
Juli
Juli is de heetste maand
De akkers vallen droog
De maand waarin mijn liefde voor Julia
De zon en de sterren bewoog
[Een gastbijdrage van de huisdichter van de ze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]
Ik lees wel eens een boek. En ik schrijf weleens over literatuur, waarvoor ik een vrij brede definitie hanteer.

Juli is de heetste maand
De akkers vallen droog
De maand waarin mijn liefde voor Julia
De zon en de sterren bewoog
[Een gastbijdrage van de huisdichter van de ze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Het klinkt wat wonderlijk, “Van neghen den besten”, maar het alternatief zou “De negen besten” zijn geweest, en dat klinkt als de Veronica Top-40. In andere talen staan ze bekend als de “Nine Worthies”, de “Neun Guten Helden”, “Les Neuf Preux” en “I Nove Prodi”. Dat wijst erop dat we hier te maken hebben met een internationaal verschijnsel.
De Negen Besten, zoals we ze toch maar zullen noemen, zijn de driemaal drie meest succesvolle ridders c.q. vorsten die de wereld tot de veertiende eeuw had voortgebracht. Het motief was vooral populair in de Late Middeleeuwen, die werden getypeerd door veranderingen, onzekerheden, oorlogen, hongersnoden en epidemieën. Ook daarna bleef het motief echter terugkeren in de West-Europese literatuur en kunst, tot zeker de achttiende eeuw.

Juni is de vreugdevolste maand
Hoogfeest van het heilig hart
Geen dag begint op dezelfde dag
Het lot wordt niet getart
[Een gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

De weg naar volwassenheid voltrekt zich in drie stappen: eerst Suske en Wiske, dan Kuifje en tot slot Guust Flater. Over Hergés Kuifje is meer dan genoeg geschreven, Guusts Franquin geldt als een van de allergrootste striptekenaars aller tijden (net als Hergé), maar Suske en Wiske lijken stiefmoederlijk bedeeld. Er is een biografie van Willy Vandersteen, maar ik heb niet de indruk dat er heel veel over het stripverhaal zelf is gepubliceerd. Misschien wel omdat de reeks rode boekjes – hoeveel zouden het er inmiddels zijn? – steeds commerciëler werd. Elke zoveel weken verscheen er een nieuw album en de kwaliteit nam af. Dat zag ik als kind al.
Maar toch hè. De rode (en soms blauwe) albums brengen, denk ik, bij iedereen mooie herinneringen boven. Je zat zorgeloos in een hoek te lezen en maakte een avontuur mee in een ver land, vaak spannend, altijd grappig, nooit echt eng, en met een mooi einde. Ik weet dat Kuifje een meer literair karakter heeft. En wie zich niet identificeert met Guust is geestloos. Maar ik weiger het minder ambitieuze Suske en Wiske belachelijk te vinden. Ik ben daarom blij dat er nu een charmante essaybundel is: Liza Noteris (red.), België door de ogen van Suske en Wiske (2024). Een leuk boek! Er zitten geweldige essays in.

De abdij van Heisterbach, aan de voet van het Zevengebergte in het Rijnland, zal wel voor eeuwig geassocieerd worden met een van de middeleeuwse bewoners: Caesarius, die u moet plaatsen tussen 1180 en 1240. Ten behoeve van zijn novicen noteerde hij tal van stichtelijke anekdotes (exempelen), die vaak over het kloosterleven gaan, maar even zo vaak over het dagelijks leven buiten de abdij. Caesarius van Heisterbach maakte visitatiereizen door onder meer de toenmalige Nederlanden, waar hij allerlei verhalen optekende over wonderen, visioenen en verschijningen.
Zoals we straks zullen lezen, ging hij nauwkeurig te werk. Hij had de intentie de historische werkelijkheid vast te leggen. Kortom: we hebben hier te maken met één van de schaarse schriftelijke middeleeuwse bronnen van Nederlandse volkscultuur.

[Dit is het laatste blogje Dieter Verhofstadt over de Langobardische cyclus. Het eerste was hier.]
In 2005 en 2007 werden opgravingen verricht in een begraafplaats uit de zesde eeuw in het Hongaarse Szólád. Het is een van een veertigtal bekende begraafplaatsen met zo’n 2000 individuen uit de tijd van de Langobarden. In Szólád werden vijfenveertig skeletten opgegraven en onderworpen aan moleculair genetische en isotopische analyses. De conclusie van het rapport is dat de plek slechts korte tijd is bewoond door een gemeenschap die mogelijk in Pannonië immigreerde is en er weer vertrok in het bestek van twee tot drie generaties.
In 2019 verscheen in Nature een “genetische studie van de migratie in de Langobardische periode”. Ze combineert zevenentachtig mitochondriale reeksen uit negen graven verspreid over Tsjechië, Hongarije en Italië. Ze vergelijkt genetisch materiaal uit graven met Langobardische kenmerken en uit graven waarin dergelijke kenmerken ontbreken, en die de datering van de eerste enigszins voorafgaan. Het doel van de studie is een bijdrage te leveren aan de voornaamste discussie over het bekende archeologische materiaal, namelijk de gelijkenis in de grafcultuur van het vijfde-eeuwse Pannonië en het zesde-eeuwse Noord-Italië. De discussie is of die gelijkenis wijst op migratie of op overdracht van cultuur tussen gemeenschappen die met mekaar in contact stonden.

[Dit is het derde van vier blogs van Dieter Verhofstadt over de Langobardische cyclus. Het eerste was hier.]
De legende van Alboin, opgenomen in de Langobardische Cyclus, is het meest “waarheidsgetrouwe” deel. Ze gaat dan ook niet terug op het Dresdener Heldenbuch of andere sagen. De voornaamste en eerder geschiedkundige bron hier is de Langobardische geschiedschrijver Paulus de Diaken. Voor zijn Historia Langobardorum putte hij uit de Origo gentis Langobardorum, het Liber Pontificalis (Boek der pausen), de verloren gegane geschriften van Secundus van Trente en de Annalen van Benevento. Hij verwerkte tevens teksten van Beda de Eerbiedwaardige, Gregorius van Tours en Isidorus van Sevilla.
De historische Alboin, zoals we die kennen via Paulus de Diaken, was inderdaad koning van de Langobarden, tussen 560 en 572. De Langobarden en hun buren, de Gepiden, bewoonden toentertijd de Pannonische vlakte: zeg maar westelijk Hongarije. Audoin, vader van Alboin, was in oorlog met Thurisind, koning der Gepiden. In de slag bij Asfeld (552) doodde Alboin een zoon van Thurisind, Turismod.noot

[Dit is het tweede van vier blogs van Dieter Verhofstadt over de Langobardische Cyclus. Het eerste was hier.]
Het onderdeel dat me het meest intrigeerde en de aanleiding was voor deze bijdrage, is het drieluik “de Langobardische Cyclus”, “de Amelingen” en “Diederik van Bern”. Ik kende de Keltische materie met o.a. Tristan en Isolde, de Britse Arthurlegende, de Frankische romans rond Karel de Grote, de IJslandse Edda en haar invloed op de Duitse traditie, zoals het Nibelungenlied en het Hildebrandlied. Maar ik was me niet bewust van een andere uitloper van de Germaanse traditie, die wel schatplichtig is aan – of gelijkenissen vertoont met – andere legenden, maar waarvan de hoofdpersonen zich geografisch-historisch in Centraal-Europa bevinden, en met verwijzingen naar het Byzantijnse Rijk of de perikelen tussen diverse stromingen van het christendom.
De term “Langobardische Ccyclus” lijkt bedacht te zijn door Helene Guerber zelf. Ik vind immers voor die zoekterm enkel artikels die teruggaan op haar boek. In haar aanhef op het hoofdstuk vermeldt zij het Dresdener Heldenbuch uitgebracht door Kaspar von der Röhn, die zich volgens Guerber baseerde op de verhalen van Wolfram von Eschenbach en de wellicht fictieve Heinrich von Ofterdingen. De helden in deze “Langobardische Cyclus zijn Alboin, Ortnit en Rother (waarover later meer). De begeerde bruiden zijn Rosamund, Oda en Liebgart. Vijandige koningen, al dan niet de vaders van de begeerde bruiden, heten Cunimund, Constantijn en Imelot. De magische hulp komt van Alberich de Dwerg.
Lees verder “De Langobardische Cyclus (2): “Dresdener Heldenbuch””

Ik las het boek De mooiste mythen en sagen uit de Middeleeuwen, geschreven door Hans P. Keizer en in 1999 uitgegeven door Verba. Keizer heeft allerlei van zulke collecties op zijn naam, ook in het esoterische domein. Ik kon niet veel informatie over hemzelf vinden, maar zijn oeuvre duidt eerder op een vertaler-bloemlezer dan op een origineel auteur. Het boek bevat nochtans geen enkele bronvermelding en presenteert zichzelf evenmin als vertaling, terwijl het me onwaarschijnlijk leek dat het Keizers eigen werk zou zijn.
Na wat opzoekwerk vond ik inderdaad dat het boek een bewerkte vertaling is van Myths and legends of the Middle Ages van Helene A. Guerber, waarvan de eerste editie verscheen in 1909. Zij was een Amerikaanse lerares en schrijfster van Zwitserse komaf, die leefde van 1859 tot 1929. Ondanks haar grote productiviteit als verteller en bundelaar van verhalen, is er weinig over haar leven bekend. Volgens een “Who’s who” uit 1914 heeft ze gestudeerd in Parijs. Ze moet zeker enige tijd in Europa hebben doorgebracht, aangezien ze in 1906 een omvangrijke gids uitbracht voor Amerikanen die daar willen studeren of reizen. Of een studie van mythologie deel uitmaakte van haar opleiding, is niet bekend. Dat het onderwerp haar interesseerde, is echter een understatement. Ze heeft immers de Romeinse, de Griekse en de Noordse mythologieën gebundeld en voorzien van illustraties in de negentiende-eeuwse, romantische traditie.
Lees verder “De Langobardische Cyclus (1): Keizer en Guerber”

Mei is de nieuwste maand
Alleen de koekoek en de spriet
Leggen hun eieren
In de meimaand niet
[Een gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.