XXX Ulpia Victrix

Ere-inschrift voor een bestuurder die ook diende in XXX Ulpia Victrix (Capitolijnse Musea, Rome)

Met het legioen dat bekendstaat als XXX Ulpia Victrix hebben we een regiment te pakken dat diende in onze eigen contreien. Het was eeuwenlang gestationeerd in Xanten. De bijnamen vertellen ons weinig: Victrix betekent “zegevierend” en het zou een raar legioen zijn geweest als het iets anders had geclaimd, Ulpia verwijst naar de oprichter van deze eenheid, keizer Marcus Ulpius Trajanus. Hij formeerde XXX Ulpia Victrix samen met II Traiana Fortis in 105, tijdens de oorlog die hij voerde tegen de Daciërs. Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.

XXX Ulpia Victrix was aanvankelijk gestationeerd in Brigetio (Szöny) in Pannonië, dat tot dan toe had gediend als basis van XI Claudia. Enkele onderafdelingen van het nieuwe legioen namen deel aan de oorlog tegen de Daciërs en vermoedelijk nam het regiment enkele jaren later ook deel aan Trajanus’ campagne tegen het Parthische Rijk (115-117).

Lees verder “XXX Ulpia Victrix”

De Maghreb in de Late Oudheid (2)

Het Byzantijnse fort van Madauros

[Tweede van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Ik eindigde mijn vorige blogje over de Maghreb in de Late Oudheid met de onderwerping van het Vandaalse koninkrijk door de Byzantijnse generaal Belisarius in het jaar 533. Hij sloot een verdrag met een Berber-koning genaamd Massonas, die lijkt te hebben geheerst vanuit Altava in het noordwesten van het huidige Algerije. De twee partijen werkten in de volgende jaren samen, onder meer tegen andere groepen Berbers. De Byzantijnen bouwden een reeks forten. In Tunesië is te denken aan Sufetula (Sbeitla), Mactaris (Makhtar) en Ammaedara (Haïdra). In Algerije gaat het om Theveste (Tebessa), Madauros (M’daourouch), Lambaesis (Tazoult), Thamugadi (Timgad), Sitifis (Sétif) en Tipasa. Meer naar het westen ontbreken de forten, omdat het gebied in handen was van de bevriende Berbers van Altava.

Demografische neergang

Wie die forten ziet, valt op hoe klein ze zijn. Ze zijn ook grotendeels gebouwd uit gerecycled ouder bouwmateriaal, vaak de enorme stukken natuursteen waarop inscripties hadden gestaan. (De Byzantijnse forten zijn een paradijs voor epigrafen.) Omvang en bouwmateriaal zullen wel samenhangen met de demografische neergang in Late Oudheid. Het meest opvallende aspect daarvan is de pest-epidemie die uitbrak in 541, maar de neergang had al eerder ingezet.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (2)”

De Maghreb in de Late Oudheid (1)

Latijnse ostrakon uit Timgad, waarin iemand met een Berbernaam een transactie dateert aan de hand van een Vandaalse koning

Toen Augustinus in 430 in Hippo Regius overleed, belegerden de Vandalen zijn stad, die ze kort daarna bezetten. Karthago volgde in 439. Onder leiding van Geiserik stichtten de Vandalen een eigen koninkrijk binnen de grenzen van het aloude Romeinse imperium. De tijden waren aan het veranderen.

Eén van de redenen waardoor het zo ver had kunnen komen, is dat het keizerlijk hof in Ravenna en Constantinopel lang weinig belangstelling had gehad voor de Maghreb. De Duitse oudhistoricus Mischa Meier typeert het als een proces van terugtrekking.

Lees verder “De Maghreb in de Late Oudheid (1)”

Provinciale herindelingen

Africa (Musée des beaux-arts, Lyon)

Dit wordt een saai blogje. Ik schrijf het vooral voor mezelf, omdat ik even wat dingen op een rijtje wil hebben. Dus u moet het maar niet lezen, tenzij provinciale herindelingen uw hobby zijn.

Maar het zit dus zo. Als u in de eerste helft van de tweede eeuw v.Chr. naar de Maghreb had gekeken, dan lag in het oosten, waar nu Tunesië ligt, het gebied waarover de stad Karthago de scepter zwaaide. Reisde u naar het westen, dan arriveerde u in Numidië, en dat bestond uit het gebied van twee groepen: in het oosten de Massyliërs en in het westen de Masaeisyliërs. De koning van de Numidische volken is op dat moment Massinissa; hij resideerde in Cirta, het huidige Constantine. Nog wat verder naar het westen, zeg maar in wat wij Marokko noemen, leefden de Mauri.

Lees verder “Provinciale herindelingen”

De opstand van Tacfarinas (3)

Een ereteken voor de Romeinse commandant Scipio in Lepcis Magna

[Dit is het laatste van drie blogjes over de opstand van Tacfarinas. Het eerste was hier.]

De voor het jaar 21 na Chr. door keizer Tiberius aangewezen commandant, Quintus Junius Blaesus, had een nieuwe strategie. Hij begreep dat een regulier leger 100% van de bezittingen 100% van de tijd moet beschermen, terwijl een guerrilla-leider maar af en toe succes hoeft te hebben om door te kunnen gaan. Mits hij de steun heeft van de boeren, die het guerrilla-leger moeten voeden. Blaesus besloot de boerenbevolking beter te beschermen of – afhankelijk van je perspectief – meer onder druk te zetten en verspreidde daarom zijn troepen. Hij bezat immers twee legioenen met hulptroepen en kon zijn manschappen dus ook over een breed terrein inzetten.

Contraguerrilla

VIIII Hispana opereerde in het oosten, langs de weg naar Lepcis Magna, waar generaal Scipio belette dat de rebellen samenwerkten met de verderop wonende Garamanten. Blaesus’ zoon beschermde de boeren rond de Numidische hoofdstad Cirta (tegenwoordig Constantine). Zelf opereerde Blaesus, aan het hoofd van III Augusta, in het centrum, in de omgeving van het huidige Tébessa. Tacitus schrijft:

Lees verder “De opstand van Tacfarinas (3)”

De opstand van Tacfarinas (2)

Een Numidische ruiter (Musée du Bardo, Tunis)

[Dit is het tweede van drie blogjes over de opstand van Tacfarinas. Het eerste was hier.]

In hetzelfde jaar [17 na Chr.] brak er in Africa oorlog uit. De aanvoerder van de vijanden was Tacfarinas. Hij was een Numidiër van geboorte en had in het Romeinse leger gediend bij de hulptroepen. Later was hij gedeserteerd.noot Tacitus, Annalen 2.52.1; vert. Wes.

Een deserteur: de Romeinse geschiedschrijver Tacitus weet wel hoe hij een personage zó bij moet introduceren dat lezers meteen weerzin voelen. En nu was die nietswaardige dus vervallen tot banditisme.

Eerst had hij een aantal figuren die zonder middelen van bestaan rondzwierven en overvallen pleegden, om zich heen verzameld om links en rechts te roven en te plunderen…noot Tacitus, Annalen 2.52.1; vert. Wes.

Lees verder “De opstand van Tacfarinas (2)”

IIII Flavia Felix

De samenvloeiing van Donau en Sava, gezien vanaf de basis van IIII Flavia Felix (Belgrado)

Zoals ik vertelde in het vorige blogje, was IIII Macedonica uit Mainz in ongenade gevallen doordat het Rijnleger tijdens de Bataafse Opstand (69-70 na Chr.) opzichtig had gefaald. Keizer Vespasianus herformeerde het echter onder de naam IIII Flavia en stationeerde het in Burnum, het huidige Kistanje in Kroatië.

Hoewel veel soldaten vanuit het oude legioen naar het nieuwe zullen zijn overgeplaatst, waren er ook rekruten uit Noord-Italië en wellicht Zuid-Gallië. Gnaeus Julius Agricola (de toekomstige schoonvader van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus) hield toezicht op de feitelijke formering van het legioen. Omdat het insigne van de vernieuwde eenheid bestond uit het sterrenbeeld Leeuw, is het mogelijk dat het eind juli of begin augustus 70 officieel werd opgericht.

Lees verder “IIII Flavia Felix”