Babylon, Assyrisch hoofdpijndossier

De restauratie van Babylon door Esarhaddon (Louvre, Parijs)

Ik schreef onlangs dat Babylon de culturele hoofdstad van het Nabije Oosten bleef. Dat was zo nadat een Hethitische aanval rond 1595 v.Chr. – opnieuw die dateringskwestie – een einde aan het Oud-Babylonische Rijk had gemaakt, dat bleef zo in de slecht gedocumenteerde Kassitische tijd, dat bleef zo toen Elam in het oosten tijdelijk een supermacht was, dat bleef zo toen Mitanni in het noorden belangrijk was, dat bleef zo terwijl de Zeevolken in het westen de boel op stelten zetten, dat bleef zo toen de Assyrische koningen het Nabije Oosten verenigden.

Hoofdpijndossier Babylon

Voor hen was Babylon een hoofdpijndossier. Ze wierpen in de achtste eeuw v.Chr. “het juk van Aššur” over Babylonië en vonden dat ze de culturele hoofdstad netjes moesten behandelen. Vanaf Tiglath-pileser III (r.744-727) lieten ze zich daarom kronen als heersers van zowel Assyrië als Babylonië. Door de stad in een personele unie met hun rijk te verenigen, brachten zij hun respect voor de Babylonische beschaving, instellingen en wetenschap tot uitdrukking. De Babyloniërs kwamen echter in 703 v.Chr. in opstand onder leiding van Marduk-apla-iddin II (de Bijbelse Merodach Baladan), en koning Sanherib plunderde de stad in 689. Dit was een daad van verschrikkelijke goddeloosheid: dit verbrak immers de band die de aarde verbond met de hemel, zoals vorm gegeven in de Etemenankiziggurat, het “huis van het fundament van de hemel op aarde”. Hij deporteerde de bevolking van Babylon richting Nineveh en de culturele hoofdstad stond jarenlang leeg.

Lees verder “Babylon, Assyrisch hoofdpijndossier”

Een leeuwenjacht uit Uruk

Koninklijke jagers (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

Nog maar eens, na die mooie vaas, een plaatje van een leeuwenjacht uit Uruk. Het reliëf met twee jagers is ongeveer even oud als de vaas en gemaakt van zwart graniet. Dat gesteente komt in Mesopotamië nergens voor en moet zijn geïmporteerd uit bijvoorbeeld de omgeving van Natanz in Iran. Het oogt op het eerste gezicht wat primitief, maar let eens op de boogschutter onderaan, die zijn schouders heeft opgetrokken, zoals je doet als je een pijl aanlegt. En kijk eens hoe levensecht die drie leeuwen opspringen.

De vraag wat het voorstelt is misschien verkeerd gesteld. Mensen maken dingen omdat ze die mooi vinden en het hoeft niet per se iets voor te stellen. (Mij persoonlijk stoort het altijd een beetje als een museumgids, uiteraard met de beste bedoelingen, een kunstvoorwerp meteen gaat uitleggen en je niet eerst even tijd laat om het op je te laten inwerken.) Tegelijk: mensen herkennen vormen en maken die na. De vraag wie deze twee jagers zijn, is wel degelijk legitiem. Het is dan opvallend dat hij kapsel heeft en een wat lang gewaad zoals we kennen van vorsten uit deze tijd.

Lees verder “Een leeuwenjacht uit Uruk”

De Warka-vaas

De Warka-vaas (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

Ik blogde al over de grote stad Uruk, tegenwoordig Warka, waar de overgang van Neolithicum naar geschiedenis is gedocumenteerd in niet minder dan achttien strata, d.w.z. de lagen die archeologen onderscheiden binnen een opgraving. In stratum III (ofwel de late Jemdet Nasr-periode ofwel het slot van de Prehistorie ofwel als de eerste geschreven teksten opduiken ofwel tussen 3100 en 2900 v.Chr. ofwel in de tijd waarin ze in Drenthe hunebedden bouwden) vonden de opgravers de bovenstaande vaas, die bijna een meter hoog is. Het kalkstenen kunstvoorwerp is te zien in het Nationaal Museum van Irak in Bagdad.

Plundering

U kent dat museum vermoedelijk wel omdat het in 2003 is geplunderd. De Warka-vaas is toen gestolen. Het voorwerp is later, toen er een amnestieregeling was, in veertien stukken geslagen teruggebracht en vervolgens gerestaureerd. Inmiddels is het terug in het museum. Als het niet zou zijn teruggebracht, was een goede kopie in het Pergamonmuseum in Berlijn alles wat we hadden gehad.

De onderste registers

De afbeelding vertelt veel over het Sumerische wereldbeeld. Helemaal onderaan zien we, ongeveer waar binnenin de vaas het langst het water moet hebben gestaan, allerlei golven. Het is niet moeilijk te raden wat het voorstelt. Daarboven zijn achtentwintig planten afgebeeld, die zijn te identificeren als dadelpalmen en gerst. Om en om.

Lees verder “De Warka-vaas”

De Dame van Simpelveld

De sarcofaag van de Dame van Simpelveld (© Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

De sarcofaag van de Dame van Simpelveld is een van de mooiste vondsten uit de Nederlandse archeologie. Gemaakt in de tweede helft van de tweede eeuw n.Chr., is het een bijna uniek voorwerp. Terwijl men in destijds sarcofagen doorgaans decoreerde aan de buitenkant, heeft de steenwerker hier juist de binnenkant versierd. We zien het interieur van een mooi huis, inclusief de bewoonster. Een rijke vrouw, getuige de afgebeelde huisraad. En getuige het feit dat haar nabestaanden een sarcofaag als deze konden betalen. Uit het botmateriaal valt af te leiden dat ze tussen de vijfentwintig en veertig jaar oud is geworden.

Ik schrijf overigens “bijna uniek” omdat in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren een enigszins vergelijkbaar buitenstebinnengekeerd graf is te zien. Daar was het echter geen beeldhouwer maar een schilder die de binnenkant versierde. Muurschilderingen in grafkamers kennen we natuurlijk wel en het kan zijn dat beschilderde graven als het Tongerse de artistieke tussenschakel zijn tussen zulke grafkamers en de Simpelveldse sarcofaag.

Lees verder “De Dame van Simpelveld”

Egypte in Antwerpen, of: de Levende Zon der Belgen

De Egyptische tempel in de Antwerpse dierentuin

Een kleine maand geleden was ik in Antwerpen, waar ik al jaren de dierentuin eens wilde bezoeken. Verschillende gebouwen zijn, zoals een park van een ruime eeuw oud betaamt, gebouwd in historische stijl. De ingang van het reptielenhuis/aquarium lijkt op een Romeins tempeltje, er is een café in Louis XVI-stijl en ik zag een okapi komen uit een gebouw in Moorse stijl. Het leukst is echter de Egyptische tempel die Charles Servais in 1856 ontwierp en die u hierboven ziet.

Zoals alle Nachleben is ook in Antwerpen de inspiratie oppervlakkig en niet  wezenlijk. Ze beperkt zich tot een façade. Het eigenlijke gebouw is niet uit Egyptische steen opgetrokken en heeft zelfs de structuur van een Romeinse basilica. Dat maakt natuurlijk niet uit: het oog wil ook wat en het oogt uitstekend. De ontwerper van de schilderingen, de oriëntalist L. Delguer, baseerde zich dan ook op tekeningen van de Duitse egyptoloog Richard Lepsius.

Lees verder “Egypte in Antwerpen, of: de Levende Zon der Belgen”

Lucifers zoon Gaius Julius Phosphorus

Als u dacht dat The Man Who Fell to Earth een origineel verhaal heeft, dan heeft u het mis. Het motief van het bovennatuurlijke wezen dat vanuit de hemel op de aarde is gevallen, is eeuwenoud. Hefaistos en Faëton zijn Griekse voorbeelden, uit het oude Iran kennen we Aži Dahāka (de Joodse Azazel) en uit Ugarit kennen we Horran. Die gevallen god wordt vanouds geassocieerd met de ochtendster, die de opkomst van de zon aankondigt en dus een licht-brenger is. De profeet Jesaja sneert naar de koning van Babylon dat hij is neergevallen zoals de zoon van de dageraad Helel (Jesaja 14.12).

Helel is een ongebruikelijk woord, al is duidelijk dat het zoiets betekent als “schijnend” of “stralend”. De Griekse Bijbelvertalers maakten er Heôsforos en Fôsforos van, woorden die letterlijk “dageraaddrager” en “lichtdrager” betekenen. De Latijnse vertaling werd Lucifer, wat eveneens “lichtdrager” betekent. Hoewel er geen enkele reden is Helel/Fôsforos/Lucifer te beschouwen als de duivel, was de associatie van de gevallen ster en de val van de engelen snel gemaakt. Desondanks bleef het een gewone naam. Minstens twee laat-Romeinse bisschoppen, waarvan ik deze online vind, gingen door het leven met de naam Lichtdrager zonder dat iemand dat opvatte als satanisme.

Lees verder “Lucifers zoon Gaius Julius Phosphorus”

It Belongs in a Museum

Frankische schijffibula (Rheimisches Landesmuseum, Bonn)

Mooi hè, deze broche. Ik fotografeerde haar in het Rheinisches Landesmuseum in Bonn. Het voorwerp is gevonden bij Wezel, tegenover Xanten aan de Rijn, en komt uit een vrouwengraf uit de Merovingische tijd. Afgezien van deze gouden broche – de technische term is “schijffibula” – was er ook een ring, een goudstuk dat als hanger werd gebruikt, een koperen armband, een gordel en een doosje waarin een amulet had gezeten. Dat was er niet, dus niet alle voorwerpen zijn geborgen.

In elk geval: de overledene was een chique Frankische dame. Dat blijkt natuurlijk vooral uit de broche, die is gemaakt met een goudsmeedtechniek die bekendstaat als granaat-cloisonné. Als ik het goed begrijp werden daarbij draadjes over de schijf gelegd en vastgesoldeerd, waardoor kleine hokjes ontstonden, die vervolgens werden gevuld met stukjes glas, granaat en andere mineralen. Ik weet niet of ik het helemaal correct uitleg maar de reageerpanelen staan voor u open.

Lees verder “It Belongs in a Museum”

Fausta

Fausta

Over Trier heb ik al eens eerder geschreven: oppidum van de stam der Treveri, legioenkamp uit de tijd van Caesar, een Romeins fort op de Petriberg, brug over de Moezel, voornaamste nederzetting van een belangrijke Romeinse gemeente, residentie van de Gallische keizer Victorinus en van de Romeinse heerser Constantijn de Grote, ballingsoord van Athanasios van Alexandrië, woonplaats van de jonge Ambrosius, hoofdstad van Arbogast de Jongere, middeleeuwse bisschopsstad. De stad ook van Karl Marx, waar de plaatselijke krant al sinds jaar en dag de Trierische Volksfreund heet (zie ook onder Marat, Jean-Paul) en het lokale bier reclame maakt met “Das Bier von Trier”.

Twee oudheidkundige musea: het grote en wat onoverzichtelijke Rheinisches Landesmuseum, waar vondsten uit de wijde omgeving zijn te zien, en het Museum am Dom, dat voorwerpen toont die zijn opgegraven rond de grote kerk. Die gaan terug tot de Oudheid, toen in dit deel van de stad enkele prachtige huizen stonden, die ten tijde van Constantijn werden geïntegreerd in het keizerlijk paleis. (U kunt de basiliek die daar deel van uitmaakte, kennen, want het is een van de bekendste monumenten van Trier.)

Lees verder “Fausta”

Teerlingen werpen

Dobbeltoren (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

Vorig jaar publiceerde Vincent Hunink zijn vertaling van de boeken 13 en 14 van Martialis, Feest in het oude Rome, waarvoor ik de beeldredactie verzorgde. In deze boeken wijdt de dichter gedichtjes aan allerlei hapjes en cadeautjes zoals de Romeinen die aan elkaar gaven tijdens het feest van Saturnus. Een van de gedichtjes was gewijd aan een turricula, een “torentje”. Dat was een instrument waarmee mensen eerlijk konden dobbelen. In het gedichtjes is de dobbeltoren aan het woord.

Een slinkse hand gooit kootjes graag
zoals hij zelf heeft voorgekookt.
Maar lukt dat metterdaad met mij?
Dan heeft hij puur geluk.

Lees verder “Teerlingen werpen”

“Rape in the sky”

Romeinse gem (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

We moeten wegens de corona zoveel mogelijk thuis blijven maar voor de opnames van Oog op de Oudheid moest ik afgelopen dinsdag toch echt naar Leiden, naar het Rijksmuseum van Oudheden. Daar was een expositie van gemmen – u weet wel, gesneden edelstenen – ingericht waar geen mens momenteel naar kan komen kijken. Het stemde me intens treurig. Het is zoiets als de weg weten in een huis dat is gesloopt. (Tussen haakjes: al mijn veel beleden sympathie voor Rotterdam maakt me niet blind voor de waanzin van de sloop in de Tweebosbuurt.)

Terug naar die gemmen. Hierboven een Romeins voorbeeld uit de eerste eeuw n.Chr.: een adelaar die iemand optilt. De adelaar is Zeus/Jupiter, daar zit geen probleem. Maar wie is de ander? Is het Hebe, de schenkster van de goden? Die wordt meestal afgebeeld met een beker in de hand. Is het – zie het plaatje hieronder – Ganymedes, de geliefde van Zeus? Het door een enorme adelaar meegevoerde mensje lijkt een vrouw met een haarknotje.

Lees verder ““Rape in the sky””