Academische titels

malebolge

De Geschiedenis van rampen, de autobiografie van de Franse geleerde Pierre Abélard (1079-1142), is een van de sleutelteksten uit de geschiedenis van het westerse denken. De auteur moet een onuitstaanbare man zijn geweest: in een klooster waar hij te gast was, maakte hij zich onmogelijk door kritische vragen te stellen bij de historiciteit van de stichter. Al eerder, als leerling aan de kathedraalschool van de Notre Dame in Parijs, had hij het zijn docent Willem van Champeaux (1070-1121) zó moeilijk gemaakt dat deze hem had gezegd dat als de leerling het dan zo goed wist, hij de volgende les maar moest verzorgen.

Lees nog even terug en kijk wat daar feitelijk staat: de docent die accepteert dat zijn student het beter kan weten. Dit zou de kern worden van een nieuw schooltype. De aloude kathedraalschool was nog een plek waar het leergezag in handen was van de kerk. Waarheid was er gebaseerd op de autoriteit van de heilige schrift, van de kerkleraren, van concilies en bisschoppen. Veel, zo niet alles, draaide om autoriteit. En in zo’n school erkende Willem van Champeaux dat een student betere argumenten kon hebben. Dat is groots.

Lees verder “Academische titels”

1 mei op de UvA

Communiqué
Communiqué

Ik kwam er donderdag toevallig langs fietsen maar was te laat om nog iets te zien van de bezetting van het Service- en Informatiecentrum van de UvA. Het was al voorbij. Er hing een bordje dat studenten op een ander adres welkom waren, het communiqué van het “Students’ 1st of May Committee” hing nog achter een raam, een zwart spandoek wapperde vergeten in een hoek. “Schorem is het,” gaf een passerende wandelaar als ongevraagd commentaar. “De lafaards zijn zojuist gevlucht,” meldde een medewerkster.

Begrijpelijke meningen. Dit was de meest bizarre protestactie in tijden. De bezetters keerden zich tegen “the university’s blatant marketisation under the managers’ neoliberalism”, wilden die terugdraaien en eisten daarom – om te beginnen – dat de eerste mei opnieuw een vrije dag zou worden. Alsof er geen urgentere kwesties zijn. Alsof het van deze tijd is werknemers voor te schrijven wanneer ze hun vrije dagen dienen op te nemen.

Maar het is nog bizarder. Om vier redenen.

Lees verder “1 mei op de UvA”

Een academische kwestie

post-atheistVan mij mag kerstmis worden afgeschaft. En pasen, pinksteren en hemelsvaartdag eveneens. Ik zie geen enkele reden om christelijke feestdagen dwingend aan de gehele samenleving op te leggen. Dat geldt ook voor het zevendaagse weekritme: een antieke erfenis die wat mij betreft mag verdwijnen. Als iemand een eed aflegt en vraagt om de hulp van God Almachtig, mogen van mij alle aanwezigen blijven zitten. Ik ben ook blij, trouwens, dat er geen “god zij met ons” meer staat op onze munten.

Dit meen ik allemaal vrij serieus. Ik stoorde me er wat aan toen ik vorig jaar een naturalisatieplechtigheid bijwoonde waar de aanwezigen mochten blijven zitten wanneer een nieuwe Nederlander een belofte aflegde, maar moesten staan als iemand een eed aflegde. Ik heb geen hekel aan religie, maar het stoort me als ik er deelgenoot van word gemaakt. Vier gerust religieuze feestdagen, maar dwing mij niet ze mee te vieren.

Lees verder “Een academische kwestie”

Parlementair onderzoek, alsjeblieft

1.

kamerIk heb al vaker geschreven dat onze universiteiten niet langer voldoen aan de verwachtingen die we er redelijkerwijs van mogen hebben. Dat ik er opnieuw over schrijf, is omdat het opnieuw mis is: de Groningse Rijksuniversiteit heeft de hoogleraar criminologie Patrick van Calster op non-actief gesteld terwijl de universiteit waar hij is gepromoveerd, de Brusselse Vrije Universiteit, hem de doctorstitel ontneemt. Gisteren was Karima Kourtit van de Amsterdamse Vrije Universiteit in het nieuws.

Twee dagen, twee kwesties. En iedereen kent de oudere gevallen: Peter Rijpkema, Dirk Smeesters, Don Poldermans en Diederik Stapel, waarbij we Roos Vonk dan maar het voordeel van de twijfel zullen geven, Ernst Jansen Steur zullen typeren als een medische aangelegenheid en Mart Bax zullen beschouwen als verjaard. De lijst opzichtig falende onderzoekers begint verontrustend lang te worden en het ergste is de trieste voorspelbaarheid van de affaires.

Lees verder “Parlementair onderzoek, alsjeblieft”

Verkokerde vakgebieden (4)

[Dit is de laatste aflevering van een artikel over de versplintering van de oudheidkundige disciplines, dat oorspronkelijk is verschenen in Archeobrief  2011/1. De eerste verscheen hier.]

Wie een bron leest, moet het geschrevene kunnen contextualiseren. Alleen wie ook de Griekse auteur Herodotos heeft gelezen, herkent het stereotype karakter van Tacitus’ beschrijving van de feestmalen die de Germanen zouden hebben aangericht om belangrijke beslissingen te nemen. Wie een bron leest, moet bedenken hoe grillig de overlevering is. We hebben toevallig de luxe van vier teksten over de Varusslag, maar dat wil niet zeggen dat ze belangrijk was. Er valt een serieuze boom op te zetten over de theorie dat de Claudiaanse legerhervormingen (alleen bekend uit epigrafisch en archeologisch materiaal en pas in de loop van de twintigste eeuw herkend) beslissend waren voor het ontstaan van de limes. Wie een bron leest, moet niet naïef zijn.

Tot zover de teksthermeneuse, waar de archeoloog over het vakterrein wandelt van de classici. In de hier geboden ruimte kan niet worden ingegaan op de geschiedtheoretische aspecten, maar elke historicus die het zout in zijn pap waard is kan een archeoloog vertellen dat de Slag in het Teutoburgerwoud nooit de oorzaak kan zijn geweest van de totstandkoming van de limes en uitleggen dat de feitelijke vraag is of het gevecht een voorwaarde was. De achteloosheid waarmee archeologen en classici nauwkeurig gedefinieerde begrippen als aanleidingen, oorzaken en voorwaarden verwarren, komt de kwaliteit van de discussie net zo weinig ten goede als de nonchalance waarmee oudhistorici archeologische inzichten negeren. Hardnekkig houden ze vol dat de Romeinen Germanië tot aan de Elbe wilden veroveren, hoewel er nog steeds geen fort is gevonden voorbij de Weser. Terwijl geen archeoloog de Elbe-hypothese nog kan verdedigen, pompen oudhistorici deze informatie vrolijk rond.

De betekenis van de Slag in het Teutoburgerwoud zou sterker ter discussie kunnen staan. Ze is in elk geval geen keerpunt in de Europese geschiedenis en het is de laatste jaren denkbaar geworden dat de Romeinen na 9 op de oostelijke Rijnoever zijn gebleven. De noodzakelijke discussie wordt echter bemoeilijkt doordat archeologen verouderde kennis van oudhistorici overnemen en historici archeologische inzichten negeren. De bekorting van de studieduur in de jaren tachtig begint zich hier te vertalen in kwaliteitsverlies.

Een echte oplossing is er niet, al was het maar omdat er meer redenen zijn waardoor verouderde kennis blijft circuleren. Denk bijvoorbeeld aan het middelbare-schoolvak KCV, dat wordt gedoceerd door classici wier enthousiasme groter is dan hun kennis van recente inzichten uit de archeologie en geschiedvorsing. Zij leggen voor toekomstige archeologen een solide basis van verouderde kennis. Denk ook aan het feit dat de Nederlandse oudhistorici zich concentreren op de geschiedenis van Italië en Griekenland en archeologen niet als vanzelfsprekend corrigeren. Denk tot slot aan de data-explosie die op “Malta” is gevolgd: archeologen hebben geen gelegenheid meer hun deficiënte bronnenkennis bij te spijkeren.

Het feit dat inmiddels een kwart van de Nederlanders wetenschappelijke conclusies niet langer zonder meer gelooft, suggereert dat het kwaliteitsverlies in het oog begint te lopen. Het wordt tijd dat we gaan nadenken over een universiteit waarin studenten wél de tijd krijgen om te leren wat ze minimaal nodig hebben om deel te kunnen nemen aan het wetenschappelijk debat.

De universiteit en de geesteswetenschappen

Minerva’s uil denkt er het zijne van

Passen de geesteswetenschappen nog aan de universiteiten? Voor één vak weet ik het antwoord: voor de oudheidkunde is dit kwestieus aan het worden. De verdere financiering daarvan is namelijk in strijd met het doelmatigheidsbeginsel, omdat de burger voor zijn belastingafdracht slechts oppervlakkige boekjes terugkrijgt. Er zijn enkele goede uitzonderingen, maar de best-verkopende boeken staan vol fouten en men negeert het internet.

Extra erg is dat de oudheidkundigen de meer geïnteresseerde belangstellenden in de steek laten. Nooit leggen academici uit wat hun methoden zijn. Dan moet je er niet van opkijken als mensen gaan denken dat iedereen wel een geschiedenisboek kan schrijven. De opkomst van kwakhistorici, die een belangrijk deel van de markt hebben overgenomen, is te verklaren doordat oudheidkundigen hun vak inadequaat uitleggen. Zo ontstaan steeds meer zichtbare fouten en krijgen steeds meer mensen een steeds lagere dunk van het vak.

Als je dit met oudheidkundigen bespreekt, zoals ik deed toen ik De klad in de klassieken schreef, geven ze verschillende antwoorden. Dat het populariseren niet hun taak zou zijn, is een leugen. De overdracht staat genoemd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dat de oudheidkundigen er niet voor betaald krijgen, is daarentegen wel waar, maar wie dit antwoordt, zegt tevens dat hij niet wil profiteren van de enorme markt. Elke cent die verdwijnt in de portemonnee van een kwakhistoricus, had óók onze universiteiten ten goede kunnen komen, mits de academici boeken zouden hebben geschreven die wél goed zijn.

De financiering van de universitaire oudheidkunde is dus simpelweg ondoelmatig: de burger ziet niets terug. De vraag is daarom of we met oudheidkunde nog verder moeten gaan aan de universiteiten. Ik denk zelfs dat de vraag nog iets breder is: moeten we überhaupt doorgaan met de geesteswetenschappen?

Rens Bod had daarover gisteren een goed stuk over in het NRC Handelsblad. Hij ziet nog mogelijkheden om verder te gaan. Ik denk dat hij te optimistisch is: door dertig jaar bezuinigingen, zijn ook de kiemen van mogelijk herstel vermoedelijk gestorven. Toch ben ik blij dat de vraag nu eens wordt gesteld door iemand die werkzaam is aan een universiteit.

Helaas: de krant plaatste het stuk niet online. Dat is ondoordacht, want door dit stuk offline te houden, zal de krant geen enkel los exemplaar extra verkopen. De mensen die over de geesteswetenschappen willen nadenken, hebben namelijk meestal wel een abonnement. Ze discussiëren echter wel online, en daar weet het NRC Handelsblad zijn relevantie nu goed verborgen te houden.

In die zin past het eigenlijk wel bij de geesteswetenschappen, die er ook altijd weer deksels goed in slagen verborgen te houden hoe belangrijk ze zijn.

Naschrift

Het NRC Handelsblad mag het dan niet online plaatsen, de auteur deed het wel: hier.

Toga-party in Leiden

Foto (c) Hielco Kuipers

Hoewel ik als historicus altijd heb geweigerd me te specialiseren, kan ik toch niet ontkennen dat ik de Oudheid het interessantst vind: Babylon, Egypte, Judea, Griekenland, Rome, de Kelten. Elke maand geef ik daarover een elektronische nieuwsbrief uit waarin ik links opneem naar het oudheidkundig nieuws van de voorgaande weken. Wat me elke maand weer opvalt, is dat met name archeologische persberichten erg inaccuraat zijn. Zo’n 40 procent ervan bevat serieuze onjuistheden, meestal overdrijvingen waarvan je vrij makkelijk kunt zien dat er wordt geprobeerd een financier te behagen.

Als ik hierover vertel aan collega’s, kijken ze me meestal wat meewarig aan. “Dat wisten we allang,” zeggen ze dan, verbaasd over mijn naïviteit. Ze weten dan meestal nog andere voorbeelden te geven, bewijzend dat ze het inderdaad allang wisten en dat ze niet de vermoeid-cynische pose aannemen van de wereldwijze geleerde die het allemaal al heeft gezien en niets meer gelooft. De archeologie heeft een serieus imagoprobleem.

Lees verder “Toga-party in Leiden”