De Arabisering van de Maghreb

De grote moskee van Kairouan

Een tijdje geleden kreeg ik een vraag naar de arabisering van de Maghreb. Anders gezegd: waarom zijn de mensen in het noordwesten van Afrika Arabisch gaan spreken? Vroeger spraken ze immers Latijn en daarvoor woonden er mensen die een taal spraken die ik gemakshalve Numidisch zal noemen. Ook zijn er nog Berbers. Kortom, hoe zit het?

Ik ben geen arabist en elk antwoord dat ik geef moet met een korreltje zout worden genomen. Ik denk echter dat ik wel een paar factoren kan noemen.

Verovering

Primo, de Arabische veroveringen vormden hoe dan ook de beslissende factor. In 647 intervenieerde een Arabisch leger in een burgeroorlog in wat bekendstond als het Exarchaat van Karthago, ofwel het door de Byzantijnen op de Vandalen heroverde Afrika. Bij het huidige Sbeitla versloegen de Arabieren een opstandeling – let op: ze werkten hier samen met de Byzantijnen – en lieten zich vervolgens afkopen. Een kwart eeuw later rukten de Arabieren op tot Kairouan, en weer een kwart eeuw later (in 695 om precies te zijn) viel Karthago. De Byzantijnen heroverden de stad en verloren haar definitief in 698. Daarmee lag de weg naar het westen open. Berbers boden nog weerstand maar in 708 stonden de Arabische troepen aan de Atlantische Oceaan. Drie jaar later staken ze de Straat van Gibraltar over. Het Rijk van Toledo, centraal georganiseerd als het was, viel in één klap.

Lees verder “De Arabisering van de Maghreb”

Pytheas van Marseille

Gallische helmen, iets ouder dan de tijd van Pytheas (Musée d’archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

De Karthagers, die een buitenpost hadden aan de Straat van Gibraltar, hadden de onprettige gewoonte om iedere Griek te verdrinken die richting Atlantische Oceaan kwam. Om die reden, zo wist de Alexandrijnse geleerde Eratosthenes (die van de berekening van de aardomtrek), moesten Griekse rapporten over het westelijke wateren worden gelezen met de nodige scepsis. Die banvloek heeft zijn uitwerking niet gemist, want we hebben er niet één over. Wat we wel hebben, zijn wat fragmenten uit De Oceaan, het boek dat een zekere Pytheas rond 325 v.Chr. zou hebben geschreven.

Afkomstig uit de Griekse kolonie Marseille zou deze auteur erin zijn geslaagd de Karthaagse blokkade te omgaan en de Atlantische Oceaan te bereiken. De fragmenten, overgeleverd door niet minder dan achttien antieke auteurs, zijn interessant genoeg, zelfs als sommige van die achttien auteurs Pytheas citeren om aan te geven dat er niks van klopt. We krijgen een beeld van ’s mans omzwervingen – en dat is eindeloos fascinerend, al was het maar omdat hij de eerste is geweest die schreef over Nederland.

Lees verder “Pytheas van Marseille”

Jachin en Boaz

De “high place of worship” in Sfiré

Sfiré is een stadje in het noorden van Libanon, niet heel ver van de Syrische grens, waar niet minder dan zes antieke tempels staan. Eén ervan staat bekend als “het grote huis” en is naast de plaatselijke moskee: een aardig voorbeeld van een cultusplaats die al minimaal een millennium of twee in gebruik is. Een ander staat op een heuveltop die ik te ver vond om te beklimmen; drie tempels staan vlakbij elkaar en zijn eigenlijk best indrukwekkend. Tot slot is er een “high place of worship”: een rotspunt waarop ooit een altaar stond.

Zo’n altaar kon behoorlijk groot zijn en was niet zelden omgeven door een omheining die de grens markeerde tussen het profane en het heilige. Hierboven ziet u een uit de Romeinse tijd daterende muur om de high place of worship van Sfiré. En daar is iets wonderlijks mee: links en rechts staan twee symbolen afgebeeld die ik alleen kan uitleggen als gestileerde pilaartjes.

Lees verder “Jachin en Boaz”

Byzantijnse krabbel (7): Walvis

Walvis op een gevelsteen (Elleboogsteeg 12, Amsterdam)

Nee, dat dit Byzantijnse krabbel numero zeven is, wil niet zeggen dat u er zes hebt gemist. De waarheid is dat ik een klein dozijn in de pen heb om later te publiceren, maar dat één ervan ineens actueel is, zodat ik die nu naar voren haal. Het is een geweldige anekdote uit de Geschiedenis van de oorlogen van Prokopios, een zesde-eeuwse hoveling uit de tijd van keizer Justinianus (r.527-565).

In die tijd werd de walvis (κῆτος) gevangen die de inwoners van Constantinopel Porfyrios noemden. Het dier had Byzantium en omliggende steden zo’n vijftig jaar lastig gevallen, hoewel niet aan een stuk. Soms was het er voor enige tijd niet, maar op andere momenten bracht het schepen tot zinken en joeg het de opvarenden van andere schepen zoveel schrik aan dat ze lange omwegen maakten. Het was daarom een punt van aandacht voor keizer Justinianus om het dier te vangen.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (7): Walvis”

Berbers en Arabieren

De moskee van Córdoba

Gisteren blogde ik over het Rijk van Toledo en ik schreef dat deze laat-Romeinse staat, centraal georganiseerd als ze was, door Arabieren in één keer kon worden overgenomen. Koning dood, het hof uitgeschakeld, hoofdstad ingenomen: dan houdt het verder op. Ik werd terecht gecorrigeerd: het leger dat de genadeklap uitdeelde bestond uit Berbers. Het grappige is dat ik daar bij het schrijven aan had gedacht. Omdat het leger marcheerde uit naam van de Umayyadische kalief van Damascus, had ik besloten het stukje niet nog ingewikkelder te maken dan het al was – maar het is geen onbeduidend detail.

De verovering begon in april 711, toen generaal Tariq, een islamitische Berber, met zo’n 12.000 soldaten de Straat van Gibraltar overstak. (“Gibraltar” is overigens een verbastering van Jebel Tariq, “Tariqberg”.) In juli versloeg hij bij Jerez het leger van de Toledaanse koning Roderik, waarna de joden in Córdoba en Écija Tariq en zijn mannen als bevrijders binnenhaalden. Of het enthousiasme oprecht was of een lepe reactie op het simpele feit dat er geen Toledaans leger meer was dat de steden kon beschermen, zullen we nooit meer weten. Wel moet worden aangetekend dat de handelingen van de diverse kerkelijke synodes duidelijk maken dat de christelijke autoriteiten de joden liever zagen gaan dan komen.

Lees verder “Berbers en Arabieren”