
Gisteravond mocht ik in de Antwerpse boekhandel De Groene Waterman mijn boek Oudheidkunde is een wetenschap ten doop houden. Het was leuk, want ik zag enkele oude bekenden terug en ik ontmoette enkele nieuwe mensen (die ik soms al kende van deze blog). Robert Nouwen, de auteur van Ambiorix tegen Caesar, en ik verzorgden twee lezingen over de feitenvrije wijze waarop de politiek en de erfgoedsector omgaan met de Oudheid. In België is bijvoorbeeld eerder deze maand wat ophef om uitspraken van de rechtse politicus Filip De Winter, maar we mogen ook denken aan de Antwerpse burgemeester Bart De Wever en prietpraat over Caesar bij een project als Via Belgica.
Misinformatie en misbruik van het verleden zijn onder meer mogelijk doordat wetenschappers hun inzichten niet voldoende uitleggen en onvoldoende breed zijn geschoold. Robert sprak daarover als eerste. Zijn betoog was mooi doortimmerd en plaatste het onderwerp in de bredere wetenschappelijke discussie. Die tekst leest u hier. Mijn verhaal was meer vanuit mijn praktijk als blogger en Oudheid-uitlegger. Ik plaats het hieronder en de trouwe volgers van deze blog zullen veel van wat ik vertel, al kennen.
Voorbeeld 1: de Val van het West-Romeinse Rijk
Ik wil beginnen met een vertrouwd voorbeeld: de uitspraak van de Nederlandse minister-president Mark Rutte dat het verenigd Europa, als het de vluchtelingenstromen niet zou inperken, het lot zou ondergaan van het Romeinse Rijk. Dit is onzin. Rutte, in Leiden geschoold als historicus, weet dat. Mijn punt is nu niet dat le premier serviteur de l’état welbewust onwaarheden verspreidt, al vind ik het schandalig. Ik zal eerst vertellen waarom dit niet waar is en daarna de vraag stellen waarom Rutte ermee weg komt.
Waarom is dit onwaar? Vrij simpel: het betreft de Oudheid, het tijdvak waarover we te weinig informatie hebben. Zeker, na 3000 v.Chr. hebben oudheidkundigen niet langer alleen de beschikking over archeologisch materiaal maar ook over geschreven teksten, maar dat zijn er nog eeuwenlang te weinig om te komen tot voldoende harde uitspraken. Als we wel voldoende geschreven bronnen hebben, is de Oudheid min of meer per definitie voorbij. Dan zijn de Middeleeuwen begonnen. Kortom, we hebben te maken met dataschaarste.
Als de transitie van Romeins naar Post-Romeins dan ook nogal lang duurde, is eigenlijk elk antwoord op de vraag “waardoor kwam het West-Romeinse Rijk aan zijn einde?” denkbaar. Wie religie belangrijk vindt, legt de nadruk op de doorbaak van het christendom in de vierde eeuw en redeneert dat die leidde tot een minder krijgshaftige mentaliteit. Wie een centrale staat belangrijk vindt, benadrukt de decentralisering van de vijfde eeuw. Wie natuurrampen interessant vindt, vindt zijn stof in de zesde eeuw. De islamofoob kan terecht in de zevende eeuw. De data zijn schaars, de periode lang. Je kunt voor alles argumenten vinden en hebt vaak onvoldoende informatie om een theorie volledig uit te sluiten. Het is immers oudheidkunde.
Niet dat anything goes. Ruttes theorie is echt heel, heel moeilijk te verdedigen. De archeologie toont immers dat de migranten destijds assimileerden. De eerste die het echt onderkende was de Gentse historicus Henri Pirenne. Andere theorieën – de meeste – laten zich echter moeilijker weerleggen. Ze verdienen minimaal overweging. En dan bedoel ik overweging mét aandacht voor wat we weten kunnen. Momenteel speelt de Val van het West-Romeinse Rijk vooral een rol in het maatschappelijk debat als een bij elke situatie toepasbaar schrikbeeld. Een gemeenplaats.
Mijn eigenlijke vraag – waarom komt Rutte weg met zijn welbewuste onzin? – is simpel te beantwoorden. Hij wordt niet teruggefloten omdat historici de draagkracht van hun bronnen zelden uitleggen. We beschikken over een groeiend archeologisch databestand dat een complexe interpretatie vergt en we beschikken over een vrij stabiel corpus van geschreven teksten, zodat we wel aanwijzingen hebben voor allerlei theorieën, maar we domweg de data niet hebben om te komen tot voldoende harde uitspraken. De Oudheid is een echoput: je roept je eigen ideeën erin en hoort iets terug, maar het is geen stem die tot ons spreekt met eigen, voor ons nieuwe informatie. Dit principe wordt simpelweg zelden uitgelegd.
Voorbeeld 2: Jezus
Ik ga naar een tweede voorbeeld: Jezus van Nazaret. Daarover hebben we al evenmin veel informatie en dat maakt de beroemdste jood aller tijden multi-interpretabel. De wetenschappelijke oplossing is een rigoureuze methode, waarbij wordt gewerkt met criteria die de mate van subjectiviteit zo veel mogelijk verkleinen.
- Een uitspraak die niet in het Aramees is te formuleren, is vermoedelijk niet authentiek.
- Iets dat door diverse onafhankelijke bronnen – denk aan het evangelie van Johannes plus een passage in Marcus plus een brief van Paulus – is gedocumenteerd, is plausibeler dan iets dat in één bron staat.
- Het criterium van de gêne: sommige informatie is waarschijnlijk niet verzonnen, zoals dat Jezus is gekruisigd als troonpretendent of dat vrouwen zonder chaperonne Jezus volgden.
- Et cetera
Dit onderzoek is state of the art, maar het weerhoudt politici niet om hun eigen Jezus te schetsen. De Nederlandse socialistische politicus Ronald van Raak schetst dus een rode Jezus en de conservatieve dominee Henk-Jan Prosman heeft weer zijn eigen ideeën. Je negeert gewoon een eeuw wetenschappelijk onderzoek en je schept your own personal Jesus.
Dat krijgen we er dus van als historici hun methode, in dit geval het werken met authenticiteitscriteria, niet uitleggen.
Voorbeeld 3: Zionisme
Ik geef u nog een derde voorbeeld, momenteel actueel: de zionistische claim op het land van Israël. Voor het goede begrip: de staat Israël is erkend in internationale verdragen en niemand zal het bestaansrecht van Israël ontkennen. Het probleem is dat men dit onderbouwt door de Oudheid erbij te halen. Maar daar is het verleden niet voor. Wetenschap probeert apolitiek te zijn en oudheidkundigen hebben, althans professioneel, niets te zeggen over staatsverdragen.
Het zou fijn zijn als oudheidkundigen wat vaker in de pen zouden klimmen om politici terug te fluiten die de wetenschap voor hun doelen misbruiken. Er is helemaal niets op tegen om aan het publiek uit te leggen wat wetenschap niet is en niet kan.
Voorbeeld 4: De limes
Mijn vierde en laatste voorbeeld betreft de limes, de reeks Romeinse forten langs de de Rijn. Het Nederlandse deel is op de werelderfgoedlijst geplaatst, hoewel nergens ook maar een antieke baksteen is te zien en hoewel hij nooit ergens als beschermd erfgoed heeft gegolden. De limes is voor schoolkinderen een van de vijftig vensters in de historische canon.
Dit is opmerkelijk. Toen ik zelf naar school ging, waren de Germanen nog mijn Nederlandse nationale verleden. Twee Germaanse jongens, Baldo en Olwin, gingen op berenjacht, was mijn eerste geschiedenisles. Nederlanders keken, om zo te zeggen, van noord en zuid. Nu ligt de nadruk op het Romeinse verleden en kijken we van zuid naar noord.
Ik zeg niet dat dit verkeerd is. Geschiedbeelden veranderen voortdurend en dat is ook niet erg. Maar meestal veranderen geschiedbeelden doordat nieuwe informatie beschikbaar is gekomen die vervolgens is getoetst op representativiteit. We hebben er de laatste halve eeuw in Nederland eindeloos veel Romeinse vondsten bij gekregen, en die zijn opvallender dan Germaanse “zwervende erven” of ijzerwinning op de Veluwe. Maar opvallend wil niet zeggen representatief. We passen momenteel ons geschiedbeeld dus aan zonder dat er werkelijk sprake is van de noodzakelijke excess empirical content.
Anders geformuleerd, Nederlandse overheidsdiensten met belang bij die werelderfgoedstatus hebben ons Nederlandse geschiedbeeld omgekeerd zonder dat daar voldoende rechtvaardiging voor was. Dat wil niet zeggen dat die er niet kan komen; nogmaals, ik ben er niet tegen. Maar het ontbreken van uitleg over wetenschapsleer doet zich wel merken.
Tussenconclusie
De vier voorbeelden die ik noemde, documenteren verschillende vormen van slechte uitleg.
- Rare en minder rare theorieën over de val van het Romeinse Rijk zijn mogelijk door onvoldoende uitleg van de draagkracht van de data.
- Onwetenschappelijke Jezusbeelden zijn mogelijk door slechte uitleg van de methode.
- Zionistische propaganda gedijt bij onvoldoende uitleg van wat wetenschap niet vermag.
- En we keren een historisch beeld om omdat het publiek toch nooit is uitgelegd wat excess empirical content
Verklaringen
Hoe kan dit gebeuren? Het is simpel enkele factoren te noemen waardoor het publiek niet adequaat wordt geïnformeerd. De eerste: in Nederland verwaarlozen universiteiten een van hun drie taken, het overdragen van inzichten. Dat staat gewoon in de wet, maar als ik een euro zou hebben gekregen van elke academicus die beweert dat onderzoek en onderwijs de enige taken zijn, kon ik twee weken op vakantie de Ardennen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er voornemens zijn om informatie beter te delen, maar het schiet niet echt op.
Voorlichting over archeologie komt in Nederland vaak vanuit het archeologisch bedrijfsleven, dat echter meer de aandacht vestigt op interessante vondsten dan op de eigenlijke archeologie. Het proces dus van hypothesevorming en -toetsing. Classici maken schitterende vertalingen van antieke teksten, maar dat is natuurlijk geen uitleg van de wetenschap die de classici bedrijven. Wie Moby Dick in vertaling leest, leert niets over amerikanistiek.
Een tweede factor: de universitaire opleidingen zijn te kort en te specialistisch. Studenten leren niet voldoende. Als ze later dingen moeten uitleggen aan het grote publiek, komen ze eigenlijk onvoldoende beslagen ten ijs.
Het zijn maar twee factoren. Er zijn er ongetwijfeld meer. Het resultaat is dus dat er te weinig informatie vanuit de wetenschap bij de burger komt en dat maakt het voor politici eenvoudig een eigen draai aan het verleden te geven.
Naar een oplossing
Samenvattend: de voorlichting bestaat grotendeels uit het trekken van de aandacht. Met vertalingen en uitleg over vondsten gaat dat goed. Er is zo nu en dan ook informatie over de conclusies. Dat is allemaal heel mooi. Ik zeg dat zonder ironie.
Nu we mensen echter geïnteresseerd hebben weten te maken, wordt het echter stil. Er is geen verdieping. De belangstellende die wil weten hoe wetenschappers weten wat ze weten, krijgt geen gelegenheid dat te ontdekken. In elk geval niet op de plaats waar mensen zoeken, online. Menigeen concludeert inmiddels dat er geen methode is en dat je over het verleden kunt beweren wat je wil. En dat biedt activisten – of dat nu politici zijn of religieuze fundamentalisten – dus extra mogelijkheden om het verleden te laten buikspreken.
Wil de bestudering van de Oudheid als wetenschap geloofwaardigheid behouden – of beter: herwinnen – dan zal de methodische verdieping er moeten komen. Niet omdat dit een panacee is voor alle kwalen. Mensen die sceptisch zijn over de wetenschap, zullen we er niet mee bereiken. Transparantie over de methoden maakt echter duidelijk dát er een methode is, dát een wetenschappelijke opleiding zin heeft en dát je niet zomaar iets kunt roepen.
En opnieuw: die methodische toelichting moet er zijn waar mensen zoeken, dus online. Ze moet bovendien toegankelijk zijn. Je verdrijft misinformatie, die gratis is, niet met betaalsites.
Tot zover het aanbod over de Oudheid. Er moet ook iets verbeteren de uitvoering. Momenteel is die verdeeld over een reeks clubjes: de archeologen van de limes naast die van Romeins Limburg naast die van de terpen. Uitgevers van vertalingen en uitgevers van geschiedenisboeken en uitgevers van archeologieboeken. Musea met eigen belangen. Tekstbureaus die schrijven wat de opdrachtgever horen wil. Wat ontbreekt is een gedeeld plan, dat voortkomt uit de eigenlijke informatie.
Anders gezegd: we moeten eens rond de tafel gaan zitten met alle betrokkenen, een gedeeld plan maken waarin we boodschappen en doelgroepen identificeren en media selecteren. Door uit te gaan van onze boodschap, en pas daarna van de aanbiedende partijen, krijgen we een beter verhaal. Deze zin zet ik niet zonder reden vet, want dit is de crux.
De rol van de musea
Wie kan het initiatief nemen? Ik denk dat de musea voldoende kennis van de culturen van de Oudheid hebben. De ervaringen met het helaas gesloten Archeologiemuseum in Brugge en enkele eenmalige exposities zijn voldoende om te weten dat het mogelijk is oudheidkunde als wetenschap uit te leggen. We kunnen bovendien gebruik maken van de kennis van wetenschapsmusea, zoals NEMO in Amsterdam en het onvolprezen Gents Universiteitsmuseum. Als er een deskundige directeur komt, met inhoudelijke kennis van zaken, kan een farce als het Nederlandse Nationaal Historisch Museum worden vermeden.
Tot slot: waar zou het moeten komen? Als vaste bezoeker van het Rijksmuseum van Oudheden denk ik natuurlijk aan Leiden, maar ik denk dat een zuidelijker locatie beter is. Heerlen, voorzien van de grootste antieke ruïne uit de Benelux, een archeologisch restauratieatelier en een archeologisch depot, is een optie, ook omdat het dicht bij Jülich, Aken, Valkenburg, Maastricht en Tongeren. Ik denk ook aan Brussel, omdat daar de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis royaal bemeten zijn, alle aspecten van de Oudheid belichten en, eerlijk gezegd, wat nieuwe ideeën kunnen gebruiken.
Maar dat is later zorg. Het zou fijn zijn als de diverse oudheidkundige partijen hun verdeeldheid konden verlaten, over hun schaduw kunnen springen en – kortom – een bijdrage kunnen leveren aan uitleg van de Oudheid als onderwerp van wetenschappelijke studie. Dat lijkt mij de aangewezen weg om te verhinderen dat politici de Oudheid ook in de toekomst kunnen blijven misbruiken.
Boeken
- Robert Nouwen, Ambiorix tegen Caesar
- Jona Lendering, Oudheidkunde is een wetenschap
Zelfde tijdvak
Dag Fransmaart 7, 2024
Papyri in Berlijnjuni 19, 2013
Irak kort (17): De kinderen van Iraknovember 15, 2021

In puntje drie lijk je te betogen dat de Oudheidkunde het Zionisme niet màg ondersteunen, eerder dan dat ze het niet kàn. Er zijn twee vragen:
1) is het mogelijk om het verloop te schetsen van de territoriale grenzen van Joden en Israelieten? Er zijn verschillende mogelijkheden waarom dit niet kan: dat Joden en Israelieten een slecht gedefinieerd volk zijn, met kruiselings taalgebruik en religie; of dat “territorium” en “grenzen” moderne begrippen zijn; kortom, dat het begrip natiestaat niet terug te planten valt op de oudheid.
2) mocht dat toch mogelijk zijn, is dat dan een voldoende rechtvaardiging om vandaag de Joods-Israelitische natiestaat hetzelfde begrensde territorium te geven?
1) is een vraag waarop de oudheidkunde als wetenschap goeie antwoorden kan bieden, met wat extra hulp van de andere geesteswetenschappen. 2) is meer een filosofisch-juridisch-historisch-politieke vraag. Ze kan minstens gekoppeld worden aan de vraag “moeten we dan meteen de VS teruggeven aan afstammelingen van de natives?”
Kom ik op terug. Ik heb 36 redelijk hectische uren achter de rug.
Ik denk dat je het goed ziet. Er zijn twee kwesties en een oudheidkundige zou op de eerste vraag (wat waren de antieke grenzen?) in principe een antwoord kunnen geven. In principe, want hoewel de historiciteit van een koning David plausibel is, is het bestaan van een koninkrijk dat zich uitstrekte van Dan tot Bersheba dat allerminst.
De tweede vraag (maakt het verleden uit voor het heden?) is inderdaad de crux. Het antwoord is simpel: grenzen uit het verleden bepalen de grenzen in het heden niet. Nederland kan Hessen niet opeisen omdat de Bataven daar ooit zijn vertrokken en België kan geen territoriale aanspraken stellen op Champagne, hoewel daar ooit Belgen woonden.
Nog een punt: wie zijn de oorspronkelijke bewoners van wat later het Mandaatgebied Palestina was? Er zijn altijd islamitische (en christelijke en joodse) Arabieren geweest, maar er is in de negentiende eeuw nogal wat islamitische influx geweest uit de gebieden die de Ottomanen ontruimden, zoals Bosnië en de Kaukasus. Elke toerist kent het Bosnische moskeetje in Caesarea. De zionisten waren niet de enige immigranten naar Ottomaans Palestina.
Ik zou niet weten hoe ik deze kwestie moest oplossen, maar stap één lijkt me om het verre verleden er buiten te laten.
Dat lijkt me een heel goed idee! Hoeveel oorlogen zijn er niet ontstaan doordat machthebbers niet in staat zijn om het verre verleden buiten hun politiek te houden. Vladimir Poetin is er ook zo één die de afgelopen duizend jaar erbij haalt om zijn oorlog te rechtvaardigen.
Het was interessant en bovendien gezellig gisteren in de oude kelder.
Succes met de verdere tocht van je boek!
Wat Rutte betreft, hou ik nog de mogelijkheid open dat hij echt niet weet waarover hij het heeft, wegens dat college gebrost of die informatie vergeten omdat het al te lang geleden is. Het kan natuurlijk ook dat het oude schema van desastreuze volksverhuizingen er zo ingebakken zat sinds de lagere en middelbare school dat de nieuwe informatie aan de universiteit niet is blijven hangen.
“dat hij echt niet weet waarover hij het heeft”
Het doet er niet toe. Toen Rutte dit zei was hij politiek leider van een land met toenemende xenofobie en van een conservatieve partij, zo bleek vorige week, die het risico loopt stemmen te verliezen aan een radicaal-rechtse concurrent. Hij zag een kans scoren – wat kon historische accuratesse hem dan schelen? Het leverde hem stemmen op. Met hetzelfde gemak had hij beweerd dat de Aarde plat is.
Je bent te aardig over Rutte. Hij heeft het er twee keer over gehad; minimaal had hij kunnen leren van de kritiek op de eerste publicatie. En zo’n man heeft ambtenaren. Dit was een bewuste poging tot geschiedvervalsing.
Daar heeft hij dus wel actieve herinnering aan. Vreemd.
Voorbeeld 5: Cleopatra en nu ook Hannibal waren zwart! (Denzel Washington gaat hem spelen.) Dit om aan te tonen dat niet alleen politiek rechts onzin uitkraamt. Maar afgezien van de uitspraak van Rutte kan ik maar weinig rechtse politici in Nederland verzinnen die zouden gaan filosoferen over het Romeinse Rijk. Thierry Baudet zie ik er wel voor aan, maar van Geert Wilders of Joost Eerdmans zou het me zeer sterk verbazen. Zou dat iets zijn dat meer in België speelt?
Zeker niet consistent, vooral een persoonlijke interesse van Bart De Wever. Ik hoop dat hij het boek leest, zou een interessant gesprek kunnen opleveren.
‘Zionistische propaganda’ is een gevaarlijk begrip.
Ook als er iets anders mee bedoelt wordt.
Ja, ik herken je punt.
Maar hoe zouden we het anders moeten noemen als we op niet-wetenschappelijke manier omgaan met het verleden om een politiek punt te maken?
Allereerst: mijn hartelijke felicitaties met deze nieuwe publicatie, waarvan het belang onomstreden is.
Je lofprijzing van het Universiteitsmuseum van Gent deel ik: de ambtelijke ‘baas’ van de Universiteit van Gent (Logistiek beheerder Jeroen Vanden Berghe) is de Oudheid zeer toegedaan, en heeft met enorm veel enthousiasme dit museum alle kans gegeven tot deze kwaliteit te komen.
Je bent al even bezig om het handboek ‘Een kennismaking met de oude wereld’ te recenseren, en ik begrijp dat je dat mede doet om te kijken of zo’n handboek een goed beeld geeft van de stand van zaken op het terrein van oudheidkundig onderzoek. Het zou aardig zijn om dezelfde exercitie los te laten op het handboek ‘De wereld van de oudheid’, van Wes, Versnel en Van der Vliet.
Zelf heb ik het handboek van Chester G. Starr als basis voor mijn kennis over deze periode moeten gebruiken: ‘A history of the ancient world’. Zou dat laatste boek nu nog voldoende actueel zijn? Ik vraag het me af….het staat in ieder geval nog in mijn boekenkast, en heeft de verhuizing van een boekencollectie naar een veel kleiner huis overleefd.
Hoe dan ook: de vragen die je stelde bij je presentatie van je boek zijn buitengewoon interessant. Hopelijk wordt dit opus een succes!