In memoriam Simone Mooij-Valk (2)

Marcus Aurelius

[Vandaag twee jaar geleden overleed Simone Mooij-Valk. Voor het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2016/2017 mocht ik haar levensbericht schrijven. Het aardige van zo’n tekst is dat je, meer dan in een necrologie in een krant, ruimte hebt om iets over iemand te vertellen. Bij dezen een iets aangepaste digitale versie, waarvan het eerste deel hier is.]

Stoïcijnen en epicureeërs

Alle antieke Griekse en Latijnse literaire teksten bij elkaar, dat is ongeveer twee of drie boekenkasten vol. Iedereen zal daarin selecteren en Simone koos na haar pensioen niet voor de teksten die ze op school met haar leerlingen had gelezen. Haar eerste liefde was het Latijn en ze was voornemens Boëthius’ Vertroosting van de filosofie te gaan vertalen. Omdat net in die jaren echter een andere Nederlandstalige uitgave verscheen kwam dit plan te vervallen, maar nu viel haar oog op het Griekstalige werk van Marcus Aurelius, die van 161 tot 180 n.Chr. keizer was van het Romeinse Rijk. Ivo Gay, destijds directeur van uitgeverij Ambo, wilde haar vertaling graag uitgeven en nadien verschoof haar belangstelling steeds verder naar ander Griekse proza uit de Romeinse keizertijd. ‘De tweede eeuw’, zou ze later zeggen, ‘dat is mijn eeuw.’

Lees verder “In memoriam Simone Mooij-Valk (2)”

Diogenes van Oinoanda

Een in 2003 nog niet opgegraven en uitgegeven tekstfragment

Een van de sympathieke trekken van de Romeinse cultuur is dat rijke mensen zich aan hun stand verplicht voelden iets te doen voor hun stadsgenoten. Dat kon de vorm aannemen van patronage – een miljonair bemiddelde bijvoorbeeld tussen de gemeente en de provinciale bestuurders – maar het kon ook betekenen dat zo iemand per testament iets naliet aan zijn stad. Van Plinius de Jongere is bekend dat hij Como een bibliotheek schonk, maar ook een badhuis was een mogelijkheid, of een portico, of een uitkering voor de wezen of een jaarlijkse vleesmaaltijd op de overlijdensdag van de weldoener.

De oudheidkundige jargonterm, bij mijn weten voor het eerst vermeld door Henri Pirenne en later verbreid door Paul Veyne, is évergetisme, wat is afgeleid van het oud-Griekse euergetes, “weldoener”. Natuurlijk mogen we cynisch denken dat deze liefdadigheid alleen maar mogelijk was door het uitbuiten van slaven, want ook het Romeinse Rijk was het paradijs niet, maar toch: onsympathiek is het idee van noblesse oblige nou ook weer niet.

Lees verder “Diogenes van Oinoanda”