Ik noemde in het vorige stukje hoe III Augusta in Tunesië en Algerije was terechtgekomen en een basis had gebouwd in Lambaesis. Uit de tijd van keizer Hadrianus (r.117-138) komt een belangrijke inscriptie: een toespraak van de keizer tot de manschappen. Hij prijst ze, maar maakt ook duidelijk hoe scherp de hiërarchie is tussen soldaten en officieren.
Met een onderbreking die ik nog zal noemen, was en bleef Lambaesis de basis van III Augusta. Soms gingen onderafdelingen naar andere provincies.
De samenvloeiing van Donau en Sava, gezien vanaf de basis van IIII Flavia Felix (Belgrado)
Zoals ik vertelde in het vorige blogje, was IIII Macedonica uit Mainz in ongenade gevallen doordat het Rijnleger tijdens de Bataafse Opstand (69-70 na Chr.) opzichtig had gefaald. Keizer Vespasianus herformeerde het echter onder de naam IIII Flavia en stationeerde het in Burnum, het huidige Kistanje in Kroatië.
Hoewel veel soldaten vanuit het oude legioen naar het nieuwe zullen zijn overgeplaatst, waren er ook rekruten uit Noord-Italië en wellicht Zuid-Gallië. Gnaeus Julius Agricola (de toekomstige schoonvader van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus) hield toezicht op de feitelijke formering van het legioen. Omdat het insigne van de vernieuwde eenheid bestond uit het sterrenbeeld Leeuw, is het mogelijk dat het eind juli of begin augustus 70 officieel werd opgericht.
Maquette van de basis van VIII Augusta in Straatsburg (Palais Rohan)
Ik eindigde mijn vorige blogje met de constatering dat VIII Augusta in 70 na Chr. van de Balkan naar het westen werd overgeplaatst. Daar was het eerst gestationeerd in Mirebeau-sur-Bèze, vijfentwintig kilometer van Dyon. Een tweede basis was Argentoratum, het huidige Straatsburg aan de Midden-Rijn. Hier beschermde het legioen een belangrijke rivierovergang in Germania Superior. Het legioen zou daar nog ruim drie eeuwen blijven.
Het Zwarte Woud
In 74 legden de legionairs een weg aan van Straatsburg naar Rottweil en Hufingen: dwars door het Zwarte Woud. Dit was niet alleen een aanzienlijke bekorting van de reistijd tussen de Rijn en de Boven-Donau; het was ook het begin van de bezetting van het huidige Baden-Württemberg of, zoals het destijds heette, de Agri Decumates. Een Romeinse verovering, maar in de zin dat het een grensbekorting was ook een defensieve maatregel: de consolidatie van het imperium was begonnen.
Het regenwonder, waarbij XII Fulminata werd gered, op de Zuil van Marcus Aurelius in Rome
Ik vertelde in het vorige stukje hoe XII Fulminata was onteerd in de Armeense oorlog. Het werd, zoals ik zei, nog erger.
Joodse Oorlog
In oktober 66 na Chr. had de gouverneur van Judea, Gessius Florus, militaire steun nodig om de controle over het in opstand gekomen Jeruzalem terug te winnen. Het Twaalfde (ondersteund door onderafdelingen van IIII Scythica en VI Ferrata) kwam, zag en keerde terug: de commandant had vastgesteld dat zijn strijdmacht niet sterk genoeg was. Dat was tot daar aan toe. Op de terugweg werd het legioen echter door de Joodse leider Eleazar, de zoon van Simon, verslagen. Aan de vernedering werd nog de schande toegevoegd: het legioen verloor zijn adelaarsstandaard.
Grafsteen van een soldaat van XIII Germina (Nationaal Museum, Ljubljana)
Keizer Domitianus (r.81-96) plaatste XIII Gemina, waarover ik zojuist blogde, in 89 over naar de nieuw gestichte basis Vindobona, het huidige Wenen. De Daciërs waren in 86 het Romeinse Rijk binnengevallen en hadden de legioenen verslagen die het Beneden-Donau-gebied hadden moeten verdedigen. In 88 was een groot Romeins leger Dacië binnengevallen, waar generaal Tettius Julianus de Dacische koning Decebalus had verslagen. Het Dertiende was een van de negen betrokken legioenen geweest. Helaas had de opstand van de gouverneur van Germania Superior, Lucius Antonius Saturninus, het uiteindelijke succes verhinderd. De overplaatsing naar Wenen was een manier om niet alleen Dacië maar ook het Rijnland in de gaten te houden.
En de Boven-Donau. Want ook daar was de situatie gespannen. In 92-93 nam het Dertiende deel aan Domitianus’ oorlog tegen de Sueben en Sarmaten. Het is in deze context dat we de operatie moeten plaatsen van Velius Rufus, die met een groot leger trok door het gebied benoorden de Donau, van Roemenië naar Tsjechië.
Het was dus eigenlijk de bedoeling dat ik voor een bezoek aan de Thesaurus Linguae Latinae in München zou zijn. En wel van afgelopen woensdag tot en met aanstaande maandag. Alleen staken de Duitse spoorwegen sinds afgelopen woensdag tot en met aanstaande maandag. Dus zat ik ineens van afgelopen woensdag tot en met aanstaande maandag met enkele vrije dagen. Die besteed ik nu fietsenderwijs en nuttig, bijvoorbeeld met een bezoek aan Brühl, even ten zuidwesten van Keulen. Meer precies ben ik gaan kijken op de plek op de foto hierboven. Het witte huis achteraan is de Römerstrasse 405.
In 1959 is bij baggerwerk in een waterloop onderaan de helling, vooraan op de foto, een tweetal sarcofagen gevonden. Eén daarvan bleek een rand te hebben die was vervaardigd uit een oude inscriptie, die al eerder zwaar was beschadigd. Hier is de tekst:
In het vorige stukje behandelde ik de Romeinse keizers van de eerste eeuw en de eerste helft van de tweede eeuw. Meestal wordt de regering van Marcus Aurelius beschouwd als keerpunt.
Van goud naar ijzer en roest
Onze bronnen spreken niets dan lof over deze filosofisch ingestelde man, die, toen hij werd geconfronteerd met de eerste Germaanse invallen sinds mensenheugenis, leiding gaf aan Romes grootste militaire operaties sinds de burgeroorlogen. Latere generaties beschouwden de oorlog aan de Donau als het keerpunt in de Romeinse geschiedenis. Maar het was niet de enige ramp, althans volgens de geschiedschrijver Cassius Dio (ca. 160-ca. 235), een uit het huidige Turkije afkomstige senator die een belangrijk geschiedwerk schreef:
Dit ene ding deed afbreuk aan het geluk van Marcus Aurelius, dat hij zich in zijn zoon, die hij op de best mogelijke manier had grootgebracht en opgevoed, op de ergst denkbare wijze had vergist. Daar moeten we het nu over hebben, want de lotgevallen van de Romeinen toen en onze geschiedenis nu tonen de val van een keizerrijk van goud naar een van ijzer en roest.
Septimius Severus (Archeologisch Museum Thessaloniki)
Didius Julianus heeft altijd de schijn tegen gehad dat hij het keizerschap als in een veiling heeft gekocht. Zijn eigen visie zal zijn geweest dat hij, doordat zijn rivaal Sulpicianus had willen nemen wat Pertinax aan Julianus had toegezegd, veel geld was kwijt geraakt om de wil van de vermoorde keizer uit te voeren. Dat hij de macht bij opbod had gekocht, is hoe zijn rivalen het in de weken erna definieerden. Die laster klinkt nog steeds door.
Toch valt tussen de regels door te lezen dat Julianus geen slechte keizer was. Hij ontsloeg het hoofd van de keizerlijke garde, Laetus: niet alleen had hij Commodus opgeofferd, hij was ook niet in staat geweest Pertinax te beschermen. Aan het hoofd van de garde stonden vanaf nu twee commandanten, die elkaar in de gaten konden houden. Julianus hield het hoofd koel toen de stedelijke bevolking de volgende dag rellen begon te trappen en ondernam geen actie tegen zijn persoonlijke vijanden, zoals Cassius Dio. Julianus’ probleem was dat hij geen leger had: alleen de keizerlijke garde steunde hem. En de garde had al twaalf jaar niet meer hoeven vechten.
Ik blogde op oudejaarsdag over de staatsgreep waarmee de Romeinse keizer Commodus werd afgezet en Pertinax aan de macht kwam. Alles was zorgvuldig gepland: de keizer zou met gif worden gedood en als dat niet werkte, dan stond er een worstelaar klaar om korte metten te maken. Er was dus een plan-B. Een en ander gebeurde op oudejaarsdag, waarop de soldaten maar half zo waaks waren als anders. In de voorgaande tijd waren betrouwbare mensen benoemd op sleutelposities, met bijvoorbeeld Plautianus als hoofd van de vigiles en – mocht er toch militair geweld nodig zijn – met Geta en Lucius Septimius Severus als commandanten van de Donaulegers. Er was dus zelfs een plan-C. Door de zorgvuldige voorbereiding bleef het bloedvergieten beperkt tot één dode: de keizer.
Pertinax’ regering begon rustig en er waren eigenlijk maar twee wolkjes aan de hemel. Het ene was dat hij al oud was en er geen natuurlijke opvolger was: zijn zoon was pas twaalf en hoewel de Senaat hem alvast als caesar, kroonprins, wilde aanwijzen, vond de vader dat prematuur. Eerbewijzen kon de jongen krijgen als hij ze had verdiend. Er waren verschillende volwassen mannen die eveneens in aanmerking kwamen, zoals Didius Julianus, met wie Pertinax in het verleden had samengewerkt en die hem in verschillende functies was opgevolgd. Een andere kandidaat was de nieuwe burgemeester van Rome, Sulpicianus, die ook Pertinax’ schoonvader was. Omdat de keizer in goede gezondheid verkeerde, was er geen reden aan te nemen dat dit probleem acuut zou worden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.