Ik geloof niet dat ik ooit een blogje ben begonnen met een raardere titel dan vandaag, maar het kan geen kwaad het eens te hebben over PUS, PAS en PES. Het zijn de afkortingen van drie manieren om te kijken naar wetenschapscommunicatie:
Public Understanding of Science,
Public Awareness for Science,
Public Engagement with Science.
U mag Science overigens ook vervangen door Scholarship, want dat maakt hier niet uit.
Populariseren
Maar eerst terug naar de jaren zestig, toen ze wetenschap nog “populariseerden”. De gedachte was dat aan de ene kant de wetenschap stond die optrad als “zender”, en dat aan de andere zijde het grote publiek de passieve “ontvanger” was. Populariseren heet daarom ook wel het “zender-ontvanger-model”. Het probleem is dat wordt aangenomen dat het publiek zonder verder vragen te stellen altijd aanvaardt wat de wetenschap zegt (“dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen”).
[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing, waarvan het eerste deel hier is, zal niets bieden wat niet al eerder is gezegd. Doorlezen op eigen risico.]
De omgekeerde volgorde
Ons doel is dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de limes, zo snel en adequaat mogelijk terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. Een goed proces zou erop neerkomen dat er (1) een wetenschappelijke publicatie is met dat nieuwe inzicht, (2) een beslissing valt dit inzicht met het publiek te delen, (3) overleg plaatsvindt over de eigenlijke boodschap, (4) doelgroepen worden geïdentificeerd, (5) media bij de doelgroepen worden gezocht, (6) een communicatieplan wordt opgesteld dat (7) wordt uitgevoerd. Tot slot is er een evaluatie.
Bij de limes is het niet volgens dit ideale schema gegaan. Er was al veel gedaan toen het besluit viel de limes te promoten (Commissie-Van Oostrom, daarna werelderfgoedstatus-aanvraag). Hierop volgden meer uitwerkingen, met Hoge Woerd als hoogtepunt, maar ondertussen werd er nauwelijks gesproken over de boodschap en werd onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen (zo meteen meer). Pas vrij laat kwam het Interpretatief Kader, waarvan de opstellers rekening moesten houden met partijen en praktijken die in het ideale schema nooit een rol toegewezen zouden hebben gekregen. Dit is de cruciale fout geweest: niet vertrekken bij de informatiebehoefte van het publiek, niet zoeken welke expertise noodzakelijk was, maar uitgaan van het aanbod van partijen die al bekend waren. Mede hierdoor groeide een “tweede trechter” (zo meteen meer). De eerste echte wetenschappelijke synthese is eigenlijk pas zojuist verschenen. We zijn dus begonnen bij stap zeven, eindigen bij stap één en zitten nu opgezadeld met voldongen feiten.
De Processiestraat in Babylon (Pergamonmuseum, Berlijn)
[Het tweede deel van een artikel; het eerste is hier.]
2
Eén factor is dat de eisen die we stellen aan de wetenschapscommunicatie met het opleidingsniveau van de bevolking mee stijgen: het wetenschappelijk proces moet daarom worden uitgelegd. In veel vakgebieden is dit niet zo’n probleem, maar in de humaniora wel: de eis – een terechte eis – kwam immers ongeveer op hetzelfde moment waarop de opleidingen tot vier jaar werden beknot. Anders gezegd: terwijl het publiek meer wil weten, ontbrak het de letterenfaculteiten aan de mogelijkheden studenten voldoende lang op te leiden.
Zelfs gepromoveerden blijken minder te weten dan het publiek nodig heeft. Om niet wéér te beginnen over Fik Meijer (maar zie desgewenst dit, dit en dit), noem ik een classicus die me vertelde dat hij dankzij mijn blog begreep hoe makkelijk een papyrus viel te vervalsen. Dat was bedoeld als compliment en ik heb iets vriendelijks geantwoord, maar het is in feite verontrustend. Het betekent dat het publiek dingen nodig heeft die een universiteit blijkbaar niet langer bekend veronderstelt bij zijn medewerkers. Er is dus een groeiende inhoudelijke overlap tussen universiteit en periferie en daardoor neemt de kans toe dat de universiteit meent dat in de periferie iets gebeurt waarvoor zij verantwoordelijk is.
Anderhalf jaar geleden schreef Carlijne Vos een verhelderend stuk in De Volkskrant over asielzoekers, dat ze inleidde met de opmerking dat het tijd was “om fictie van feiten te onderscheiden”. Er was helemaal niets mis met haar betoog. Voor wie probeerde genuanceerd te denken over de problematiek, stond er veel lezenswaardigs in. Wie zich daarentegen vooral zorgen maakte en de nuance voorbij was, werd door het stuk vooral bevestigd in het idee dat die linkse journalisten van De Volkskrant desnoods gewoon logen om hun multiculti-ideaal op te dringen aan een Nederland dat met die gelukzoekers allang helemaal klaar was.
Die laatste reactie was dan een uiting van het backfire-effect. Het lijkt zo voorbeeldig wat Vos deed: het presenteren van de correcte feiten en het uitleggen van de wijze waarop die zijn vastgesteld, maar het werkt niet. Weliswaar is uitleg vaak een manier om een discussie naar een goed einde te brengen, maar dat is niet het geval wanneer de context al polemisch is. Dan worden zelfs de objectiefst-denkbare gegevens en de allerredelijkste methoden gewantrouwd.
De bovenloop van het Nijmeegse aquaduct op het terrein van Museumpark Orientalis
Vorige week sprak Ionica Smeets, die u kunt kennen als columniste van De Volkskrant, in Leiden haar inaugurele rede uit als hoogleraar wetenschapscommunicatie. Dat ging niet helemaal onopgemerkt voorbij: De Volkskrant plaatste zaterdag een leuke, veelbesproken samenvatting met zeven lessen. Er was – althans in mijn Twitter-timeline – wat hilariteit over het feit dat die achter een betaalmuur lag maar er is een filmpje:
Om met een persoonlijk bezorgdheid te beginnen: ik was vooral blij dat Smeets opmerkte dat foute voorlichting vaak begint met wetenschappers die overdrijven. Van de oudheidkundige persberichten heb ik het een jaar of wat geleden eens geturfd: twee vijfde bevatte fouten die de wetenschappers moesten hebben herkend. Altijd weer overdrijving, altijd weer onvoldoende onderbouwde claims. Dit geschreeuw is sowieso vreemd maar wordt helemaal curieus als je bedenkt dat het belang van de humaniora is dat je je eigen gelijk leert relativeren. In de humaniora gaat het om de mitsen en de maren.
Het probleem is steeds hetzelfde: PVV-leider Geert Wilders ziet ergens iets dat fout is en constateert die fout dan niet om haar te corrigeren, maar om er politiek gewin uit te halen. Dit keer valt hij over een uitspraak van de Tilburgse hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen die oordeelt dat Wilders “het klassieke fascistische verhaal” vertelt en – zo lees ik hier – stelt “dat mensen in opstand moeten komen tegen de herhaaldelijke uitlatingen van Wilders over een nepparlement”.
Toevallig ben ik dat met Frissen eens. Ik mag dat zeggen, want ik ben een burger. Frissen mag dit als burger ook allemaal zeggen. Bovendien kan hij als wetenschapper concluderen dat Wilders’ betogen voldoen aan deze of gene definitie van fascisme. Het is echter een heel andere zaak als hij als wetenschapper mensen oproept in opstand te komen.
“Een strijd tegen een traditie is geen gevecht met de ratio.” Dat is wat Max Westerman een tijdje geleden schreef in het Handelsblad. U leest het hier. Hij betoogt dat traditieliefhebbers – of het nu gaat om het afsteken van vuurwerk, Zwarte Piet of het koningshuis – zich niet zomaar moeten bedienen van het argument “het is nu eenmaal traditie” en zich in de argumenten van de tegenstanders moeten verdiepen.
Ik ben het daarmee eens. De eerste persoonlijke herinnering die me te binnen schiet is dat ik, toen ik in Leiden afstudeerde, verbaasd was een bul te krijgen in het Latijn en het Nederlands. Engels en Nederlands leek me, met het oog op de internationalisering, een stuk praktischer, maar mijn suggestie dat aan te passen, opdat mensen in buitenlanden ook begrepen wat Leidse alumni vermochten, liep stuk op traditie. Beetje gênant, want universiteiten zijn ingesteld om te denken zonder acht te slaan op autoriteit of traditie.
In De Volkskrant van vandaag schrijft Ellen de Visser dat in het Leidse Universitair Medisch Centrum een reuma-onderzoekster vrij systematisch de resultaten van haar onderzoek heeft vervalst. Het is gelukkig uitgekomen op de normale manier: collega’s konden de resultaten niet reproduceren. Twee al gepubliceerde artikelen zijn inmiddels teruggetrokken, de vrouw is ontslagen en het onderzoek – dat had moeten leiden naar een geneesmiddel – is beëindigd. Het excuus van de onderzoekster is inmiddels al even normaal: de combinatie van hoge werkdruk en de noodzaak resultaten te kunnen tonen, leidde tot fraude. Blijkbaar vinden althans sommige onderzoekers het normaal dat bij de keuze tussen patiëntenbelang en eigenbelang het laatste prevaleert.
Voorbeeld twee
Ik vernam de afgelopen maand van twee identieke wetenschappelijke benoemingsprocedures. Beide keren ging het om een mij bekende onderzoeker – briljant, blank, Europees en man – die werd uitgenodigd te solliciteren bij een internationaal project. Beide waren de droomkandidaat. Beide keren bleek er een complicatie: op beide projecten werkten al veel briljante blanke Europese mannen en uiteindelijk werd in beide gevallen iemand benoemd met mindere wetenschappelijke kwalificaties. Dit betekent, met andere woorden, dat de wetenschap zélf inbreuk maakt op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de best-denkbare wetenschap te leveren en dus de burger dupeert. In één geval leidde het tot een boze reactie van een bedrijf dat bij het project was betrokken; die kwestie speelt nog.
De directeur van een woningcorporatie, zo lees ik, laat zijn organisatie achter op de rand van bankroet. Evengoed neemt hij een bonus mee van 3,5 miljoen euro. Dat is wrang, en daarom wil Kamerlid Monasch “het hele juridisch arsenaal uit de kast halen” om het terug te vorderen. Ook minister Spies vindt de beloning “ongepast”.
Allemaal praatjes voor de vaak. Als Monasch werkelijk zou denken aan juridische stappen, sprak hij met een advocaat en niet in de Kamer. Mijn eerste reactie was daarom dit terzijde te schuiven als de zoveelste stommiteit waarmee de burger kopschuw wordt gemaakt voor de politiek.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.