Stel u het volgende voor. Een kosmoloog stelt de waarde van de Hubble-constante vast. Groot nieuws! De journalist die erover schrijft, begint dan vermoedelijk te vertellen waarom dit wetenschappelijk een probleem is en dat er diverse benaderingen zijn. Vervolgens legt hij uit wat de ontdekking is en wellicht geeft hij aan welke ideeën andere onderzoekers hebben. Misschien dat de journalist de volgorde van deze delen – probleem, benaderingen, oplossing, verdere gedachten – aanpast, maar dit is het ongeveer.
Wat de journalist niet doet is schrijven dat het Scheppingsverhaal, dat tot in de negentiende eeuw voor veel mensen het antwoord vormde op alle kosmologische vragen, achterhaald is en vervolgens niet vertellen wat nu feitelijk is ontdekt. Religieuze beeldvorming speelt in de wetenschap geen rol. Dat is echter wel waartoe Bart Funnekotter is gedwongen als hij (in dit artikel in het Handelsblad) schrijft over het proefschrift van de Leidse classica Renske Janssen. Wat we uit Funnekotters stuk vernemen is dat de christenen in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling niet zijn vervolgd op de wijze zoals we zouden opmaken uit christelijke teksten. Eerst worden we dus aangesproken via verouderde religieuze beeldvorming, daarna vernemen we dat die niet klopt, maar wat Janssen nu feitelijk toevoegt aan wat al bekend was, blijft enigszins onduidelijk.
Ik beheer een grote oudheidkundige website (Livius.org) en een blog. Dat levert me honderden mailtjes met vragen op. De vragen komen vaak voort uit misverstanden en in 2009 heb ik geïnventariseerd welke er nu werkelijk bestaan. Conclusie één: pseudowetenschap is een beperkt probleem, het echte probleem is dat academische oudheidkundigen het grote publiek verouderde informatie toewerpen.
Ik heb mijn antwoorden benut in Spijkers op laag water, een boekje dat in feite bestond uit het aan elkaar schrijven van de frequentst gegeven antwoorden. Het echte werk zat in het nawoord, waarin ik uitlegde dat oudheidkundigen zoveel verouderde informatie rondpompen doordat het vakterrein versplinterd is geraakt in veel te beperkte specialismen, zodat mensen bij een typische generalistenactiviteit als voorlichting terugvallen op handboekenkennis die inmiddels achterhaald is. Verder attendeerde ik op de schade die door academische betaalmuren werd toegebracht: bad information drives out good. Hieronder vindt u het voorwoord dat ik destijds schreef.
Woerden, Drive-in Museum: een goed voorbeeld van eerstelijns-voorlichting… maar er is geen tweede lijn.
[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing, waarvan het eerste deel hier is, zal niets bieden wat niet al eerder is gezegd. Doorlezen op eigen risico.]
Junk news en aanverwante problemen
Je hebt fake news en junk news. De eerste categorie is het bekendst: onjuiste informatie, niet per se moedwillig verspreid, zoals de opmerking eerder dit jaar in De Volkskrant dat er in Nederland geen Romeinse ruïnes zichtbaar zijn. Het waren niet alleen Heerlenaren die zich ergerden.
Ergerlijk als fake news is, is het minder problematisch dan junk news. Dat is een platte boodschap die zó vaak wordt herhaald dat mensen de echte informatie niet meer vinden kunnen. Bad information drives out good. Dit is hét centrale probleem voor de limes: waar je ook zoekt, je vindt steeds dezelfde flauwe informatie en het echte verhaal is onvindbaar. We bieden veel geschreeuw en tonen weinig wetenschap.
De onvindbaarheid van de juiste informatie wordt versterkt door de “tweede trechter”. Een trechter is een metafoor om aan te geven hoe mensen naar inzicht brengt: je trekt eerst hun aandacht en leidt ze steeds verder naar de eigenlijke informatie. Je kunt ook de metafoor gebruiken van een ladder waarlangs je opklimt richting wetenschap.
Vanouds hebben we bladen als Archeologie Magazine en Hermeneus, de Week van de Klassieken, voortreffelijke musea en lesprogramma’s voor de scholen. Perfect is het niet, maar de mensen weten de weg naar deze informatie te vinden en de betrokkenen kunnen hun positie benoemen in het grote gebouw der humaniora. Ze kunnen duidelijk maken waarom de geesteswetenschappen maatschappelijk belangrijk zijn, waarom een vakopleiding nut heeft en welke betekenis archeologie heeft voor onze cultuur.
De limes-organisaties hebben deze structuur grotendeels genegeerd: naast de Week van de Klassieken is er een Romeinenweek gekomen. Je kon nog beweren dat de eerste ging over de Oudheid en de tweede over de Nederlandse Oudheid, maar volgend jaar is het thema “de vrouw”, waarbij dit onderscheid onmogelijk is. Het thema valt immers alleen te behandelen door de gegevens te halen uit Italië. Dan heb je twee keer hetzelfde evenement.
(Tussen haakjes wijs ik erop dat we hier een voorbeeld hebben van eclecticisme: je kunt een vraag niet beantwoorden, haalt informatie dus van elders en neemt maar aan dat wat daar en toen gold, ook voor jouw regio en tijdperk geldt. Als het doel is een zo breed mogelijk publiek zo snel mogelijk te voorzien van adequate informatie, is dat laatste mislukt. Het zal worden herkend en het zal de scepsis verder versterken.)
Andere voorbeelden van verdubbeling: online hebben we een educatief platform over de limes naast Quamlibet, het platform dat classici en historici al gebruiken. Het zou makkelijker zijn geweest alles op één al vertrouwd punt onder te brengen. Verder herhalen de diverse limes-websites vrijwel allemaal dezelfde informatie – allemaal eerstelijns en nooit Web 2.0. Afhankelijk van wie je vraagt zijn er nu vier of zes limes-fietsroutes. Ze zijn niet identiek maar het kon efficiënter.
Kortom: goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap. De dubbele trechter maakt het nog verwarrender. Het kan dus efficiënter.
Aanbevelingen
Triest als het is: er zijn voldongen feiten. Die zijn niet allemaal slecht maar er is ruimte voor verbetering. Het moge duidelijk zijn dat ik ervoor pleit dat we naast de eerste lijn een tweede lijn openen, opdat we geïnteresseerden niet langer afstoten. Dat betekent:
Het wetenschappelijk proces moet uitgelegd. Hoe weten we wat we weten? Waartoe dient dat? Wat is het belang van kennis van archeologie, limes, humaniora? Dit uitleggen heeft als voordeel dat je belet dat een olijke staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat ’ie moet met musea vol opgegraven potten en pannen.
Leg uit waarom de omkering van het Gelderse geschiedbeeld excess empirical content oplevert en een verbetering is. Of misschien moet ik zeggen: excess educational content. Het voordeel is dat je scepsis vóór bent.
Toon hoe de limes, als onderdeel van de geesteswetenschappen, helpt onze eigen denkbeelden te doorgronden. Gebruik de Romeinse noties over de grenzen van het imperium om de betrekkelijkheid van de eigentijdse (op de negentiende eeuw teruggaande) noties over territoriaal begrensde staten te begrijpen.
Overschat je eigen kennis niet want de academische opleidingen zijn sinds de jaren tachtig te kort. Werk dus samen met wetenschapscommunicatoren, classici en historici. Bedenk hierbij dat het grote publiek de academische specialismen niet (h)erkent. (Een archeoloog die spreekt over veenlijken, krijgt te maken met een publiek dat deze vondsten interpreteert met behulp van Tacitus’ Germania en een classicus die spreekt over die tekst, krijgt vragen over het Meisje van Yde.) Het voordeel van samenwerking is dat ook anderen je inzichten verspreiden.
Vermijd junk news en fuseer de trechters. Als de Romeinenweek samengaat met de Week van de Klassieken is het voordeel dat een evenement ontstaat dat er echt toe doet. Voor Romeins Nederland is het beste nieuws in tijden dat het Rijksmuseum van Oudheden een conservator voor Nederland in de Romeinse Tijd heeft gekregen, zodat de gangbare trechter is versterkt.
Gezond wetenschapscommunicatiebeleid heeft als vertrekpunt de informatiebehoefte van de doelgroepen, niet wat de betrokken partijen toevallig hebben te bieden.
[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing, waarvan het eerste deel hier is, zal niets bieden wat niet al eerder is gezegd. Doorlezen op eigen risico.]
De omgekeerde volgorde
Ons doel is dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de limes, zo snel en adequaat mogelijk terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. Een goed proces zou erop neerkomen dat er (1) een wetenschappelijke publicatie is met dat nieuwe inzicht, (2) een beslissing valt dit inzicht met het publiek te delen, (3) overleg plaatsvindt over de eigenlijke boodschap, (4) doelgroepen worden geïdentificeerd, (5) media bij de doelgroepen worden gezocht, (6) een communicatieplan wordt opgesteld dat (7) wordt uitgevoerd. Tot slot is er een evaluatie.
Bij de limes is het niet volgens dit ideale schema gegaan. Er was al veel gedaan toen het besluit viel de limes te promoten (Commissie-Van Oostrom, daarna werelderfgoedstatus-aanvraag). Hierop volgden meer uitwerkingen, met Hoge Woerd als hoogtepunt, maar ondertussen werd er nauwelijks gesproken over de boodschap en werd onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen (zo meteen meer). Pas vrij laat kwam het Interpretatief Kader, waarvan de opstellers rekening moesten houden met partijen en praktijken die in het ideale schema nooit een rol toegewezen zouden hebben gekregen. Dit is de cruciale fout geweest: niet vertrekken bij de informatiebehoefte van het publiek, niet zoeken welke expertise noodzakelijk was, maar uitgaan van het aanbod van partijen die al bekend waren. Mede hierdoor groeide een “tweede trechter” (zo meteen meer). De eerste echte wetenschappelijke synthese is eigenlijk pas zojuist verschenen. We zijn dus begonnen bij stap zeven, eindigen bij stap één en zitten nu opgezadeld met voldongen feiten.
Nijmegen op de Peutinger-kaart: Nijmegen zou het logische venster in de canon zijn geweest
[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing zal niets bieden wat niet allang bekend is: de voorlichting over de limes is contraproductief, omdat steeds dezelfde, vlakke boodschap wordt herhaald. Zo versterken de limes-organisaties juist bij de meer geïnteresseerde mensen de indruk dat het intellectueel weinig voorstelt en jagen ze precies die doelgroep weg die cruciaal is om de bewustzijnsverandering tot stand te brengen. De cruciale fout is dat men steeds uitgaat van wat de betrokken partijen toevallig in de aanbieding hebben, terwijl het vertrekpunt vanzelfsprekend de informatiebehoefte van het publiek behoort te zijn. Dat wist u allang, dus doorlezen op eigen risico.]
Het is als met de kruipolie die maakt dat een machine soepel draait: alles gaat beter als de informatie waarop we ons baseren accuraat is. Onderzoekers speuren naar die informatie en is deze eenmaal verworven, dan is het zaak haar zo snel en adequaat mogelijk over te dragen aan zoveel mogelijk mensen. Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd.
Archeologen werken vanouds samen met musea en doen hun overdracht zo beroerd niet, maar er is verbetering mogelijk. Daarbij is de crux: het gaat om de informatiebehoefte van de ontvangers en niet om wat de zenders toevallig hebben te bieden. Bij zenders kunt u denken aan universiteiten, musea, stichtingen, re-enactors, journalisten, erfgoedhuizen en wat dies meer zij.
Wetenschapscommunicatie is geen zenden maar een heen-en-weer-gang.
Vroeger zeiden ze vervoer. Daarna zeiden ze transport. Vervolgens noemden ze het logistiek. En nu doet een bedrijf aan logistics. Ondertussen doen die bedrijven, voor zover ik weet, precies hetzelfde. Zo is het vaak met naamsveranderingen, dus het zij u vergeven als u denkt dat elke naamsverandering gebakken lucht is. Soms is er echter wel degelijk iets aan de hand: human resource management is echt iets anders dan personeelszaken. En wetenschapscommunicatie is echt een andere vorm van overdracht dan populariseren.
Het grote verschil is dat de popularisator sprak maar niet luisterde. De wetenschapper die zijn inzichten wilde delen was als een radiostation dat een boodschap de wereld instuurde; het publiek was daarbij de passieve ontvanger. Hierbij werd de boodschap vereenvoudigd: er was een kloof tussen de universiteit, waar een zeer kleine groep mensen lang had kunnen studeren, en de overgrote, minder lang geschoolde burgerij. Vereenvoudiging was noodzakelijk.
De opkomst van het internet heeft de ontwikkeling van de wetenschapscommunicatie versneld. In de jaren tachtig gold nog dat er sprake was van een “zender” (de wetenschapper), die zijn inzichten “populariseerde” ten behoeve van de “ontvangers” (de burgers), maar dat is inmiddels achterhaald – en was dat eigenlijk destijds al. Dat oude populariseren wordt tegenwoordig vooral sarcastisch aangeduid met een knipoogje naar de Rijdende Rechter: “dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen”.
Wat schort eraan?
De tweede lijn
Er is al sinds de jaren zestig een overaanbod aan informatie en dat dwingt iedereen selecties te maken. Dat heeft een gevolg voor de receptie van de informatie: het publiek is niet langer een passieve ontvanger maar een actieve selecteerder. Er zijn wat theorieën met gruwelnamen als PUS en PAS en PES en PPS, en het is u vergeven als u die wil vergeten, maar samengevat komen ze er allemaal op neer dat de wetenschap een stap extra moet zetten om te tonen wat haar aanbod beter maakt dan andere vormen van informatie. We moeten uiteraard de conclusies presenteren (de “eerste lijn”) en we moeten dat doen waar mensen die vinden (lees: op het internet), maar we moeten óók inzicht verschaffen in het wetenschappelijk proces. Ik verwijs maar weer eens naar Tussen onderzoek en samenleving (2013).
Dit plaatje heeft niets met verkiezingen te maken maar verkiezingen hebben wel alles te maken met haar toekomst.
De afgelopen twee weken heb ik de verkiezingsprogramma’s doorgelezen om te kijken wat de politieke partijen hadden te bieden aan mensen die, zoals ik, lijden aan ongeneeslijke liefde voor ons erfgoed en dan – in mijn geval – vooral de Oudheid. In dit stukje zal ik samenvatten waar de politieke partijen zoal aan denken, in een vervolg zal ik dan nog uitleggen wat volgens mij nodig is.
Wetenschap en politiek
Opvallend is, om te beginnen, dat de partijen meer mooie woorden wijden aan het belang van cultuur dan aan het belang van wetenschap. Vermoedelijk is dat omdat ze vinden dat het laatste vanzelf spreekt. Of vanzelf zou behoren te spreken. De consequentie is immers dat er ook met de wetenschap rekening wordt gehouden, en zoals iedereen weet heeft de politiek zich de laatste tijd weinig aangetrokken van wat bekend is over immigratie, klimaatverandering, slaapklinieken, obesitas en de opvang van mensen met psychische problemen.
Een slecht Paulusboek van een veelgehypete auteur, zoals dit, maakt betere boeken onverkoopbaar
Bad information drives out good. Dat principe doet om te beginnen zijn opgeld op het internet, waar de beste informatie op betaalsites ligt en slechte informatie gratis te verkrijgen valt, zodat het publieke debat over tal van onderwerpen – autisme, UMTS-straling, de vluchtelingentoestroom, klimaatverandering – in afnemende mate berust op feiten. Dat geldt ook voor de oudheidkunde. Of het nu de archeologie van Israël, de mensenrechten van Cyrus de Grote, de zwarte etniciteit van de oude Egyptenaren of de historiciteit van Jezus betreft, steeds opnieuw blijkt dat mensen op het internet verouderde informatie vinden en geloven.
Dat slechte informatie goede verdrijft, is ook relevant voor boeken. Ik durf de voorspelling wel aan dat Van Rossems Het einde van het Romeinse Rijk een hoop publiciteit zal gaan krijgen: hij schoof al aan bij Jinek, waar hij bekende het boek in twee-en-een-halve maand te hebben geschreven, en hij mocht zijn niemendalletje presenteren in het Rijksmuseum van Oudheden. Het zal dus wel goed verkopen en zo Jeroen Wijnendaeles veel betere boek Romeinen en barbaren. De ondergang van het Romeinse Rijk in het westen onverkoopbaar maken. Iets soortgelijks geldt voor het Paulus-boek van Fik Meijer, dat vrijwel voorbijgaat aan het New Perspective on Paul (de revolutionaire discussie over wat Paulus nu eigenlijk bedoelde) en, zoals een van mijn correspondenten ooit opmerkte, “evengoed over een rondreizende stofzuigerverkoper zou kunnen gaan”. Nu wil ik aannemen dat rondreizende stofzuigerverkopers best interessante dingen meemaken, maar Meijers overbodige boek drukte wél het uitstekende Paulus en de rest van Bert Jan Lietaert Peerbolte uit de markt. Bad information drives out good.
De stadsmuur van Rome, die Hannibal weerstond en die Sulla dwong een veldslag te leveren.
Ik heb de afgelopen dagen geschreven over Maarten van Rossems Het einde van het Romeinse Rijk en Fik Meijers Macht zonder grenzen, nadat ik al eerder had geschreven over Meijers Jezus en de vijfde evangelist. Alle drie boeken zitten tjokvol slordigheden; Meijers boeken verraden bovendien dat de auteur de historische methode niet beheerst. Zoals ik al aangaf maak ik me zorgen om het beeld dat de lezers van zulke boeken opdoen. Wie wil tonen dat de oudheidkunde een wetenschap is en dat de klassieken een zinvolle intellectuele activiteit zijn, moet verhinderen dat lezers denken “wat een slonzigheid”. Het gaat erom dat de lezer denkt “wat interessant!” Vandaar dat ik in het tweede en derde stukje heb geprobeerd iets te tonen van de wijze waarop oudhistorici omgaan met bronnen.
Het zo opvallende gebrek aan kwaliteit zit me al langer dwars. Om precies te zijn: sinds Macht zonder grenzen verscheen. Ik heb Meijer in mei 2005 gemaild en heb hem via zijn uitgever, Mark Pieters van Athenaeum – Polak & Van Gennep (ook mijn uitgever), een lijst van vergissingen gestuurd. Die heeft Meijer, zo schreef Pieters terug, ter zijde geschoven als “verschil aan inzicht”. Afgaande op Pieters’ correspondentie heeft hij Meijer daarna bij nog twee gelegenheden aangeboden dat de tekst gereviseerd mocht worden. Een aanbod waar ik zelf gebruik van zou maken. Ik heb ook mijn fouten gemaakt – ik werd maandag nog herinnerd aan een systematisch herhaalde verkeerde legioennaam in Oorlogsmist – en ik heb bij herdrukken mijn fouten zoveel mogelijk verbeterd.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.