De ladder van Hawkes

Niet de ladder van Hawkes

De Britse archeoloog Christopher Hawkes (1905-1992) was een van de eersten die het belang van de Mildenhall Treasure begreep, maar zal wel voor eeuwig – nou ja, voor de voorzienbare eeuwigheid – herinnerd worden om de naar hem vernoemde “ladder van Hawkes”. Hij benoemde het concept in 1954 en het gaat om een hiërarchie van onderzoeksgebieden, die zijn voor te stellen als de sporten van een ladder.

Hiërarchie van onderzoeksgebieden

Het is voor een archeoloog betrekkelijk eenvoudig om aan de hand van voorwerpen uitspraken te doen over de technologie in een bepaalde samenleving. Pas als je uitspraken daarover kunt doen, kun je klimmen naar de volgende sport en uitspraken gaan doen over de economie van die samenleving. Pas wie daarover iets zinvols weet te zeggen, redeneerde Hawkes, kan naar de volgende sport reiken en nadenken over de sociale verhoudingen en de politieke structuren die passen bij de gereconstrueerde economie. En pas als we iets weten over politiek en sociale verhoudingen, zouden we kunnen klimmen naar de hoogste sport: religie en ideologie, een terrein waartoe we ook kunst, literatuur, mythologie en wat dies meer mogen rekenen.

Lees verder “De ladder van Hawkes”

Armoede in Judea

Armoede: een beeld van een bedelaar in Museumpark Orientalis

Niet iedereen in de Oudheid kon gouden haarnetjes dragen zoals die waarover ik gisteren blogde. De enige mij bekende poging om de toenmalige welvaart te vergelijken met die van onze tijd, plaatste de Romeinse wereld ongeveer op het niveau van Nigeria rond 1960. Dat is een jaarinkomen van $93, waar nog bij moet worden aangetekend dat de Romeinen de wereld niet hoefden delen met mensen die met minder werk een heel veel hoger jaarinkomen hadden. Nederland was in 1960 al ruim twintig keer zo rijk als Nigeria.

Er zullen wel andere schattingen zijn voor de toenmalige welvaart, maar ik heb het gegeven nooit meer gecontroleerd. De conclusie dat men leefde in enorme armoede, is wel voldoende duidelijk. Vorig jaar kon ik op deze blog vijf stukken van Dirk-Jan de Vink plaatsen over de armoede in de stad Rome: de bewoners waren arm tot straatarm. En dan had Rome nog diverse vormen van graanuitdeling en kende Italië nog betrekkelijk lage belastingen.

Lees verder “Armoede in Judea”

Ecokritiek

Ecokritiek is de naam van een literatuurwetenschappelijke stroming die zich concentreert op de wijze waarop een tekst het fysisch milieu presenteert. “Kritiek” slaat hier niet op activisme, maar op kritisch lezen. Kritisch lezen dus waarbij je speciaal let op de wijze waarop de natuur aan de orde komt. Een simpel voorbeeld is de wildernis, die in oude teksten een plek is vol gevaren, terwijl die in de hedendaagse literatuur juist positief wordt getypeerd. Die verandering komt uiteraard voort uit een veranderende appreciatie van de natuur.

Business as usual

Ik vertelde al eens over twee korte lezingen die ik in Gent bijwoonde. Marco Formisano toonde toen hoe de dichter Claudianus in De schaking van Proserpina de schrik evoceerde van de waaghalzen die als eersten de zee bevoeren – en dus ingrepen in de natuur. Leila Williamson vertelde bij die gelegenheid dat Venantius Fortunatus in zijn gedicht over De rivier de Gers bevreemding bewerkstelligde: vissen die in de zomer op het droge kwamen te liggen en de oogst die bij hoog water was omspoeld door golven.

Lees verder “Ecokritiek”

Het Onze Vader (3)

Reliëf met iemand in gebed, vrijwel zeker niet het Onze Vader (Makthar)

Ik had vorige week een beginnetje gemaakt met het Onze Vader, een onderdeel van de Bergrede uit het Matteüsevangelie (6.9-15), ook bekend is uit het evangelie van Lukas (11.2-4) en de Didache 8. Ik heb erop gewezen dat er allerlei criteria zijn waaraan valt af te lezen dat het Aramese origineel mogelijk teruggaat op Jezus zelf. Het is in elk geval ouder dan de drie bronnen waarin de tekst is overgeleverd.

Het Onze Vader

Vandaag iets meer over de inhoud, die bestaat uit enkele simpele verzoeken:

  1. dat Gods koninkrijk komt,
  2. dat er dagelijks brood zal zijn,
  3. dat schulden worden vergeven,
  4. dat men niet beproefd zal worden.

Lees verder “Het Onze Vader (3)”

Het beleg van Jeruzalem (1)

Jeruzalem tijdens de Joodse Opstand

[Tiende deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]

Ik heb eerder beschreven dat de Romeinen, verdeeld door een burgeroorlog, aarzelden of ze het opstandige Jeruzalem moesten aanvallen. Toen Vespasianus eenmaal de macht in handen had, was er niets dat de belegering belette. In die stad waren fanatiekelingen aan de macht gekomen, en hun moreel was in de loop van 69 verbeterd. Het Romeinse imperium leek, met verschillende mannen die streden om de troon, immers op instorten te staan. Ook de tempel van de Romeinse oppergod Jupiter was afgebrand: een beter teken dat God de Joden zou steunen, was er niet.

Vol vertrouwen in de toekomst gingen de boeren in het najaar van 69 weer aan het werk, zoals blijkt uit een in het Hebreeuws gestelde akte waarin de verkoop is vastgelegd van een stuk bouwland “op 14 chesjvan van het vierde jaar van de verlossing van Israël” (18 oktober 69). De bij deze transactie betrokken partijen hielden geen rekening met oorlog. Bovendien was de nieuwe Romeinse generaal onervaren. Titus’ enige verdienste was dat zijn vader op hem kon rekenen, maar er gingen geruchten dat hij minder was geïnteresseerd in de oorlog dan in de charmes van de Joodse koningin Berenike, de zus van Agrippa II, een Joodse leider met de wat grandioze titel “koning” en wat bezittingen in het noorden.

Lees verder “Het beleg van Jeruzalem (1)”

Het Vierkeizerjaar

Galba (Archeologisch Museum van Korinthe)

[Negende deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]

Na de verovering van Jotapata, die ik vorige week heb behandeld, trok de Romeinse generaal Vespasianus naar Caesarea, de hoofdstad van Judea en een van de belangrijkste havens in de regio. Daarmee was de aanvoer van graan, dat uit Egypte moest komen, verzekerd. Vervolgens trokken de legioenen op tegen de boerenmilitie van Johannes van Gischala, die eind 67 gedwongen was zijn posities in Galilea op te geven en naar Jeruzalem te trekken. In de eerste helft van het volgende jaar herstelde het Tiende Legioen Fretensis het Romeinse gezag in de vallei van de Jordaan. Het was tijdens deze campagne dat de bewoners van het gebouwencomplex bij Qumran, dat bekend is geworden van de Dode Zee-rollen, werden verdreven.

Nu Vespasianus de kust, Galilea en de Jordaanvallei beheerste, zou hij van drie kanten af naar Jeruzalem kunnen oprukken. Vermoedelijk wilden de leden van de provisionele regering niets liever dan dat, omdat ze dan een overeenkomst met de Romeinen konden sluiten en erop konden wijzen dat niet zij verantwoordelijk waren voor de golf van extremisme. De heersende klasse van Judea zou dan verder regeren en dankzij de Romeinse wapens zou de orde op het platteland worden hersteld. Maar het mocht niet zo zijn.

Lees verder “Het Vierkeizerjaar”