, de wiskunde, de tijd en het geld. We kunnen onderzoek doen.

Wat is waar?

Dat was anders in de tijd vóór de Wetenschappelijke Revolutie, dus zeg maar de tijd van Vesalius, Stevin en Newton. Afgezien van de wiskunde, waarin een ware bewering voortvloeit uit axioma’s, was waarheid eeuwenlang ontoetsbaar. Als iemand beweerde dat je niet voorbij de evenaar kon zeilen omdat het daar te heet was voor menselijk leven, kon je niet even een expeditie ondernemen om dat te onderzoeken.

Lees verder “Ktesias, geschiedschrijver (of zo)”

Ekbatana

Gouden rhyton uit Ekbatana (Nationaal Museum, Teheran)

Een van de vele wonderlijke verhalen die de Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos vertelt, is zijn beschrijving van Ekbatana, dat volgens hem de hoofdstad was van het Iraanse volk der Meden. Het gaat met zekerheid om de huidige stad Hamadan in het westen van Iran: beide plaatsnamen gaan terug op een oud-Iraans woord Hagmatana, “verzamelplaats”. Herodotos vertelt dat een zekere Deïokes, een onkreukbare rechter, de verschillende Medische groepen tot een eenheid maakte en een hoofdstad stichtte.

Ekbatana is vanwege de concentrisch gebouwde muren onneembaar. Ze zijn zo aangelegd dat iedere ringmuur slechts met zijn tinnen boven de volgende uitsteekt. Deze constructie werd vergemakkelijkt door het feit dat de vesting zich op een heuvel bevindt, maar het is voornamelijk het werk van mensenhanden geweest. In totaal zijn er zeven van dergelijke cirkels en in het middelpunt staat het paleis met de schatkamers. … De tinnen van de eerste vijf zijn fel beschilderd in verschillende kleuren: wit voor de eerste, dan zwart, de derde rood, de vierde blauw en de vijfde oranje. De twee binnenste muren zijn respectievelijk verzilverd en verguld. Dit vestingwerk diende om de koning en zijn onderkomen te beschermen. Op bevel van Deïokes moest het volk zijn huizen in een kring om de buitenmuur heen bouwen.noot Herodotos, Historiën 1.98; vert. Hein van Dolen.

Lees verder “Ekbatana”

De ambtstermijn van een dictator

Mogelijk portret van de dictator Sulla (Glyptothek, München)

Aan het begin van de vierde eeuw v.Chr. begon Rome een regionale grootmacht te worden. Het beslissende moment was de inname van de Etruskische stad Veii in 393/392 v.Chr. ofwel 396 volgens de onjuiste traditionele chronologie. De gebeurtenis kreeg in de Romeinse geschiedschrijving legendarische trekken: de belegering zou à la Trojaanse Oorlog tien jaar hebben geduurd en pas succes hebben gehad nadat de Romeinse generaal Marcus Furius Camillus het ritueel had voltrokken dat bekendstaat als evocatio.

En zo werd Rome een machtige stad. Gevaarlijk machtig, naar de zin van de alleenheerser van Syracuse, Dionysios I. Daarom verzocht hij de Gallische huurlingen die hij in die tijd in dienst nam, om even langs Rome te gaan, als ze toch op weg waren naar het zuiden. Op 18 juli 387 versloegen zij een Romeins leger en daarna sloegen ze het beleg op voor het Capitool. De Romeinen kochten de belegeraars af en we vinden de Galliërs vervolgens in de “teen” van Italië. Dionysios stuurde later nog eens een vloot, die overigens weinig te plunderen vond.

Lees verder “De ambtstermijn van een dictator”

Apulië, Iapygië, Messapië of Calabrië?

Apulische helm (Metropolitan Museum, New York)

[Vierde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

Was het nu Iapygië, Messapië of Calabrië?

Hoewel er dus verschillen zijn in de grafculturen van de drie sub-volkeren van Apulië, en hoewel ze in de oude bronnen afzonderlijk worden benoemd, zijn er ook overeenkomsten, zowel in de materiële cultuur en de taal. We kunnen ons afvragen of Iapygiërs en Messapiërs niet gewoon synoniemen zijn, terwijl Daunië en Peuketië aanduidingen kunnen zijn voor een streek, waarbij die laatste dan een denigrerende Griekse term kan zijn. Ettore Maria de Juliis is echter stellig dat de diverse culturen met hun specifieke benaming zich gescheiden hebben ontwikkeld, aangezien de diversiteit in grafculturen gepaard gaat met variaties in de inscripties. In een artikel uit 2004 beschrijft hij hoe vanaf de zevende eeuw v.Chr. de eenheid van Iapygië verloren gaat en zich drie subregionale culturen ontwikkelen.

Simona Marchesini bevestigt de taalvariatie, en kadert die in een Griekse invloed:

De Apulische (noordelijke) alfabetvariant ontstond ongeveer twee eeuwen later dan de zuidelijke, Salentijnse variant. … Als verklaring voor deze chronologische kloof wordt soms een bewuste culturele distantie verondersteld van de noordelijke bevolkingen ten opzichte van die in het zuiden. De elites van de Dauniërs en Peuketiërs waren duidelijk vertrouwd met de Griekse cultuur, wat blijkt uit de rijk geïllustreerde Apulische keramiek met scènes uit de Griekse mythologie en tragedie (vijfde/vierde eeuw v.Chr.). Dit wijst op een sterk geaccultureerde regio.

Uit wat Strabon van Amaseia vertelt, kunnen we afleiden dat het onderscheid tussen Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs in zijn eigen tijd, eind eerste eeuw v.Chr., geen rol meer speelde. De lokale bevolking zou die namen zelf niet meer gebruiken. Wél was er intussen in de hak van Italië, het oude Messapië dus, een onderscheid ontstaan tussen de noordelijke Salentijnen en de zuidelijke Calabriërs. Ook andere auteurs gebruiken “Calabriërs” als alternatieve naam.

Voor de oplettende lezer is deze vermelding van Calabriërs wat verwarrend omdat we vandaag de ganse hak van Italië “Salento” noemen, terwijl “Calabrië” de huidige naam is van de voorvoet in de Italiaanse laars. Dat komt doordat de Byzantijnen later Calabrië als overkoepelende naam voor Zuid-Italië gebruikten; omdat op dat moment enkel de teen van Italië nog onder hun invloed was, bleef die naam daaraan kleven.

Economische en sociologische inzichten

Volgens Strabon was het Iapygische landschap tamelijk vruchtbaar, althans in zijn tijd, dus het begin van onze jaartelling. Ondanks die geschikte grond voor landbouw en veeteelt, was de streek ontvolkt geraakt en waren er behalve Brindisi en Bari geen noemenswaardige steden. In de eerdere bloeitijd waren dat er volgens Strabon nog zeker dertien geweest.

Apulisch beeldje van een varken (Museo Civico, Milaan)

De Juliis beschouwt de landbouw als grootste bron van de Iapygische welvaart, geïntegreerd met veeteelt:

Schapen en varkens in de bergachtige en heuvelachtige gebieden van de Daunische sub-Apennijnen en de Alta Murgia, paarden op de vlaktes van Daunia en Messapia.

Verder weten we dat de olijfboom in het eerste millennium al was gedomesticeerd. De Juliis beschrijft de dorpen als volgt:

Laagland- of heuvelnederzettingen bestonden uit groepen hutten verspreid over grote gebieden, terwijl kustnederzettingen een compactere structuur vertonen. De hutten waren gebouwd met palen, takken en riet en waterdicht gemaakt met lagen kleiachtige modder.

Het archeologisch materiaal toont dat de Iapyiërs ingebed waren in bredere handelsnetwerken. Dankzij de strategische ligging fungeerde Iapygië als een scharnier tussen de Adriatische Zee en de Egeïsche wereld, een functie die al teruggaat tot de Bronstijd. Contacten met Mykeense en latere Griekse gemeenschappen beperkten zich niet tot louter import, maar leidden ook tot overdracht van technieken. Volgens De Juliis voldeden de ambachtslieden vooral aan interne behoeften en zorgden ze voor een grote autonomie. Bij de Dauniërs leidde de productie van hoogwaardige artefacten zelfs tot export.

Tegelijk ontwikkelden de Iapygiërs geen uitgesproken maritieme handelsmacht naar Grieks model, noch een expansief koloniaal netwerk. Hun economie lijkt eerder te hebben gefunctioneerd als een intermediair systeem: lokaal verankerd in agrarische productie, maar open naar externe invloeden en uitwisseling.

Over de sociale structuur zegt De Juliis:

We kunnen met de nodige voorzichtigheid stellen dat in de vroege IJzertijd nog geen sterke klassevorming bestond. Het is waarschijnlijker dat sociaal ongedifferentieerde groepen werden geleid door “chiefs”, die het economische overschot van de gemeenschap samenbrachten, gebruikt in een kleine gezinsomgeving voor de aankoop van prestigieuze goederen.

Nochtans zou het zou op basis van de diversiteit en soms rijke graven, gerechtvaardigd lijken uit te gaan van een sociale elite en een zekere mate van gelaagde organisatie.

[Deze gastbijdrage van Dieter Verhofstadt wordt vervolgd. Dank je wel Dieter!]