De Zeven Wonderen van België

Doopvont van Reinier van Hoei (Sint-Lambertuskerk, Luik)

Ik houd van fietstochtjes en eigenlijk interesseert het me niet zoveel waar ik begin en eindig. Ik ben weleens langs alle hunebedden gefietst; aan die ouwe stenen valt weinig te ontdekken, maar het is prettig fietsen in Drenthe en Groningen. Ook ben ik weleens om Vlaanderen gereden, doelloos maar tevreden. Mijn fietstocht rond Nederland is bijna voltooid. Het klassieke kwartet AalstPeutieZwevezeleGenoelselderen heb ik al binnen. En zoals het gaat: onderweg ontdek je links een mooi kasteel en rechts een smakelijk streekgerecht.

Een ander reisdoel-dat-geen-doel-is-maar-tussenstop-in-een-tochtje: de Zeven Wonderen van België. Ik begrijp dat het lijstje een halve eeuw geleden is gemaakt als een publiciteitscampagne om toeristen te lokken. Die zullen zich zeker niet bekocht hebben gevoeld: het is een mooi lijstje, waarin Vlaanderen en Wallonië elk met drie kunstwerken zijn vertegenwoordigd en Brussel met één. Ook chronologisch is het mooi verdeeld.

Lees verder “De Zeven Wonderen van België”

Hak om, die boom

West-Europa, dus zeg maar onze cultuur, is ontstaan in de Frankische tijd. Zoals Jeroen Wijnendaele onlangs in zijn boek over koning Clovis benadrukte, ontstond in de Late Oudheid een politieke eenheid die niet primair op de Middellandse Zee was gericht. Onze taal (ons meest identiteitvormende erfgoed) stamt af van het Frankisch, de oudste laag in onze literatuur is Frankisch, het christendom verspreidde zich in de Frankische tijd. Maar hoe is de kerstening verlopen?

Er zijn allerlei vrome legendes, waarvan iedereen eigenlijk ook wel weet dat het alleen maar vrome legendes zijn. Elk mirakelverhaal veronderstelt immers dat de lieve god de natuurwetten opschortte ten behoeve van deze of gene patiënt, en zoiets hoeven we zelfs niet te overwegen. Tegelijk: op een zeker moment was het christendom aanwezig en het moet ergens vandaan zijn gekomen. En ook: sommige gebeurtenissen zijn voldoende gedocumenteerd om plausibel te zijn. Het lijdt bijvoorbeeld geen twijfel dat bewoners van Oostergo in 754 of 755 aan de Boorne een Frankisch leger hebben aangevallen en dat daarbij de stokoude aartsbisschop Bonifatius van Mainz om het leven kwam.

Lees verder “Hak om, die boom”

Gravin Judith in Gent

Judith, geschilderd door Albrecht de Vriendt (1889)

Oké, het is nét geen tien. Het is een tien min. Maar de Judith-expositie in de Sint-Pietersabdij in Gent is de beste archeologische tentoonstelling in jaren. Het aanbod is precies groot genoeg om tot je te kunnen nemen zonder moe te worden, de voorwerpen zijn perfect gekozen, de uitleg is voorbeeldig, de inrichting deugt en het onderwerp is belangrijk. En dat onderwerp is niet de Karolingische prinses Judith.

Het onderwerp is het graf dat bekendstaat als S127. Het is in 2006 aangetroffen bij de aanleg van een onderaardse parkeergarage, ruwweg voor de ingang van de huidige abdijkerk. Een koolstofdatering maakte duidelijk dat het gebeente dateerde uit de negende eeuw; fysisch antropologisch onderzoek identificeerde het als het graf van een vrouw van een jaar of zestig. Omdat het graf lag binnen de grenzen van de Karolingische kerk, moest het gaan om iemand uit de absolute elite van de toenmalige samenleving.

Lees verder “Gravin Judith in Gent”

Suske, Wiske en België

De weg naar volwassenheid voltrekt zich in drie stappen: eerst Suske en Wiske, dan Kuifje en tot slot Guust Flater. Over Hergés Kuifje is meer dan genoeg geschreven, Guusts Franquin geldt als een van de allergrootste striptekenaars aller tijden (net als Hergé), maar Suske en Wiske lijken stiefmoederlijk bedeeld. Er is een biografie van Willy Vandersteen, maar ik heb niet de indruk dat er heel veel over het stripverhaal zelf is gepubliceerd. Misschien wel omdat de reeks rode boekjes – hoeveel zouden het er inmiddels zijn? – steeds commerciëler werd. Elke zoveel weken verscheen er een nieuw album en de kwaliteit nam af. Dat zag ik als kind al.

Maar toch hè. De rode (en soms blauwe) albums brengen, denk ik, bij iedereen mooie herinneringen boven. Je zat zorgeloos in een hoek te lezen en maakte een avontuur mee in een ver land, vaak spannend, altijd grappig, nooit echt eng, en met een mooi einde. Ik weet dat Kuifje een meer literair karakter heeft. En wie zich niet identificeert met Guust is geestloos. Maar ik weiger het minder ambitieuze Suske en Wiske belachelijk te vinden. Ik ben daarom blij dat er nu een charmante essaybundel is: Liza Noteris (red.), België door de ogen van Suske en Wiske (2024). Een leuk boek! Er zitten geweldige essays in.

Lees verder “Suske, Wiske en België”

Raymond III van Tripoli (1)

Munt van het graafschap Tripoli (Bodemuseum, Berlijn)

Ik liet u gisteren achter met een totaal geïsoleerde graaf Raymond II van Tripoli. Hij bezat geen leger meer en had de verdediging van zijn graafschap uitbesteed aan de Hospitaalridders en de Tempeliers. Zelf was hij ongeloofwaardig geworden door samen te werken met Nur-ad-Din: een schending van de solidarité chrétienne die de Kruisvaarders, ondanks al hun ruzies, meestal handhaafden. In 1152 stierf hij door moordenaarshanden. Zijn minderjarige zoon Raymond III erfde een vrijwel failliete boedel, werd vervolgens een van de machtigste mannen in de Levant en eindigde met de reputatie verantwoordelijk te zijn voor de nederlaag die de Kruisridders leden bij Hattin.

Raymond III wordt graaf

Een geluk bij een ongeluk was de aanwezigheid van koning Boudewijn III in Tripoli op het moment van de moord op Raymond II. Hij wees de weduwe, gravin Hodierna, aan als regentes en eiste eden van trouw, die de mensen in Tripoli al snel aflegden. Tegelijkertijd vielen de Tempeliers, die wraak wilden nemen voor de moordaanslag, de Assassijnen aan. Ze hadden enorm succes en legden hun vijanden een schatting op. Die zou nog belangrijk worden.

Lees verder “Raymond III van Tripoli (1)”

Robert de Fries en Sint-Nikolaas

Robert de Fries (Gent)

Nog even over de relieken van Sint-Nikolaas dus, waarvan afgelopen zondag een piepklein deel vanuit de Egmondse Abdij is overgebracht naar de Amsterdamse Nikolaasbasiliek. Of dat bot echt is, is volkomen irrelevant. Een heilige staat voor een waarde – in dit geval: het is goed te geven aan wie niets kan teruggeven – en al het overige is geneuzel. Een weldenkend mens heeft het er niet over. Of besteedt het uit aan bloggers.

Scepsis

Broeder Adelbert, de reliekenbeheerder en huisblogger van de abdij van Egmond, heeft echter aangegeven in te staan voor de authenticiteit van de relikwie. Dat maakt mijn historische belangstelling wakker. Religieus geloof is immers één ding, wetenschap een ander ding. Je moet sterk staan om iets als “het is echt waar” te zeggen wanneer dat irrelevant is. Dan word ik nieuwsgierig.

Lees verder “Robert de Fries en Sint-Nikolaas”

Vlaanderen

Vele jaren geleden verzorgde ik een lezing voor een deftig genootschap uit Vlaanderen. Het was in een hotel, vooraf was er een diner – laat de gastronomie maar over aan die zuiderlingen – en daarna zal ik hebben gesproken over een of ander oudheidkundig onderwerp. Ik herinner het me niet zo goed. De avond eindigde met een pintje. Vermoedelijk zelfs meer dan één. Ook dat herinner ik me niet goed, maar erg zou het niet zijn geweest als ik meer dan één biertje had gedronken, aangezien ik in het hotel overnachtte.

Ook al herinner ik me dus niet alles, wat me vooral levendig is bij gebleven, is de conversatie tijdens het diner en na afloop. De aanwezigen spraken zonder uitzondering over België in de verleden tijd. Niet dat ze militant anti-Waals waren, integendeel, maar het was duidelijk dat ze weinig toekomst zagen voor België.

Lees verder “Vlaanderen”

Hoe God uit de Kempen verdween

Een eeuw geschiedenis van de Belgische Kempen, dat is wat Koen Peeters de lezer biedt in zijn mooi geschreven roman De bloemen. Geen grotemannengeschiedenis: de Latijnse muntunie, de Koningskwestie en de Congocrisis blijven onvermeld. Het is een geschiedenis van het dagelijks leven in België, meer in het bijzonder in de Kempen.

Peeters presenteert zijn stof in een traditionele vorm: de familiekroniek. Eerst vertelt hij het verhaal van de zuivelhandelaar Louis en zijn vrouw Hortence, daarna beschrijft hij de carrière van hun zoon, de politicus René. (Diens echtgenote Paula komt opvallend minder uit de verf dan haar schoonmoeder.) De derde generatie komt aan het woord doordat de verteller, een zoon van René en Paula, commentaar geeft op de levens van zijn vader en grootvader. Door de perspectiefwisseling vermijdt Peeters het zwakke punt van zoveel familiekronieken: dat een naverteld mensenleven minder gestructureerd verloopt dan wenselijk is voor een roman.

Lees verder “Hoe God uit de Kempen verdween”