Laurierblad

Bronzen laurierblad (Museum van Aquincum, Boedapest)

Aquincum is de Romeinse voorganger van Boeda, dat op zijn beurt de westelijke is van de twee steden die tegenwoordig samen Boedapest heten. De antieke nederzetting was, zoals zoveel antieke nederzettingen, meer een conglomeratie dan een op één plaats geconcentreerde stad: een militaire kamp, een bestuurlijk centrum, een civiel gedeelte en uiteraard de nodige grafsteden. Die laatste waren nog lang in gebruik – er is immers continuïteit van bewoning tot op de huidige dag.

In een van de graven van Aquincum is het bovenstaande bronzen laurierblad gevonden. Het graf in kwestie bevatte vooral voorwerpen uit de Avaarse periode (c.560-c.800), zoals een ijzeren schaar, een toen al antiek Romeins naaidoosje en een gesp. Het laurierblad was, net als het naaidoosje, al antiek toen het aan de overleden werd meegegeven. En niet zomaar antiek: het stamt uit de Bronstijd.

Lees verder “Laurierblad”

Parthisch schot

Parthisch schot (British Museum, Londen)

Simon Stevin wist al dat de talen van de wereld zijn te verdelen in twee groepen. Aan de ene kant is er een zeer kleine verzameling talen die mooi, nuttig, bruikbaar en goed zijn; aan de andere kant staan de overbodige talen. De eerste verzameling bestaat uit één element, het Nederlands. De andere verzameling, die ruim 6500 elementen telt, bestaat uit alle andere talen. Nu is het denkbaar dat er in die andere talen woorden voorkomen die in onze taal niet bestaan. Meestal heb je die woorden natuurlijk ook helemaal niet nodig, maar soms valt er iets over te nemen dat het Nederlands alleen maar nog rijker en beter maakt.

Toegegeven, dit lijkt een beetje op een gedachtenexperiment, zoals je ook kunt mijmeren over de wijze waarop je zou kunnen communiceren met buitenaards leven. Maar toch: dat er voor ons bruikbare woorden in die overbodige talen zouden kunnen zitten, is niet een helemaal theoretische mogelijkheid. Het komt werkelijk voor en een voorbeeld wordt genoemd op de website van Onze Taal: het Nederlands heeft geen woord voor l’esprit d’escalier.

Lees verder “Parthisch schot”

Een kroon van de Hunnen

Kroon (Nationaal Museum van Hongarije, Boedapest)

Ik heb het er weleens eerder over gehad: in musea vind je veel aardewerk omdat dit materiaal niet makkelijk écht kapot te krijgen is – het breekt hooguit – en ook niet zó kostbaar is dat je er bijvoorbeeld voor terugloopt om het uit een brandend huis te halen. Goud is iets anders. Als een dorp is verwoest, door mensenhanden of door natuurgeweld, gaan mensen daar nog eens naartoe om het edelmetaal veilig te stellen. Sieraden zijn daardoor in museumcollecties ondervertegenwoordigd.

In vaktermen: er is een c-transformatie geweest, een culturele handeling die ervoor zorgt dat het bodemarchief geen gewone weergave is van wat er ooit is geweest. (Je hebt ook n-transformaties, een natuurlijk proces dat er bijvoorbeeld voor zorgt dat organisch materiaal makkelijker verdwijnt dan bijvoorbeeld bakstenen of aardewerk.)

De kroon hierboven is dus zeldzaam, te zien in het Nationaal Museum in Hongarije.

Lees verder “Een kroon van de Hunnen”

Nubisch offerdier

Een bijna abstract beeldje van een offerdier

Omdat ik onverwacht de stad uit moet, en omdat de zetproef van mijn nieuwe boekje Wahibre-em-achet en andere Grieken er inmiddels is, vandaag even een heel kort stukje: een afbeelding van een ram, die zo meteen geofferd zal gaan worden. Om het slachten zo snel mogelijk te laten verlopen, hebben de offeraars de poten al gebonden.

Lees verder “Nubisch offerdier”

De val van Sirmium

Tegel met inscriptie (Museum van Sremska Mitrovica)

Vandaag de dag is Sremska Mitrovica een vriendelijk provinciestadje in het noorden van Servië. Een mooie kerk, een plein waar je lekker ijs kunt eten en goed bier wordt getapt, een museum met opvallend aardig personeel, her en der wat ruïnes. Weinig doet je vermoeden dat die ruïnes behoorden bij een van de meest roemruchte steden van het Romeinse Rijk: Sirmium. Gelegen aan de Sava, de belangrijke route van Istrië naar de Beneden-Donau, was de stad voorbestemd tot grandeur, en inderdaad: niet minder dan tien Romeinse keizers zijn hier geboren. Mocht u het precies willen weten: het gaat om  Decius (r.249-251), zijn zonen Herennius Decius en Hostilianus (beide in 251), Claudius II (r.268-270) en zijn broer Quintillus (r.270), Aurelianus (r. 270-275), Probus (r.276-282), Maximianus (r. 285-310), Constantius II (r.337-361) en Gratianus (r.367-383). Overigens stierven Claudius II en Probus in hun geboorteplaats, gebruikte Licinius (r.308-324) Sirmium als residentie, organiseerden de christenen er vier synodes en zijn er diverse veldslagen gevochten in de omgeving.

In de vierde eeuw werd het de hoofdstad van de prefectuur van Illyricum, een van de vier administratieve delen van het rijk. Niet minder dan drie legioenen werden toen gebruikt om Sirmium te verdedigen:  IIII FlaviaV Iovia en VI Herculia. Ondanks deze troepeninzet viel de stad in 441 in handen van de Hunnen en toen hun federatie uiteenviel, heersten achtereenvolgens de Ostrogoten en de Gepiden over Sirmium. In 567 herstelde de Byzantijnse heerser Justinus II het keizerlijk gezag. Een complex verhaal met een tragische afloop.

Lees verder “De val van Sirmium”

Riviergod

De rivier Gichon (Qasr Livya)

Een van de aardige aspecten van de laatantieke kunst is de fusie van oude joodse en christelijke ideeën en klassieke vormen, zoals in het mozaïek hierboven, dat ooit was te zien in het museum van Qasr Libya in het noordoosten van Libië, waar de vondsten lagen uit twee van de kerken van de Byzantijnse stad Theodorias. Hoe de situatie nu is, weet ik niet, maar ik heb niet gehoord van oplaaiend geweld in die regio. Wel over religieus fanatisme, dus het muntje kan beide kanten op zijn gevallen.

Hoe dat ook zij, de kerkmozaïeken tonen het paradijs, met allerlei vogels en vissen, wilde en tamme dieren. Er zijn ook afbeeldingen van schepen die een haven binnenvaren, zoals mensen naar de kerk werden geacht te komen voor hun redding. Er zit ergens een pandoura spelende Orfeus (ofwel Christus, die eveneens afdaalde in de Onderwereld) en middenin is een mooie pauw, wiens staart de wederopstanding symboliseert. Orfeus is, zoals u weet, een klassiek motief; de pauw treffen we in de grafkunst – als ik het wel heb – voor het eerst aan op het mausoleum van keizer Hadrianus in Rome.

Je kunt twee kanten op met dit soort heidens-christelijke cross-overs. Sommige kunsthistorici zeggen: de heidense motieven zijn door de makers niet meer herkend als heidens en waren gewoon een bruikbaar motief. Denk hier ook aan de Babylonische horoscopen met Griekse zonnegod in de synagogen van Galilea. Het andere standpunt is dat je in die dagen heidens én christelijk tegelijk kon zijn. Wie zegt immers dat je slechts één religie tegelijk kunt hebben? Ik denk niet dat deze twee visies elkaar uitsluiten. Het zal allebei wel waar zijn, per stad en per kerkbezoeker verschillend.

Lees verder “Riviergod”

De Elefantine-papyri

Joods verzoekschrift betreffende de restauratie van de tempel in Elefantine, gericht aan gouverneur Bagoas (Neues Museum, Berlijn)

Eén van de voorbeelden van migratie die ik behandel in Wahibre-em-achet en andere Grieken is het garnizoen van Elefantine in het zuiden van Egypte. De farao’s van de Zesentwintigste Dynastie, die aan de macht was gekomen nadat de Assyriërs begin zevende eeuw v.Chr. de Nubische koningen hadden verdreven, plaatsten aan de nieuw-geschapen zuidgrens een garnizoen met soldaten uit Judea. Zoals in de Oudheid gebruikelijk was kregen de soldaten bij wijze van tegenprestatie een stuk land. Rond 525 v.Chr. veranderde het garnizoen zijn loyaliteit, toen de Perzen de macht in Egypte overnamen, wat eens te meer een aanwijzing vormt dat Egypte viel door verraad van zijn officieren. De inscriptie van admiraal Wedjahor-Resne, die wél vermeldt hoe hoog de Perzen hem waardeerden maar geen enkele zeeslag vermeldt, is een andere clue.

Terug naar de Joden in Elefantine: verschillende papyri en beschreven potscherven documenteren hun aanwezigheid, zoals de brief hierboven, die is te zien in het Neues Museum in Berlijn. Hij is gericht aan de Perzische gouverneur Bagoas en bevat een verzoek om hulp bij de restauratie van de tempel van Jaho, zoals de naam van de joodse god werd gespeld in het Aramees. Een andere beroemde joodse papyrus uit Elefantine beschrijft het pesach-feest van 419 v.Chr. Een van de aardige verrassingen was dat Jaho hier nog een echtgenote had, die hier Anat wordt genoemd. (In Judea werd Mevrouw God aangeduid als Asjera.) De joden van Elefantine zullen de nieuwerwetse regels van Deuteronomium, dat joden uitsluitend in de tempel van Jeruzalem mochten offeren en uitsluitend JHWH mochten vereren, schouderophalend naast zich neer hebben gelegd. Emigranten zijn immers wel vaker conservatiever dan de mensen in het moederland.

Lees verder “De Elefantine-papyri”