Laat-antiek Thracië

Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Crisis

Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

Lees verder “Laat-antiek Thracië”

De Thraciërs (2)

De godin Bendis op een panter (Rogozen-schat, Archeologisch museum, Vratsa)

[Dit is het tweede van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Sociale stratificatie

De in het vorige blogje genoemde handel en de exploitatie van goudmijnen zorgden voor rijkdom. En rijkdom schiep sociale stratificatie: koning, adel, krijgers, boeren. Het is geen toeval dat de Odrysen, die het dichtst bij het Perzische Rijk en de Griekse stadstaten woonden, in de vijfde eeuw v.Chr. als eersten een eigen koninkrijk bouwden. Zij hadden de beste mogelijkheden om handel te drijven. Later volgden ook de andere gebieden.

Maar de maatschappelijke verschillen zijn al eerder gedocumenteerd. Toen de Perzen tegen het einde van de zesde eeuw de regio onderwierpen, was er al een archeologisch herkenbare elite die pronkte met Griekse en Perzische voorwerpen. (Ik blogde al eens over de Rogozen-schat, gevonden bij de Triballiërs in het noordwesten, waar een kruikje bij zit waarvan de decoratie lijkt te zijn geïnspireerd door de Perzische leeuw-stier-reliëfs.) Niet dat de Thraciërs zelf geen kunst maakten. In de vorstelijke residenties was emplooi voor edelsmeden. Hun producten zijn aangetroffen in tal van graftombes (tumuli in jargon) en zijn beeldschoon.

Lees verder “De Thraciërs (2)”

De Thraciërs (1)

Thracisch alssnoer uit de IJzertijd (Historisch Museum, Sofia)

De Thraciërs wisten zelf niet dat ze bestonden. “Thraciërs” was oorspronkelijk de naam die de Grieken gaven aan de bewoners van het gebied ten noorden van de Egeïsche Zee. Toen er later Griekse steden ontstonden aan de westkust van de Zwarte Zee, duidden de bewoners hun buren in het achterland eveneens aan als Thraciërs. Uiteindelijk ging het om een regio die iets groter was dan het huidige Bulgarije. Zelf hebben de mensen die daar woonden, zich nauwelijks herkend als één volk. De Griekse onderzoeker Herodotos kent de namen van een stuk of tien groepen die hij beschouwt als Thracisch, latere auteurs kennen nog meer namen.

Of die werkelijk corresponderen met de zelfaanduidingen, is maar de vraag. Het is niet plausibel dat er in historische tijden een groep bestond met de legendarische, aan Homeros ontleende naam Kikonen, terwijl ook Melinofagoi, “giersteters”, niet klinkt als een authentieke Thracische naam. Sinds de thracologie een echte wetenschap is – laten we zeggen sinds de jaren zeventig – worden meestal vier groepen aangewezen: twee ten noorden van het Balkangebergte, dat als een horizontale lijn van oost naar west door Bulgarije loopt, en twee in het zuiden. Het zijn:

Lees verder “De Thraciërs (1)”

Loog Herodotos over de slag bij Himera?

Het door Herodotos beschreven slagveld bij Himera op een mistige dag

De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos is een subtiele auteur. Over Babylon zegt hij bijvoorbeeld dat mensen die er niet zijn geweest, wel niet zullen geloven wat hij vertelt, daarmee suggererend dat hij er wel is geweest. Hij schrijft ook ergens dat in zijn tijd een bepaald standbeeld er nog was, waarmee hij hetzelfde insinueert. In de achttiende eeuw vermoedde Edward Gibbon al dat Herodotos’ beschrijving van de culturele hoofdstad van het oude Nabije Oosten onmogelijk correct kon zijn. De opgravingen en de uitgave van tienduizenden kleitabletten hebben dat vermoeden bevestigd. Herodotos geeft onjuiste informatie te goeder trouw door – het is ook voor Egypte en de Skythen vastgesteld – maar hij suggereert wel dat hij het allemaal zelf heeft gezien.

Die misleidende autoriteitsclaim maakt Herodotos kwetsbaar voor het verwijt een leugenaar te zijn. Maar dat is nu net de verkeerde manier om ernaar te kijken. De vraag naar de juistheid van zijn informatie (hij doet zijn best) is een andere dan die naar de oprechtheid van zijn zelfpresentatie (misleidend). Ik had gehoopt dat dit onderscheid inmiddels wel bekend zou zijn bij degenen die zich professioneel bezighouden met de vader van de journalistiek, maar dat bleek weer eens te optimistisch. “Herodotus lied about famous Greek battle against Carthage, new study finds”, lezen we hier. Het verouderde frame wordt weer afgestoft. En dat terwijl het onderzoek in kwestie gewoon interessant is.

Lees verder “Loog Herodotos over de slag bij Himera?”

Beschaving en barbarij (2)

Romeins masker: een Germaan
Romeins masker: een Germaan

Gisteren blogde ik over de Romeinse visie op de Lage Landen, die was beïnvloed door het oeroude idee dat aan de randen van de aarde, ver van de beschaving, alleen maar barbaren woonden. Noordwest-Europa was voor Romeinen en Grieken een soort omgekeerde wereld. Waar beschaafde mensen woonden op riviervlakten, beschreef ik, woonden de barbaren in een rotsachtig woud aan de kust.

Economie en levenswijze

De verschillende geografie vertaalde zich in tegengestelde productiewijzen: terwijl de beschaafde gebieden een vruchtbare bodem hadden waarop akkerbouw mogelijk was, stond het arme barbaarse land alleen veeteelt toe. Tegenover de beschaafde, “broodetende mensheid” (zoals dichters het noemden), stonden nomadische barbaren, die een dieet hadden van vlees en zuivel.

Lees verder “Beschaving en barbarij (2)”

Beschaving en barbarij (1)

Caesar (Museum van Sparta)

De Romeinen die in de eerste eeuw v.Chr. aankwamen in de Lage Landen, wisten weinig over dat gebied. Het was, iets overdreven geformuleerd, al veroverd voor het was verkend. Wat de nieuwe heersers meenden te weten, was gebaseerd op teksten van eerdere auteurs, die evenmin in Noordwest-Europa waren geweest. Hier is een fragment van de Griekse auteur Xenofon van Lampsakos, die omstreeks 100 v.Chr. de eerste etnografische beschrijving gaf van de mensen in het hoge noorden. Hij vertelt

dat drie dagen uit de noordelijke kust een eiland van enorme afmetingen ligt, Balcia geheten. [De Griekse zeeman] Pytheas noemt het “het koninklijke”. Ook de Vogeleilanden worden vermeld – daar leven de bewoners van vogeleieren en haver – en nog andere eilanden, waar mensen met de hoeven van paarden ter wereld komen (zodat ze “Paardenvoeters” worden genoemd). Op weer andere eilanden, die van de Eenenaloorders, bedekken gigantische oren de verder naakte lichamen van de bewoners. (Geciteerd door Plinius de Oudere 4.9.)

Lees verder “Beschaving en barbarij (1)”