Het zal kerstmis 1987 zijn geweest, al weet ik dat niet helemaal zeker. In elk geval: ik woonde in de studentenflat in Diemen die u hierboven ziet en was bij mijn ouders geweest. Vanuit het boemeltje dat me vanuit Amersfoort naar Diemen bracht, zag ik al dat er geen licht brandde op de vijfde van de vijftien verdiepingen. Het verbaasde me een beetje, want de studenten op mijn gang waren niet bepaald energiebewust.
Niet veel later wandelde ik de flat binnen. Er zat een gat in het draadglas van de voordeur. “Ik moet er morgen even een plankje achter timmeren,” dacht ik, “anders maken we het wel erg makkelijk voor inbrekers.” Met een ijzerdraadje zou het immers simpel zijn de deur van binnenuit te openen.
Wat grappig: ik heb nog nooit geblogd over het computerspel Civilization. En dat terwijl ik dat uren en uren heb gespeeld! De eerste kennismaking is zeker een kwart eeuw geleden. In Den Haag had ik bovenstaand pakket gekocht en in de vertraagde trein – stilstaand in de Schipholtunnel – had ik de spelregels gelezen. Eenmaal thuis had ik het spel geïnstalleerd en terwijl ik een half oog had op het pruttelende eten in de keuken, begon ik met de tutorial.
Het spel
Ik stichtte een stad. Een verkenner ontdekte nieuwe gebieden terwijl de stedelingen nieuwe technieken ontdekten. We stichtten nieuwe steden. Het werd later en later. Onze beschaving, Amerika, maakte contact met andere beschavingen: de Indiërs of de Fransen of de Zoeloe’s. Het werd middernacht. Onze legers streden tegen barbaren en tegen de andere beschavingen. Vooral de Britten waren taai, herinner ik me nu ineens.
Het paleis van Saddam Hussein, gezien vanaf de Processieweg van Babylon
Wat heb je nodig, als dictator? Een land natuurlijk en een bevolking om te onderdrukken, plus een buitenlandse vijand die je de schuld kunt geven van alles wat verkeerd gaat. Voeg een balkon toe om de menigten toe te spreken en je bent er. Aan dat balkon zit natuurlijk wel een paleis vast, zoals het bovenstaande, dat uitziet over Babylon en ooit werd bewoond door Saddam Hussein.
Of hij er ooit is geweest, is niet bekend. Dat maakt ook niet zoveel uit. Gehaat blijft het. Net als bij zijn residentie in Tikrit, waar een eindeloze reeks vervallen villa’s staat, is er sinds 2003 niets gedaan om het te behouden. Het resultaat is ernaar.
Abbas haalt water: afgebeeld op een fontein in Basra. Dit is een standaardmodel-fontein dat je overal in Irak ziet.
[Dit is het vierde stuk over de geschiedenis van de sji’ieten. Het eerste is hier.]
Irak is momenteel een overwegend sji’itisch land. De imams die ik in het vorige stukje noemde, liggen begraven in grote heiligdommen in Najaf, Kerbala, Bagdad en Samarra en meer dan de helft van de bevolking rekent zich tot de sji’a. Na de verdrijving van Saddam Hussein wonnen de sji’ieten aan politieke invloed. Toen het leger op de vlucht sloeg voor de zogenaamd Islamitische Staat, speelden sji’itische milities een belangrijke rol bij het herstel van het centrale gezag. De laatste verkiezingen gingen vooral over de vraag welke sji’itische groep de meeste stemmen zou krijgen, degenen die vooral naar Iran keken of degenen die een meer nationale koers wilden varen.
Soennitisch Irak
Omdat de heiligdommen hier zijn en het sji’itische bevolkingsdeel zo groot is, zou je verwachten dat deze vorm van islam altijd de meeste aanhang heeft gehad. Toegegeven, de Abbasidische kaliefen en de Ottomaanse sultans waren soennieten, maar een soennitische overheid sluit een sji’itische bevolking niet uit. Het wonderlijke is dat de bevolking van het Tweestromenland pas na pakweg 1830 is gesji’itiseerd. Voordien beperkte de sji’a zich tot de steden met de heiligdommen – en die waren klein. In Najaf woonden op een gegeven moment maar dertig families.
Voor mij zijn markten openbare ruimtes om te kijken, te ruiken, te proeven, te luisteren, een praatje te maken en natuurlijk ook om boodschappen te doen. Sommige markten in het buitenland heb ik in de loop der jaren zo vaak bezocht dat ik de dynamiek van die markten goed ken. Op de Turkenmarkt, zoals hij in de Berlijnse volksmond heet, in Kreuzberg was er bijvoorbeeld altijd een groot aanbod van Turks brood waar ook niet-Turkse Berlijners gretig op afkwamen. Tegenwoordig zijn er veel stoffen in de aanbieding. De drukke Parijse markt in Belleville is maar weinig veranderd. Londen kende een morsige markt in de wijk Brixton met Afrikaanse en Caribische groenten, fruit en vis, soms werden alleen de koppen aangeboden. De vele slagers rondom de markt verkopen uitsluitend halalvlees. De laatste keer dat ik er was zag de markt er opgepoetst uit met een onveranderd aanbod.
Een belangrijke bron van inspiratie bij mijn bezoeken aan markten is altijd het boek dat de Franse antropologe Michèle de la Pradelle (1944-2004) publiceerde over een vrijdagmarkt in een Franse provinciestad. In het Frans verscheen het in 1996, en in 2006 werd de bewerkte, Engels vertaling als Market Day in Provence gepubliceerd. Het boek bevat subtiele observaties en interpretaties van marktgedrag.
Het Bodmer-report vormde het begin van professionele wetenschapscommunicatie
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het zevende van twaalf stukjes; het eerste was hier.]
Hoe nauw voorlichting luistert, ontdekte ik toen ik aan het begin van deze eeuw agressieve reacties kreeg van Iraanse nationalisten, nadat ik op mijn website een vertaling had geplaatst van de Cyruscilinder. Daar kwamen in 2008 bedreigingen bij. Ik kan nu heel stoer zeggen “dan hebben ze geen argumenten meer en heb je dus gelijk”, maar ik ben zo stoer niet. Als je graffiti op je deur vindt en ontdekt dat mensen hebben staan posten bij je huis, voel je je geïntimideerd, zoals ook Nadia Bouras en Huub Bellemakers onlangs aankaartten. Intimiderend was het zeker destijds, toen online-haatzaaierij nog geen thema was en de politie geen aangifte opnemen kon. Nu is dat gelukkig beter.
Sommige mensen haten de wetenschap met een blinde, nietsontziende haat. Een eerste antwoord daarop was het Bodmer Report (1985), een beroemd advies om het publiek niet slechts feiten en conclusies toe te werpen, maar tevens inzicht te verschaffen in het wetenschappelijk proces. Deze visie, ook bekend als Public Understanding of Science, veronderstelt dat sceptici een science deficit hebben. Toon dus wat wetenschap beter maakt dan andere informatiebronnen en leg uit dat haar methoden werkelijk de meest redelijke zijn.
Herodotos veranderde mijn leven (Agora Museum, Athene)
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het zesde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]
In 1993 solliciteerde ik naar een OiO-positie. Hoewel mijn Leidse leermeester H.W. Pleket tegelijkertijd ontslag nam uit protest tegen de oprichting van de onderzoeksscholen, stond hij achter mijn plan. De beoordeling daarvan gebeurde door één hoogleraar, die het voorstel afwees. Als doctorandus 1 had ik daarvoor begrip.
Die berusting verdween toen ik leerde dat de succesvolle sollicitant eveneens doctorandus 1 was én de kandidaat van de hoogleraar die de aanvragen had beoordeeld. Het was beter geweest te zijn afgewezen na een integere beoordeling, want dan had ik geweten wat ik intellectueel waard was. Ik ben van nature onzeker en die onzekerheid is hierdoor verergerd.
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het vijfde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]
De letterenfaculteiten maakten geen beleid om toch doctorandi 2 op te leiden, hoewel dat gewoon kan. Van Rens Bod is bijvoorbeeld de suggestie alle letterenfaculteiten te fuseren tot één instelling die er weer toe doet. Zelf heb ik een iets bescheidener voorstel gedaan: fuseer de oudheidkundige instituten tot één instelling die wél een deuk in een pak boter slaat. In plaats van het wetenschappelijk minimum op deze of een andere manier te verdedigen, stonden de faculteiten toe dat doctorandi 1 solliciteerden naar promotieplaatsen. Waar ooit twaalf jaar waren verstreken tussen propedeuse en promotie, ging het voortaan in acht. Sindsdien zijn proefschriften fors uitgevallen scripties.
Ook in het onderwijs daalde het niveau. De kennismakingen met verwante disciplines verdwenen steeds verder naar de achtergrond. Archeologen leren geen Latijn meer, classici weten onvoldoende van geschiedtheorie.
Me voorbereidend op de tweede fase van de Tweefasenstructuur woonde ik in Diemen
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het vierde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]
Ik denk dat ik het bovenstaande niet zo zou hebben geformuleerd toen ik in 1985 naar Amsterdam verhuisde om te studeren. Ik herinner me echter dat ik veel verwachtte van mijn wetenschappelijke vorming. Ik zou worden opgeleid om ooit mijn bijdrage te leveren aan de kennis die volken en generaties verbindt.
Nu waren de universiteiten kort daarvoor gereorganiseerd. In de “Tweefasenstructuur” duurden alle opleidingen vier jaar, ook als voordien zeven jaar nodig was geweest om het voor wetenschap vereiste niveau te bereiken. Opdat althans een deel van de studenten zo ver kon komen, zou er voor 10% van hen een tweede fase komen. Wie vier jaar had gestudeerd, heette “doctorandus 1”; wie ook de vervolgopleiding had afgerond, was “doctorandus 2” en kon solliciteren naar een promotieplaats.
[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het derde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]
Als de oudheidkunde ons inzicht geeft in onze denkbeelden en als ze ons leert letten op wat we niet weten, is ze in feite een pedagogisch programma. Dat is een wat zware term, maar in de zin dat ze ons vaardigheden voor het leven bijbrengt, is er zeker een vormend aspect. Uiteraard geldt dit ook voor andere wetenschappen.
Er zijn hier nog meer zware termen te gebruiken die mooie gedachten uitdrukken. Het “goede, schone en ware” bijvoorbeeld. Het idee dat de kennismaking met dit drietal een mens méér mens maakt, staat bekend als “humaniora”, terwijl het proces van kennisverwerving bekendstaat als “Bildung” ofwel algemene vorming.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.