Perzisch Armenië

Armeniërs brengen tribuut aan de koning van Perzië (Persepolis)

Ik blogde onlangs over Urartu, het IJzertijdkoninkrijk dat in de eerste helft van het eerste millennium v.Chr. bestond in oostelijk Turkije, Armenië en noordwestelijk Iran. De laatste dateerbare vermelding ervan is te plaatsen rond 640 v.Chr. Het rijk is daarna ten onder gegaan.

Tussen dat moment en de opkomst van het christendom in Armenië, waarover ik later nog eens zal bloggen, verstreken ruim negen eeuwen. In die tijd schreven de bewoners van dit gebied zelf betrekkelijk weinig. We moeten ons deze periode voorstellen als een landschap in het duister, waarop af en toe het licht van een schijnwerper valt als Griekse of Romeinse auteurs erover schrijven. Die schreven niet per se over de belangrijkste gebeurtenissen. Bovendien hebben de middeleeuwse kopiisten die hun teksten overschreven, niet per se het belangrijkste geselecteerd. In feite is de overgeleverde informatie, hoe waardevol ook, volkomen willekeurig.

Aanvullende bronnen

Wat buiten de schijnwerpers is gebeurd, is dus onbekend, terwijl dat belangrijke gebeurtenissen kunnen zijn. Wie de lichtplekken met elkaar verbindt – wie, met andere woorden, de in de bronnen vermelde gebeurtenissen navertelt – krijgt weliswaar een verhaal, maar het blijft de vraag of dat betrekking heeft op de belangrijkste gebeurtenissen. We kunnen dat ook nooit te weten komen, aangezien we vrijwel geen Armeense bronnen hebben.

Beeldje van een wolf, gevonden in Ayrum. De Armeniërs geloofden dat wolven de ziel begeleidden naar de Onderwereld.

Dit vormt een enigszins deprimerend vertrekpunt voor de vier blogjes die ik in gedachten heb. Daarin behandel ik de antieke geschiedenis van Armenië.

Er zijn echter twee aanvullingen. De eerste betreft de archeologie, die de laatste jaren meer belangstelling toont voor deze eeuwen. De tweede komt van Armeense historici uit de Late Oudheid. De bekendste is Mozes van Chorene, die aangeeft dat hij in de vijfde eeuw na Chr. leefde, maar wiens Geschiedenis van Armenië in feite later is samengesteld op basis van christelijke kronieken en Armeense volksvertellingen. Die kronieken zijn in de originele versies beter bekend. Bovendien zijn mondelinge vertellingen doorgaans niet heel betrouwbaar. De door Mozes geschetste wereld oogt echter geloofwaardig: een samenleving die wordt beheerst door enkele aristocratische families van diverse komaf.

Manuscript van de “Geschiedenis van Armenië” van Mozes van Chorene (Matenadaran, Yerevan)

De eerste Armeniërs

De schijnwerpers die Urartu nog verlichtten, gaan dus uit na ca. 640 v.Chr. Assyrië, de wereldmacht die het Nabije Oosten had verenigd, raakte in de problemen en de nieuwe machthebbers waren de Babyloniërs en Meden, die tussen 560 en 530 op hun beurt weer plaatsmaakten voor de Perzen. In 520 is er één lichtflits: de Perzische inscriptie uit Behistun vermeldt een opstand in Armenië, een gebied dat de Perzen blijkbaar op dat moment beschouwden als aan hen onderworpen. Dan wordt het weer donker, tot de Griekse onderzoeker Herodotos rond 430 v.Chr. de Armeniërs opnieuw vermeldt als een van de volken in het Perzische rijk. Alleen dit staat vast: in de eerste van de donkere eeuwen verandert de naam van het gebied van Urartu in Armenië. En de Perzen zwaaiden er de scepter.

De herkomst van de Armeniërs vormt een puzzel. Het kan gaan om een etnische groep die altijd heeft gewoond in het Urartese rijk maar, schriftloos als ze was, onzichtbaar is gebleven. Herodotos weet te melden dat de Armeniërs vanuit Europa naar Azië waren getrokken met de Frygiërs (die zich wat westelijker vestigden). Dat kan heel goed waar zijn, want het Armeens en het Frygisch behoren allebei tot de taalgroep die bekendstaat als Indo-Europees en daarbinnen staat het weer vrij dicht bij het Grieks. Het is dus denkbaar dat Herodotos zich inderdaad een historische migratie herinnert. Het is echter even denkbaar dat iemand de volksverhuizing heeft verzonnen om de overeenkomst tussen de talen te verklaren. Het wemelt in de Griekse literatuur van de fictieve migraties.

Erebuni

Zeker is in elk geval dat de Armeniërs een andere taal spraken dan de Urarteeërs. Ook staat vast dat ze cultureel en etnisch dichtbij de Iraanse volken stonden. De archeologie helpt ons iets verder. Een van de onderzochte plaatsen is het Urartese fort bij Odzaberd bij het Sevan-meer, dat in gebruik bleef in wat archeologen de ‘post-Urartese periode’ noemen. Er is daar veel lokaal vervaardigd aardewerk gevonden, wat suggereert dat de interregionale handel verminderde en de regio fragmenteerde.

Archeologen constateren ook dat het Urartese heuvelfort Erebuni (Yerevan) zowel de komst van de Armeniërs, hoe die ook is verlopen, als de Perzische machtsovername overleefde en in gebruik bleef als een van de residenties van de Perzische gouverneur. Een derde vindplaats is de oude citadel van Tušpa, het huidige Van, waar de Perzische koning Xerxes – hij regeerde van 486-465 v.Chr. – een nogal nietszeggende inscriptie achterliet. Het valt te verwachten dat de archeologie, nu de belangstelling voor dit tijdvak groeit, meer informatie zal brengen. Er ligt overigens wel een moeilijkheid, namelijk dat de ouderdom van vondsten uit deze periode moeilijk is vast te stellen. De koolstofdateringsmethode vertoont juist voor deze tijd complicaties.

Tot slot nog een kleinigheidje. Mozes van Chorene noemt ergens terloops dat de Meden, de lokale macht tussen de ondergang van de Assyriërs en de opkomst van de Perzen, de eerste Armeense koning zouden hebben gekroond. Onmogelijk is het zeker niet. In elk geval is onduidelijk waarom het zou zijn verzonnen.

Xerxes’ inscriptie in Van

Xenofon in Armenië

De volgende keer dat de regio binnen het licht van een schijnwerper valt is als een leger van duizenden Griekse huurlingen zich in de winter van 401/400 v.Chr. een weg door het gebied baant, op weg naar de Zwarte Zee. De Atheense officier Xenofon vertelt hoe de soldaten trokken door een besneeuwd landschap en biedt een blik op de levenswijze van de Armeniërs.

De woningen bevonden zich onder de grond; ze hadden een nauwe toegang, net als de opening van een waterput, maar beneden waren ze ruim. Voor het vee waren er ingangen als tunnels uitgegraven, maar de mensen daalden af langs ladders. In die woningen trof men geiten, schapen, ossen en pluimvee aan, samen met hun jongen; al die dieren werden binnenshuis gevoederd. Men trof er ook tarwe, gerst, peulvruchten en gerstebier in vaten. (Xenofon, Anabasis 4.6.25-26; vert. Marc Moonen).

De Armeniërs woonden niet het hele jaar in deze ondergrondse huizen. In de zomer trokken ze met hun kuddes de bergen in. Welvarend was de overwegend agrarische bevolking niet. We lezen bij de Grieks-Romeinse aardrijkskundige Strabon dat de Perzische gouverneur ieder jaar duizenden veulens opeiste om af te dragen aan de koning. Zie ook het plaatje waarmee ik deze blog opende.

Runderherders bij Shavshat

Geld was blijkbaar niet belangrijk, al hebben archeologen Perzische munten opgegraven. Andere afdrachten waren graan, wijn, vlees, rozijnen en peulvruchten. Ze werden opgeslagen in de Perzische garnizoenssteden, waarover Xenofon vertelt dat de huizen er waren voorzien van voorraadtorens. De Perzische bestuurlijke centra waren dus welvarend, maar het gebied zelf bleef in ontwikkeling achter. Overigens moet de Perzische kanselarij, die de administratieve documenten opstelde in de Aramese taal, verantwoordelijk zijn voor de verrijking van het Armeens met de vroegste Perzische leenwoorden.

Xenofon vermeldt als Perzische gezagsdrager in Armenië een zekere Yervand (Gr. Orontes). Deze was afkomstig uit Baktrië, het grensgebied tussen het huidige Oezbekistan en Afghanistan, en getrouwd met een dochter van de koning van Perzië. Hij blijft een wat schimmige figuur. Latere Armeense heersers zouden echter dezelfde naam dragen en stamden misschien af van deze Yervand. Men noemt hen wel de Yervandiden of Orontiden. Daarover later meer.

[Wordt dus vervolgd. Deze blog was gebaseerd op een hoofdstuk dat ik schreef voor het publieksboek bij de expositie “In de ban van de Ararat” in het Drents Museum in Assen. U ziet wat plaatjes hier. De tentoonstelling duurt tot eind oktober.]

Een gedachte over “Perzisch Armenië

  1. huibree

    Op 5 juni, onderweg naar Assen, ontving ik de ochtendeditie van de Beobachter waarin de prachtige tentoonstelling die we gingen bezoeken besproken werd. In de Ban van de Ararat bleek aan de hand van Jona’s beschouwing NOG fascinerender dan het aan de hand van de toelichtingen ter plaatse zou zijn geweest. Deze blog beantwoordt een beetje mijn nieuwsgierigheid naar het grote historische “gat” dat er bleek te zijn tussen plm 500 BC en de vierde eeuw na Chr, de Armeense bekering tot het Christendom, waarmee de tentoonstelling eindigt. Dank hiervoor en bezoekt U allen het mooie Asser museum, raad ik U.

Reacties zijn gesloten.