Caesar op geldjacht

Munt van Caesar (Neues Museum, Berlijn)

Als ik schrijf dat het de idus van juni was in het jaar waarin Caesar en Lepidus het consulaat bekleedden, en als ik dat omreken naar 15 april 46 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u dit weer een blogje zal zijn in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Hij verliet Afrika. Het was lente en de zee was weer bevaarbaar. In Utica scheepte hij in. De hele Afrikaanse expeditie had een half jaar geduurd en hoewel hij belangrijke vijanden had verslagen én een flink stuk Numidië had geannexeerd, had hij redenen om ontevreden te zijn. Enkele vijanden waren ontsnapt: zijn medestrijder uit de Gallische Oorlog Titus Labienus, de oud-gouverneur van Afrika Publius Attius Varus en Pompeius’ zonen Gnaeus en Sextus. Ze waren gevlucht naar Andalusië, waar het al een tijdje onrustig was. Er zou nóg een ronde gevechten zijn in de Tweede Burgeroorlog. En dat was niet wat Caesar wilde. Wie een staatsgreep succesvol afrondt, wil kunnen regeren en de eindeloos voortslepende oorlog verhinderde dat.

Hij kon zijn soldaten ook al niet demobiliseren en stuurde Gaius Didius alvast met wat troepen richting Spanje. Hij moest ze blijven betalen. Een andere kostenpost was de oorlog in het noorden van Gallië, waar de Bellovaci opstandig waren. Uit een uittreksel van het geschiedwerk van Titus Livius weten we dat generaal Decimus Junius Brutus de opstand onderdrukte. Evengoed kostte ook die oorlog geld.

En dus eindigt de anonieme auteur van De Afrikaanse Oorlog met een reeks financiële maatregelen. Caesar had in Utica al een enorm bedrag geëist van de rijkste partijgangers van Metellus Scipio. In Zama had hij de bezittingen van koning Juba I geveild en de goederen verkocht van “degenen die als Romeinse burgers de wapens hadden opgenomen tegen het Romeinse volk”. Althans, zo formuleert de auteur van De Afrikaanse Oorlog het. Het was overigens toch echt Caesar geweest die de Rubico was overgestoken en als Romeins burger de wapens tegen het Romeinse volk had opgenomen.

In Utica had Caesar de bezittingen te gelde gemaakt van degenen die namens Marcus Petreius of Juba militaire commando’s hadden bekleed. Thapsus, dat er ook niets aan kon doen dat Gaius Vergilius de stad had bezet, moest twee miljoen sestertiën storten in Caesars krijgskas. De Romeinse burgers die in Thapsus stonden ingeschreven kregen een rekening van drie miljoen. Hadrumetum, een grotere stad, mocht drie miljoen betalen en de ingeschreven burgers werden extra aangeslagen voor nog eens vijf miljoen. Blijkbaar vond de auteur van De Afrikaanse Oorlog dat ook wat veel, want hij haast zich te zeggen dat Caesar de steden en hun domeinen zo beschermde tegen alle geweld en plundering.

Thysdrus kwam er vanaf met een jaarlijkse graanlevering terwijl Lepcis Parva een heffing van drie miljoen pond olijfolie per jaar kreeg opgelegd. Het wees vooruit naar de belangrijke rol die de provincie Afrika zou gaan spelen in de voedselvoorziening van de stad Rome.

Caesar kwam twee dagen later aan in Caralis op Sardinië. Daar legde hij de bewoners van Sulci een boete van honderdduizend sestertiën op, omdat ze Quintus Nasidius en zijn vloot hadden opgenomen en met troepen hadden geholpen, en beval ze van hun oogst een achtste in plaats van een tiende deel te betalen. Van enkele mensen verkocht hij de bezittingen.

Op 27 juni ging hij aan boord en voer van Caralis langs de kust. Omdat hij door storm en in havens werd vastgehouden, kwam hij zevenentwintig dagen later in Rome aan.

Dat was dus op 25 quintilis ofwel 26 mei. En toen was het tijd om allerlei bestuurlijke maatregelen te implementeren. En een weergaloze triomftocht te houden: over de Galliërs, over de Egyptenaren, over de Pontiërs en over de Numidiërs. Vermoedelijk was inmiddels ook koningin Kleopatra aangekomen, die haar intrek had genomen in een villa aan de overkant van de Tiber. Caesarion, het zoontje van Kleopatra en Caesar, was alweer tien maanden.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]


Bulla Regia

april 1, 2025

De zeeslag bij Kanopos

december 19, 2022
Deel dit:

3 gedachtes over “Caesar op geldjacht

  1. Voor ons idee – hoeveel was ‘één miljoen sestertiën’ voor die stad/burgers? Een loodzware belasting of iets dat ze met zuchten en steunen wel konen vrijmaken? Ik neem aan dat de verkochte bezittingen gewoon op naam van JC overgeschreven werden? Of op naam van zijn ‘cliënten’ wiens agenten zeker in zijn buurt hebben verkeerd?

    En hoe ging dat ‘storten’ in z’n werk? Bij gebrek aan banken moest er klinkende munt in schepen geladen worden? De troepen werden tenslotte ook in munten uitbetaald.

    1. Als ik dat allemaal wist, had ik de Nobelprijs voor de economie gewonnen en doceerde ik inmiddels aan het INSEAD.

      Vier sestertiën was een goed dagloon, dus we hebben hier 250.000 daglonen, maar we kunnen dat niet omrekenen naar onze tijd omdat de structuur van de economie destijds heel anders. Je zou ook de zilverwaarde als uitgangspunt kunnen nemen, maar daar speelt hetzelfde probleem. We kunnen de conversie tussen het toenmalige en het huidige economische stelsel niet maken.

      1. Ik hoef niet te weten wat het nu kost, maar hoe groot zo’n geldsom toen was 😉 Weten we of heffingen van deze hoogte vaker werden opgelegd? Of wat een gemiddeld landgoed in die tijd opbracht? Of hoe je een paar miljoen sestertiën (liefst niet naar uien ruikend) per schip vervoert?

Reacties zijn gesloten.