Laat-antiek Thracië

Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Crisis

Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

Lees verder “Laat-antiek Thracië”

XIII Gemina (2)

Grafsteen van een soldaat van XIII Germina (Nationaal Museum, Ljubljana)

Keizer Domitianus (r.81-96) plaatste XIII Gemina, waarover ik zojuist blogde, in 89 over naar de nieuw gestichte basis Vindobona, het huidige Wenen. De Daciërs waren in 86 het Romeinse Rijk binnengevallen en hadden de legioenen verslagen die het Beneden-Donau-gebied hadden moeten verdedigen. In 88 was een groot Romeins leger Dacië binnengevallen, waar generaal Tettius Julianus de Dacische koning Decebalus had verslagen. Het Dertiende was een van de negen betrokken legioenen geweest. Helaas had de opstand van de gouverneur van Germania Superior, Lucius Antonius Saturninus, het uiteindelijke succes verhinderd. De overplaatsing naar Wenen was een manier om niet alleen Dacië maar ook het Rijnland in de gaten te houden.

En de Boven-Donau. Want ook daar was de situatie gespannen. In 92-93 nam het Dertiende deel aan Domitianus’ oorlog tegen de Sueben en Sarmaten. Het is in deze context dat we de operatie moeten plaatsen van Velius Rufus, die met een groot leger trok door het gebied benoorden de Donau, van Roemenië naar Tsjechië.

Lees verder “XIII Gemina (2)”

Het rijk van Palmyra

Mogelijk portret van Odaenathus (Museum van Palmyra)

Ten oosten van Palmyra, voorbij de Eufraat, lag het Parthische Rijk. Anders dan het Romeinse Rijk was het geen centrale staat, maar een confederatie van stadstaten, koninkrijken en stammen. Onder de stadstaten was Charax, aan de kop van de Perzische Golf, een van Palmyra’s handelscontacten. Onder de oude koninkrijken bevond zich Persis, geregeerd door de Sassaniden, die beweerden afstammelingen te zijn van de Achaimeniden.

In 224-226 na Chr. kwam de Sassanidische vorst Ardašir I in opstand tegen de Parthische koning Artabanos IV. Met succes: de Perzen namen de macht over in het oosterse wereldrijk. De nieuwe “koning der koningen” ging verder met het aanvallen van de Romeinse steden Nisibis en Edessa, en al snel was de Eufraatvallei veranderd in een oorlogsgebied. De Romeinse keizer Severus Alexander leidde een tegenaanval – de aanleiding tot het zojuist genoemde bezoek aan Palmyra in 232 – en wist de status quo te herstellen. Althans gedeeltelijk. De handel tussen Palmyra en de Perzische Golf was nu moeilijker, dus contacten met India en China waren voortaan afhankelijk van de welwillendheid van de Sassanidische heersers.

Lees verder “Het rijk van Palmyra”

De Romeinse keizers van Gallië (2)

Tetricus, de laatste heerser van het Gallisch Keizerrijk (Bodemusem, Berlijn)

Omdat het Gallisch Keizerrijk zo goed was georganiseerd, kon het zijn stichter overleven. Postumus’ einde kwam in 269. Zijn munten waren altijd van hoger gehalte geweest dan die van Gallienus en diens opvolger Claudius II Gothicus, maar in 268 verlaagde de Gallische keizer onverwacht de hoeveelheid zilver in zijn munten. Het lijkt onrustig te zijn geweest en een zekere Laelianus riep zichzelf uit tot keizer, bezette de munt in Keulen en maakte Mainz tot hoofdstad. Postumus onderdrukte de opstand, stond zijn soldaten niet toe Mainz te plunderen en werd daarop door zijn eigen mannen gedood.

Zijn opvolger heette Marius en is een wat schimmige figuur. Hij werd vrijwel meteen vervangen door de commandant van de praetoriaanse garde van het Gallisch Keizerrijk, Victorinus. Ook die is een beetje kleurloos, al schijnt zijn huis in Trier te zijn geïdentificeerd. We weten alleen dat hij in 266 of 267 het consulaat deelde met Postumus en we mogen daarom aannemen dat hij de rechterhand van Postumus was. Hij lijkt de stad Autun te hebben moeten belegeren, maar in 270 was hij de situatie voldoende meester en het zegt veel over de stabiliteit van het Gallisch Keizerrijk dat de Germaanse stammen zich in deze crisis rustig hielden.

Lees verder “De Romeinse keizers van Gallië (2)”

De Romeinse keizers van Gallië (1)

Postumus, stichter van het Gallisch Keizerrijk (Bodemuseum, Berlijn)

Ik heb het, in het kader van mijn reeks over Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, al vaker gehad over de fase van de Romeinse geschiedenis die bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. De crisis als geheel, de Sassaniden en de afname van de economische mogelijkheden kwamen al aan de orde. De gevolgen waren immens. Rond 270 was het Romeinse Rijk in drieën uiteengevallen. Het centrale rijk (bestuurd door achtereenvolgens Gallienus, Claudius II Gothicus en Aurelianus) bestond uit Italië, de Afrikaanse provincies en een onrustige Balkan. In het oosten was het Rijk van Palmyra, in het westen het Gallisch Keizerrijk.

Je kunt die afsplitsingen zien als dieptepunt van een crisis, maar dat is te eenzijdig. Dat de Galliërs in alle opzichten het “echte” Romeinse Rijk imiteerden, bewijst vooral hoe grondig de romanisering was geweest, hoe groot het zelfvertrouwen van de provincies was en hoe vitaal de Romeinse wereld bleef.

Lees verder “De Romeinse keizers van Gallië (1)”