Grafsteen van VIatorinus (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)
Een kleine zeven jaar geleden blogde ik over de romaanse kerken van Keulen. Tot de noordelijke godshuizen behoren de Sint-Ursula en de even verderop gelegen Sint-Gereon, beide gewijd aan laatantieke martelaren en beide gebouwd over een laatantiek grafveld. Ursula, die met een paar duizend maagden tegelijk de marteldood stierf, behoeft geen nadere discussie; het verhaal zal zijn ingegeven door de vondst van vele, vele skeletten. Gereon is een ander paar mouwen: de aan hem gewijde kerk lijkt in de vierde eeuw te zijn gebouwd op de plek waar een Romeinse soldaat is begraven. Dat hier inderdaad een soldatenkerkhof was, lijkt te zijn bevestigd door bovenstaande inscriptie,nootEDCS-01200112. die op het kerkterrein is gevonden.
VIATORINVS PROT
ECTOR MITAVIT AN
NOS TRIGINTA O
CCISVS IN BAR
BARICO IVXTA D
IVITIA A FRANCO
VICARIVS DIVITESIM
Een grafmozaïek uit Sétif (Archeologisch museum, Sétif)
De Algerijnse stad Sétif oogt opvallend modern. De trams zijn van hetzelfde type als in Rotterdam, er zijn wolkenkrabbers en er is een uitstekend archeologisch museum. Ik blogde al eens over mijn eerste bezoek. Tot de pronkstukken behoort een verzameling mozaïeken uit twee christelijke basilieken, die zijn opgegraven in 1959, dus midden tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). De vloeren van deze godshuizen bestonden uit mozaïeken.
Dat was niet ongebruikelijk, maar deze mozaïeken gaven de plaatsen aan waar in de kerk mensen lagen begraven, en zulke “grafmozaïeken” – bestaat dit woord? – zijn zeldzamer. In de ene basiliek in Sétif waren er twintig, in de andere vijftig. Zulke mozaïeken bestaan altijd uit een mooie rand om wat geometrische figuren en een grafschrift. Een opvallende naam is Adeodatus, een naam waarover ik al eens blogde omdat het de Latijnse vertaling is van het oud-Fenicische Mattan-ba’al, “godsgeschenk”, Dieudonné.
Je kunt Elon Musk natuurlijk niet kwalijk nemen dat hij ondeskundige historische commentaren geeft. Als we immers iedereen zouden gaan corrigeren die op de proppen komt met een onjuiste historische analogie, kunnen we aan de gang blijven. Er is geen wetenschap waar amateurs zó vaak denken dat ze kunnen meepraten. Terwijl de simpele waarheid deze is: vrijwel alle historische analogieën zijn incorrect. Degenen die ze te berde brengen, doen dat om u een mening op te dringen over het heden, niet omdat ze geïnteresseerd zijn in het verleden of daar überhaupt verstand van hebben.
Hoewel historische incompetentie dus te ingeburgerd is om nog redelijkerwijs laakbaar te zijn, is het zinvol te kijken waar Musks fouten zitten. Jeroen Wijnendaele, de auteur van De Wereld van Clovis, nam op Twitter de handschoen op. Hier is een vertaling.
Het bovenstaande Romeinse mozaïek, dat dateert uit de late vierde of vroege vijfde eeuw na Chr., is te zien in het museum van Djemila in Algerije, de antieke stad Cuicul. Het opschriftnoot EDCS-23600210. combineert het Latijnse woord voor ezel, asinus, met de in Latijnse letters geschreven Griekse strijdkreet nika, “win!” Het woord kan ook verwijzen naar de personificatie van de overwinning. De ezel moet dus winnen, of heeft gewonnen, of zal winnen, of overwint – de strekking is duidelijk. De zegevierende ezel was duidelijk iets dat de eigenaar in wiens huis dit is gevonden, en dat de opgravers heel origineel “maison de l’âne” hebben genoemd, na aan het hart lag, want het motief is herhaald. Dus wat betekent het?
Zoals eigenlijk altijd weten we het niet, maar niets weerhoudt ons ervan beredeneerd te gokken. Het is antichristelijke polemiek.
Voor de oudheidkundige vormen de Germanen een probleem. Hij beschikt over de archeologische vondsten van onder meer de Jastorf-cultuur, die een IJzertijdcultuur documenteren die, in materieel opzicht, eenvoudiger was dan de aangrenzende La Tène-cultuur (“de Kelten”). Hij beschikt over Germaanse teksten, maar die zijn ontzettend laat. Ze documenteren vooral laatantieke visies op een verleden dat niet alleen legendarisch is maar ook destijds al gold als hypothetisch. En de oudheidkundige beschikt over Griekse en Romeinse bronnen, die altijd datgene weergeven wat de auteurs zelf wilden vertellen, en niet per se een compleet of zelfs maar representatief beeld bieden. Kortom, de Germanen zijn leuk.
Woonplaats
Eén van de problemen is de landkaart. Uit diverse auteurs kennen oudheidkundigen de namen van enkele stammen uit het land ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau. De wereldkaart van de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios van Alexandrië biedt de coördinaten van enkele plaatsen, en de geografische breedte is doorgaans redelijk accuraat, maar de lengte is dat niet. Belangrijker echter is dat de de verzameling namen verwijst naar diverse tijdstippen en bovendien vrijwel zeker incompleet is. Als een archeoloog dus beweert
deze vondsten zijn van de Thuringers,
bedoelt hij eigenlijk
deze vondsten zijn gedaan in een gebied waarvan we feitelijk niet weten wie er woonden maar waarop we vooralsnog het etiket “Thuringers” plakken omdat die naam nu eenmaal beschikbaar is en omdat in de buurt een Duitse regio ligt die sinds de Middeleeuwen “Thüringen” heet.
Het cruciale woord in de voorgaande volzin is “vooralsnog”: de uitspraak is ad hoc, zoals alle oudheidkundige kennis. Het is de beste hypothese om van de onvolledige en ambigue informatie chocola te maken. Aan vondsten die uit zichzelf niet zeggen aan wie ze toebehoorden, koppelen we een naam uit de verzameling waarover we beschikken. Het is weinig méér.
Vorige keer hebben we de tekst van de Collatio onder de loep genomen. We weten vrijwel zeker dat die is gestructureerd aan de hand van de Tien Geboden. We weten ook zeker dat het doel van de compilatie is om de overeenkomsten te laten zien tussen de Mozaïsche en de Romeinse wetten. De identiteit van de collator is moeilijk vast te stellen, maar het lijkt waarschijnlijk dat hij een christen was.
Waar?
Als we op zoek gaan naar waar de Collatio is geschreven, leiden de sporen alle kanten op. De mogelijke verbanden met de Codex Theodosianus suggereren een oostelijke plaats van oorsprong, maar de overgeleverde handschriften duiken juist op in Italië, Oostenrijk en recent nog Kroatië. Uiteindelijk lijkt Rome zelf de meest waarschijnlijke kandidaat, al is dat eerder een geleerde gok dan een echte vondst.
In het vorige stukje hebben we gezien hoe eerdere wetenschappers de puzzel van de Collatio hebben gelegd. Toch hebben we geconcludeerd dat we weinig zeker weten over wie het geschreven heeft, waar, wanneer, of waarom. In dit artikel wil ik graag de tekst zelf bekijken, met de nadruk op de inhoud van de tekst en de identiteit van de auteur. We houden ons nu dus vooral bezig met het “wat” en het “wie”. In het volgende stukje kunnen we ons dan focussen op de plaats, het doel en de tijd waarin hij schreef. Zeg maar het “waar”, “waarom” en “wanneer”.
Wat?
We hebben al gezien dat de Collatio een juridisch vergelijkend document is dat Romeinse wetten naast Mozes’ wetten plaatst, met als doel gelijkenissen aan te tonen. Het is dus geen wetboek met geboden en verboden, maar eerder een verzameling teksten die overeenkomsten tussen Bijbels en Romeins Recht wil aantonen.
“Ik heb hier iets liggen… misschien is dit wel wat voor jou”. Hij stond op, liep naar een kast, en pakte er een stapeltje papieren uit. Ik bekeek ze goed. Op dat moment wist ik het nog niet, maar mijn scriptiebegeleider had me zojuist kennis laten maken met een van de best bewaarde geheimen van de rechtsgeschiedenis: de Collatio Legum Mosaicarum et Romanarum.
Ondanks een succesvolle scriptie, zijn die geheimen overigens nog niet opgehelderd. Zoals Jona ons op dit blog regelmatig herinnert: oudheidkunde is de wetenschap van dataschaarste. Onderzoek doen is dan een puzzel leggen met een beperkt aantal stukjes en zonder voorbeeld. Daar horen allerlei vragen bij: Hoe leg je een puzzel als je niet alle stukjes hebt? Kan ik de losse stukjes begrijpen zonder context? Hoe ga je om met stukjes die beschadigd of onvolledig zijn? Welke stukjes horen eigenlijk bij deze puzzel? En hoe verhoudt mijn oplossing van de puzzel zich tot eerdere pogingen van andere onderzoekers?
In het jaar 326 bezocht Helena, de moeder van Constantijn de Grote, het Heilig Land. Haar zoon had haar kort daarvoor de rang van augusta gegeven, wat je zou kunnen vertalen als “keizerin”, al betekent het niet dat ze beleid kon maken, uitvoeren of controleren. Ze had echter wél toegang tot de keizerlijke schatkist en kon daardoor het initiatief nemen tot bouwprojecten. In Betlehem legde ze de eerste steen voor de Geboortekerk, in Jeruzalem voor een kerk op de Olijfberg. Een van de aanwezigen was bisschop Eusebios van Caesarea, die enkele jaren later in zijn Leven van Constantijn verslag deed van het bezoek en de werkzaamheden.noot Eusebios, Leven van Constantijn 3.41-42.
Kruisvinding
Wat hij daarbij niet vermeldt, is dat Helena bij die gelegenheid het Ware Kruis zou hebben gevonden: het kruis waaraan Jezus dood zou zijn gemarteld. Christenen hebben de vondst eeuwenlang herdacht met het feest van de Kruisvinding.
Iedereen die zich met de Oudheid bezighoudt, al is het nog zo oppervlakkig, weet dat we vrijwel geen boeken hebben uit die tijd. De antieke literatuur is grotendeels overgeleverd in de vorm van middeleeuwse kopieën van kopieën van kopieën. Al in de zestiende eeuw hadden geleerden in de gaten dat zo’n 80% van de manuscripten dateerde van na 800 na Chr. Dat is verre van ideaal. Weliswaar zijn er papyri, die wel komen uit de Oudheid, maar die hebben slechts zelden de lengte van een volledig werk.
Het is zoals het is, maar je zou zo graag echt oude boeken willen hebben. En dat geldt zeker voor de Bijbel, die nou eenmaal normatief is voor joden en christenen. Voor gelovige mensen was de onduidelijke tekstoverlevering zo nu en dan problematisch. Zo zijn er manuscripten met en zonder het zinnetje dat er drie zijn “die getuigen in de hemel: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”.noot1 Johannes 5.7-8. Dit zogeheten Comma Johanneum heeft nogal wat theologische implicaties.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.