NWA: Oost en West

Een Romeinse kopie van een hellenistisch beeld van Kybele uit Nikaia, nu in het Archeologisch Museum van Istanbul.
Een Romeinse kopie van een hellenistisch beeld van Kybele uit Nikaia, nu in het Archeologisch Museum van Istanbul.

Vandaag behandel ik in mijn reeks rond de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) de laatst overgebleven vragen. Ik heb ze samengenomen omdat ze alle drie niet gaan over de Oudheid zelf, maar over de wijze waarop we daarmee omgaan. Ze liggen bovendien in elkaars verlengde: in feite gaan ze over de erfenis van de negentiende eeuw.

Waarom besteden oudheidkundige musea geen aandacht aan Kybele of Cybele?

De vragensteller geeft als voorbeeld van het negeren van de belangrijke oosterse godin de Karthago-expositie in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden. Hoewel ik eerlijk gezegd niet weet of Kybele in de antieke havenstad werd vereerd en, zo ja, of die cultus voor Karthago belangrijk was, is de observatie van de vragensteller niet onjuist. Handboeken en musea behandelen de invloed van oosterse culten doorgaans pas als ze zijn aangekomen bij de Late Oudheid, alsof het een late ontwikkeling was dat de goden van Anatolië, Syrië, Egypte en Judea zich naar het westen verspreidden. Dat wekt de indruk dat de opkomst van het christendom deel uitmaakte van een betrekkelijk laat proces van oriëntalisering van de Romeinse culten, en dat klopt niet. Kybele werd in Rome vereerd sinds de late derde eeuw v.Chr.

Lees verder “NWA: Oost en West”

Het belang van Rome

brague

Hoewel mensen verschillende biologische klokken hebben, doen we alsof iedereen ochtendmens is. Kinderen moeten vroeg naar school, ook al is bekend dat ze op dat moment weinig opnemen. Als avondmensen latere kantoortijden konden krijgen, was de ochtendspits veiliger. We houden zo vast aan een dagritme dat stamt uit een oude, agrarische samenleving, zelfs eeuwen later, nu het contraproductief is. De koe leverde geen half werk toen ze de mens africhtte.

Het is maar één voorbeeld van de wijze waarop samenlevingen uit het verleden invloed hebben op de onze. Eeuwenlange culturele continuïteiten kúnnen bestaan. Zo bezien is het niet vreemd dat er mensen zijn die aannemen dat onze cultuur niet is geboren op het moment waarop in de vroege negentiende eeuw de industrialisatie alles veranderde, maar haar wortels eerder heeft, in de Grieks-Romeinse Oudheid.

Lees verder “Het belang van Rome”

NWA: Receptiegeschiedenis

Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1477, waarvan een exemplaar (vastgebonden aan een ketting) is te zien in de Librije van de Walburgiskerk in Zutphen.

In mijn reeks rond de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) behandel ik vandaag twee vragen tegelijk. De tweede is namelijk een deel van het antwoord op de eerste. De eerste vraag is deze:

Waarom is middeleeuws Europa cultureel zo homogeen?

Ik vind dit een ontzettend leuke vraag omdat, zoals de vragensteller ook aangeeft, de Middeleeuwen op het eerste gezicht helemaal zo homogeen niet zijn. Er is nogal wat verschil tussen Castilië en Brandenburg, tussen Schotland en Beieren, tussen Sicilië en de Lage Landen. Desondanks was er – althans dat denk ik – tegelijk wél een culturele eenheid: in een abdij, aan een universiteit of aan het hof van een koning konden mensen uit Engeland, Zweden, Aragón en Italië met elkaar converseren.

Hoe kwam dat? Is dat de erfenis van de Romeinen, is dat de rol van de Kerk, komt dat door handelscontacten, of door migratie? In hoeverre werkten dat soort zaken samen en welke dynamiek stond hieraan ten grondslag?

Lees verder “NWA: Receptiegeschiedenis”

De Trojaanse Oorlog (slot)

Model van een strijdwagen uit de Late Bronstijd, gevonden in Kamed el-Loz, Libanon (Nationaal Museum, Beiroet)
Als er een Trojaanse Oorlog is geweest, zijn er strijdwagens ingezet (Nationaal Museum, Beiroet)

[Het laatste stukje in mijn kerstserie over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Eerst maar even een samenvatting van wat we tot nu toe hebben bezien. In de eerste plaats: dé ontdekking van Heinrich Schliemann was de Egeïsche Bronstijdcultuur, ergens tussen 1600 en 1200 v.Chr. Deze mensen spraken Grieks, zoals we zagen door de ontcijfering van het Lineair-B. Verder hebben we gezien dat archeologen vaststelden dat er in Troje allerlei bewoningslagen zijn, waarvan er twee in aanmerking komen het Homerische Troje te zijn geweest:

  • het prachtige Troje VI, dat rond 1300 v.Chr. ten onder is gegaan door een aardbeving,
  • en Troje VIIa, dat door mensenhanden is verwoest rond 1190 v.Chr., op een moment waarop de Mykeense Grieken geen expeditie meer konden uitvoeren.

Dat is een behoorlijk probleem. Het Hittitische materiaal (1, 2, 3) leverde het inzicht op dat de op een steile heuvel gelegen stad ooit Wiluša en Taruwiša heeft geheten, geregeerd is geweest door een koning Alaksandus en de god Apalliunas heeft vereerd. Het leverde ook voldoende aanwijzingen op voor een Trojaanse Oorlog. Om precies te zijn: voor vier min of meer Trojaanse Oorlogen.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (slot)”

De Trojaanse Oorlog (2)

Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.
Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde, niet per se naar de Trojaanse Oorlog; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Heinrich Schliemann was niet alleen actief in Troje. Hij werkte ook in verschillende steden op het Griekse vasteland, waar hij de enorme burchten onderzocht van wat nu de Mykeense beschaving wordt genoemd: een Bronstijdcultuur die tussen pakweg 1600 en 1200 had bestaan op het Griekse vasteland. De indrukwekkende graven toonden dat de Mykeense vorsten zich graag hadden gepresenteerd als krijgers.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (2)”

De Trojaanse Oorlog (1)

Homeros (Glyptothek, München)
Homeros (Glyptothek, München)

Een tijdje geleden blogde ik over de “schat van Priamos” en iets langer geleden over een speerpunt uit Troje VI. Ineens had ik de smaak weer te pakken: de Trojaanse Oorlog is een van de fascinerendste onderwerpen uit de oudheidkunde. Iedereen heeft gehoord van de legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen. Het verhaal is romantisch en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Een duidelijke vraag is er ondertussen niet, of het moest zijn of er archeologische voorwerpen zijn die de Trojaanse Oorlog illustreren. Omdat een medische ingreep me enige tijd dwong kalm aan te doen, had ik alle tijd om het weer eens op een rijtje te zetten. Voilà dus: dit kerstweekend trakteer ik u op een longread.

Om te beginnen het verhaal waar het allemaal mee is begonnen: de Ilias. Homeros’ betoverende gedicht was in de Oudheid de toetssteen van elke vorm van beschaving, en ook in de Middeleeuwen, Renaissance en Nieuwe Tijd heeft het epos over de wrok van Achilleus menigeen geïntrigeerd. Met name het decor fascineerde latere geleerden: elke geschiedenis van de Oudheid leek te beginnen met de oorlog die de Acheeërs (een andere naam voor de eerste bewoners van Griekenland) onder leiding van koning Agamemnon hadden gevoerd met de Trojanen.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (1)”

NWA | Westerse cultuur

Sommige open deuren moet je gewoon intrappen. Ik zou u teleurstellen als ik schreef over westerse cultuur zonder u te trakteren op dit belegen grapje.
Ik zou u teleurstellen als ik schreef over westerse cultuur zonder u te trakteren op dit belegen grapje.

In mijn reeks rond de vragen van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) vandaag een kwestie die mij zelf buitengewoon boeit:

Wat is de oorsprong van de Westerse cultuur?

Antwoorden zijn er momenteel niet. Een van de deelvragen stond al op de vorige Wetenschapsagenda, die van 2011, en dat wil zeggen dat dit een erkend wetenschappelijk vraagstuk is. Onoplosbaar als de kwestie is, kan ik wel de contouren schetsen van het probleem. In de eerste plaats is er de vraag wat een cultuur is. De beroemde definitie van E.B. Taylor, de vader van de culturele antropologie, luidt als volgt:

Culture, taken in its wide ethnographic sense, is that complex whole which includes knowledge, belief, art, morals, law, custom, and any other capabilities and habits acquired by man as a member of society.

Deze mooie definitie, waarvan ik me nog herinner dat die indruk op me maakte tijdens mijn antropologiecolleges, brengt het probleem met zich mee dat je een cultuur beschrijft als een kolossale verzameling elementen – laten we zeggen 100.000 – terwijl die voortdurend veranderen. Hoe lang kun je dan nog spreken van dezelfde cultuur? Niemand zal zeggen “bij 99.999”, maar wat denk je van “bij 98.000”? (Een Vlaming, die nauwelijks verschilt van een Nederlander, zal zich niet snel rekenen tot de Nederlandse cultuur.) Het zou helpen als we onderscheid konden maken tussen cultuurelementen die zó belangrijk zijn dat we ze absoluut niet kunnen missen en cultuurelementen die wat minder cruciaal zijn.

Lees verder “NWA | Westerse cultuur”

NWA: De eeuwige stad

De bij mijn weten oudste vermelding van de "urbs aeterna", uit de tijd van keizer Mazentius (r.306-312) (CIL 6.33856)
De bij mijn weten oudste vermelding van de “aeterna urbs”, uit de tijd van keizer Maxentius (r.306-312) (CIL 6.33856)

In mijn reeks rond de vragen van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) vandaag:

Welke mechanismen spelen een rol bij de vorming van een identiteit in Rome gedurende de overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen?

Ik heb, toen ik deze reeks begon, aangegeven dat ik de vragen niet beantwoorden kán, om de doodeenvoudige reden dat het vragen aan de wetenschap zijn. Vragen waarop dus nog geen antwoord is en eigenlijk ook nooit een definitief antwoord zal bestaan, om de al even doodeenvoudige reden dat wetenschap niets anders is dan een methode om de vragen wat te verleggen. En anders is het de onwetendheid van de blogger wel die ervoor zorgt dat een antwoord moet uitblijven. Op de bovenstaande vraag kan ik het antwoord zéker niet geven. (Morgen zullen we hetzelfde meemaken.)

De vragensteller wijst erop dat de bewoners van Rome in de Late Oudheid leefden in een stad vol “oude instituties, tradities en een stadslandschap die hun glorieuze verleden weerspiegelden”. De Senaat kwam nog steeds samen, een oeroud feest als de Lupercalia werd nog altijd gevierd en overal stonden oude gebouwen. De keizers stelden er ook nog een eer in om in Rome te bouwen. Maxentius en Constantijn deden dit nog grootschalig. Daarna werden de subsidiestromen verlegd.

Lees verder “NWA: De eeuwige stad”

NWA: Ingewikkelde oude talen

Manuscript van Caesars Gallische Oorlog (Biblioteca Nazionale, Napels)
Manuscript van Caesars Gallische Oorlog (Biblioteca Nazionale, Napels)

[In onze reeks rond de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) komt vandaag een vraag aan de orde over een onderwerp waar ik zelf te weinig van weet om er veel zinvols van te zeggen. Daarom geef ik het estafettestokje vandaag door aan Suzanne Adema, een classica die werkzaam is aan de VU en UvA. Dank je wel Suzanne!]

Hoe komt het dat de grammatica van oude talen, zoals Grieks en Latijn, ingewikkelder is dan die van moderne talen, zoals Nederlands en Engels?

En de toelichting:

Sinds de opkomst van de eerste beschavingen en de uitvinding van het schrift is de maatschappij steeds complexer geworden. Hierdoor is ook het belang van goede communicatie toegenomen. Hoe is het dan te verklaren dat de voornaamste vorm van communicatie, onze taal, steeds simpeler wordt? We gebruiken geen naamvallen meer, geen mannelijke of vrouwelijke woordvormen meer, nog maar weinig verschillende werkwoorduitgangen. Hoe komt dat?

Lees verder “NWA: Ingewikkelde oude talen”

NWA: De kerstening

Camee van Constantijn de Grote
Camee van Constantijn de Grote, die zich hier presenteert als Jupiter (met bliksemschicht). Met hem in de zegekar staan enkele familieleden, die de dynastieke continuïteit symboliseren. (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In mijn reeks over de vragen van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) vandaag de vraag:

Hoe kon het christendom in de vierde eeuw de overheersende religie worden in het Romeinse Rijk?

De vragensteller voegt toe dat het zal gaan om een combinatie van factoren en het is krek zo. Om te beginnen leende het (binnen het toenmalige jodendom niet-unieke) idee dat niet de Wet van Mozes maar een al verschenen verlosserfiguur de kern vormde van het geloof, zich goed voor export naar niet-Joden, waarmee een eerste stap was gezet op weg naar groei: de “markt” voor dit idee was tien tot twintig keer zo groot. In een tweede fase zal het bloed der martelaren het zaad van de kerk zijn geweest. Met een niet-exclusieve boodschap en met het getuigenis van de martelaren hebben we dus al twee factoren die de opkomst van het nieuwe geloof verklaren.

Lees verder “NWA: De kerstening”