2. Het belang van de Oudheid

Wat de Oudheid zou moeten zijn (Rijksmuseum, Amsterdam)

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het tweede van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Die vraag, “Waarom is die Oudheid belangrijk?”, keert steeds terug. Waarom moeten ondernemers hun bouwprojecten stilleggen bij archeologische vondsten? Waarom leren kinderen aan een gymnasium oude talen? Wat moet de staatssecretaris van Cultuur met musea vol opgegraven potten en pannen?

Er zijn verschillende antwoorden. Soms lees je dat in de Oudheid iets is ontstaan dat voor ons nog steeds belangrijk is. Het tijdperk is de bakermat van onze eigen beschaving, heet het dan. Deze sociaalwetenschappelijke claim over een eeuwenlange continuïteit wordt zelden beschreven met het daarvoor ontwikkelde en noodzakelijke sociaalwetenschappelijk instrumentarium. De claim is dus zinledig.

Lees verder “2. Het belang van de Oudheid” →

1. De periferie en het centrum

Sculptuur uit Oud-Termez

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het tweede van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Oud-Termez is ontstaan rond 200 v.Chr., zoveel maakt de archeologie wel duidelijk, maar veel meer weten we niet. Dat de bouwheer een hellenistische koning Demetrios de Onoverwonnene was die de stad naar zichzelf vernoemde, is maar één hypothese over de stichting. De vondsten bieden geen uitsluitsel, al is het plaatselijke museum aardig genoeg: de gebruikelijke collectie aardewerk en munten en ook wat sculptuur. Daaronder is een kapiteel, gedecoreerd met palmetten, guirlandes en een afbeelding van een gespierde, naakte man met over zijn hoofd een leeuwenhuid. Herakles, zou je zeggen.

Termez ligt echter in Baktrië, op de grens van Oezbekistan en Afghanistan, en het kapiteel is gevonden in een boeddhistisch klooster. De makers hebben, toen ze Boeddha wilden afbeelden, gekozen voor een Grieks voorbeeld. Andere vroege Boeddha’s zijn gebaseerd op westerse afbeeldingen van de god Apollo.

Lees verder “1. De periferie en het centrum” →

Geschiedenis van de Nederlandse papyrologie

Vorig jaar publiceerde ik mijn boekje over papyrologie, Bedrieglijk echt. Ik schreef het niet op een achternamiddag, want ik was begonnen met het verzamelen van documentatie toen het schandaal rond het Evangelie van de Vrouw van Jezus uitbarstte. Of ik destijds professor Klaas Worp al kende, herinner ik me niet. Wel weet ik dat hij ooit contact met me zocht in verband met een andere kwestie: een verzameling schrijfplankjes die we in Nederland prima hadden kunnen onderzoeken maar desondanks was gegaan naar Engelse onderzoekers. De Nederlandse archeologen hebben zich teveel afgezonderd van collega-oudheidkundigen om nog te weten welke expertise er is in eigen land.

Enfin. Klaas stortte sindsdien een waterval van filologische informatie over me uit. We zijn het overigens lang niet altijd eens. Hij neemt aan dat de Artemidorospapyrus echt is en ik denk dat het Italiaanse laboratoriumrapport (hoewel het een onvolmaaktheid bevat waarover ik nog zal schrijven) even vernietigend is als uitgebreid. Het is niet erg dat we elkaar niet overtuigen want juist als je het oneens bent, ga je overdenken wat je niet weet en kom je verder.

Lees verder “Geschiedenis van de Nederlandse papyrologie” →

Perzen, Grieken en pseudohistorici (6)

Aristoteles (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

In het vorige stukje toonde ik hoe Eduard Meyer – het had echter iedereen kunnen zijn – betekenis geeft aan het verleden. We doen dat in feite door “wat als?”-vragen te stellen en te speculeren over gebeurtenissen die niet of wel zouden zijn gebeurd. De vakterm is “contrafactisch”. Als operatie Market Garden in september ’44 zou zijn geslaagd, zou een goed uitgerust Duits leger zich een hongerwinter lang in de Randstad hebben verschanst te midden van een steeds wanhopiger burgerbevolking en was de partijpolitieke vernieuwing heel anders verlopen: je weet het niet zeker en het is onwetenschappelijk, maar het is wel wat betekenis geeft.

In het vorige stukje behandelde ik dat aan de hand van de Perzische Oorlogen. Ik vertelde hoe Weber aantoonde dat het nogal speculatief was dit een beslissend moment te noemen. Er is echter meer te zeggen. De beslissendheid van de Perzische Oorlogen is maar één aspect van een negentiende-eeuwse mythe die in welverdiende vergetelheid was geraakt tot pseudowetenschappers deze in de eenentwintigste eeuw wakker kusten.

Lees verder “Perzen, Grieken en pseudohistorici (6)” →

De ongrijpbare David Bowie

In een wat overmoedige bui kocht ik Bowie. De getekende biografie, van Michael Allred en Steve Horton, ingekleurd door Laura Allred. Als de kop die ik dit stukje meegeef de indruk wekt dat het drietal Bowie presenteert als ongrijpbaar genie dat zijn fans steeds een stap vóór was, dan vrees ik dat ik u moet teleurstellen. Ze hebben überhaupt geen grip. Misschien is dat een compliment aan Bowie, dat hij zelfs na zijn dood iedereen te slim af is, maar uiteindelijk is dit boek geen bevredigende lectuur.

Vertaling

Het komt misschien ook doordat ik in mijn haast de Nederlandse vertaling had gekocht. Die is op zich prima – laat daarover geen misverstand bestaan – maar schept ook afstand tot een wereld die u nu eenmaal kent in het Engels. U moet op Mars hebben geleefd als u niet weet hoe de woorden

Lees verder “De ongrijpbare David Bowie” →

Een geschiedenis van de Nederlandse archeologie

Ik ken Theo Toebosch al jaren persoonlijk. We doen vergelijkbaar werk en zouden elkaar dus vroeg of laat wel tegen zijn gekomen, maar het helpt natuurlijk wel dat we nog geen 700 meter van elkaar af wonen. Ik heb al eerder over zijn boeken geschreven, zoals dat over het vroegste Amsterdam, dat over de familie Josephus Jitta en dat over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Allemaal heel lezenswaard – en dat zou ik ook zeggen als ik hem niet kende.

Zijn boek Grondwerk gaat over de geschiedenis van de Nederlandse archeologie. Ik ben heel blij dat het bestaat want het zijn de verhalen die elke betrokkene half kent en helemaal wil kennen. Iedere Nederlandse oudheidkundige kent Reuvens en weet dat hij twee eeuwen geleden de eerste was die zich ook in het Nederlands “archeoloog” liet noemen, maar je wil eigenlijk eens precies weten wat die reus zoal vermocht.

Lees verder “Een geschiedenis van de Nederlandse archeologie” →

De dwarse meningen van Hemelrijk

Een scherf van een vaas, beschilderd door de Sarpedon-schilder, uit de collectie van het Allard Pierson.

Om een dreigend misverstand weg te nemen: er zijn twee Amsterdamse professoren Hemelrijk, een jongere die tegenwoordig oude geschiedenis doceert en een oudere, kunsthistoricus van huis uit, die ook directeur was van het Allard Pierson-museum. Na zijn emeritaat schreef hij een stuk of zestig stukken over de Griekse kunstgeschiedenis in Amphora, het sympathieke tijdschrift van de Vrienden van het Gymnasium; die bundelde hij in 2009 en 2014 in twee boeken, Makron en zijn makkers. Fijne lectuur.

Dwarse meningen

Al was het maar omdat de oude Hemelrijk af en toe lekker dwars kon zijn. Zo vertelt hij met smaak over de wijze waarop de georganiseerde misdaad in Italië Etruskische graven plunderde en het spul vervolgens verkocht aan buitenlandse musea, zoals het Metropolitan Museum in New York en het Getty-museum in Malibu. Die zorgden voor wetenschappelijke uitgaven die, zo schrijft Hemelrijk, de wetenschap van de kunstgeschiedenis verder brachten. De politie rolde het netwerk echter op en dus gingen de voorwerpen terug naar Italië. Maar de Italianen, die zorgden niet voor goede publicaties. Hemelrijk was niet blij

Lees verder “De dwarse meningen van Hemelrijk” →

Geliefd boek: In het huis van de dichter

Gedurende de jaren 1986-1990 werkte ik in Hilversum, als presentator van klassieke muziekprogramma’s voor de KRO op Radio4. Dat werk bestond in hoofdzaak uit het aan elkaar praten van programma’s, het geven van toelichting op de gedraaide muziek en het in de gaten houden van de tijd, want de eindtijd voor de zaterdagavondprogrammering was onverbiddelijk vastgelegd op 00.00u.

Vaak bleven er dan nog enkele minuten over aan het eind van de avond, en die tijd moest dan gevuld worden met rustige, niet al te opdringerige muziek. Piano-solo lag dan vaak voor de hand, en in de studio aan de Emmastraat lagen een paar CDs met stukken, gespeeld door Youri Egorov (Kazan, 1954- Amsterdam, 1988). Op de een of andere manier was Egorov mij al snel lief geworden: zijn rustige, maar bij tijd en wijle ook erg spannende speltechniek ontroerden me. Het was dan ook met ontroering dat ik hoorde van de dood van deze jonge pianist, in mei 1988. Het bericht bereikte me in diezelfde studio, waarin ik net een CD met muziek van hem klaar had liggen.

Lees verder “Geliefd boek: In het huis van de dichter” →

Dakloos

Het is bijna veertig jaar geleden. Op weg van school naar huis fietste ik weleens langs de velden van de rugbyvereniging. Daar kon je dan worden opgewacht door een dakloze zwerver die regelmatig te diep in het glaasje keek en ook in nuchtere staat niet al te helder dacht. Hij kon dan bijvoorbeeld wijzen naar een omgevallen houten stellage naast het sportveld en aan passerende fietsers vragen of zij wisten wat het van machine was.

Hoewel hij geen vlieg kwaad deed en me zelfs aansprak met “meneer’, vermeed ik hem liever. Ik was de enige niet. Mijn klasgenote M. vond hem ronduit eng en was bang dat hij ooit zijn fles naar haar toe zou gooien. Er zijn bij Apeldoorn twee grote psychiatrische inrichtingen; we hoorden weleens wat verhalen.

Lees verder “Dakloos” →

Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “Archeologie en de Indo-Europese talen” →